Showing posts with label Douwes Dekker. Show all posts
Showing posts with label Douwes Dekker. Show all posts

1930 - 1932 Julie groeit op 2



Julie schrijft aan haar broer Boy in 1999

De wereldwijde economische crisis had de gehele bevolking op Java vanaf circa 1930 niet ongemoeid gelaten. Grote werkeloosheid onder de Europese en andere ‘Oosterlingen’ was niet uitgebleven. De inheemse bevolking had moeite om aan voedsel te komen en de handeltjes met de Europeanen en zij die nog een inkomen hadden of geld op de bank namen steeds meer af. De pandjeshuizen op Java deden goede zaken en veel Indische Nederlanders moesten hun te duur geworden huurhuizen verlaten en trokken de kampongs in. Het verre Nederland eveneens in een diepe crisis stelde zich als een hongerig kind op en trachtte door lagere exportprijzen en salarisverlagingen het staatsinkomen uit Indië op niveau te houden. Op Java nam de onderlinge solidariteit toe want een ieder had het moeilijk. 

Nationalistische groeperingen lieten opnieuw hun geluiden horen en het moet vooral voor de Indo’s een vreemde gewaarwording zijn geweest om geld te ‘mogen’ schenken aan steuncomités die geld ophaalden voor arme gezinnen in Nederland. Ferdinand was er de man niet naar om bij de pakken neer te zitten en hij was goed op de hoogte van de wereldwijde ontwikkelingen in de suikerindustrie. Al jaren eerder waren vele landen begonnen met het opzetten van hun eigen nationale suikerfabrieken en de concurrentie van de suikerbiet had de vraag naar de rietsuiker uit Indonesië aan het wankelen gebracht. Machinefabriek Stork in Nederland had echter wereldwijde connecties en zocht bij voortduring naar personen met ervaring die de bouw van nieuwe installaties in met name India en de Filipijnen konden begeleiden.

In het vroege voorjaar van 1932 verhuisde het gezin naar het stadje Sragen op circa 40 kilometer van Solo. Charlotte onderging geschokt de verandering van het vertrek uit het mooie grote huis in Delanggoe naar het zeer kleine en eenvoudige huisje in Sragen wat vlak naast een grote kampong stond. Alleen de kinderbaboe was mee verhuisd. Voor het andere personeel was geen plaats maar ook geen geld en Charlotte moest na al die jaren zelf weer de handen uit de mouwen steken. Ondanks het feit dat bijna de gehele bevolking getroffen was door de economische problemen verweet zij Ferdinand dat hij niet goed voor zijn gezin zou zorgen. Er was al eerder verwijdering tussen hen beiden ontstaan vanwege de grote karakter verschillen en nu Ferdinand had aangekondigd naar werk in het buitenland te gaan zoeken werd de afstand al voor zijn vertrek groter tussen hem en Charlotte. Zij voelde zich in de steek gelaten. Zoals Charlotte eerder in haar leven in de steek was gelaten door haar oudere broers. Die hadden besloten haar op de kloosterschool te laten wonen bij de strenge Zusters Ursulinen in een Kloosterschool voor meisjes.

Nadat Julie in 1932 een toelatingsexamen had gedaan voor plaatsing op een Hogere Burger School verhuisde het gezin van het landelijke Sragen naar het stedelijke Bandoeng. Ferdinand had een huis gevonden in een nieuwbouwwijk van Bandoeng niet ver bij het vliegveld Andir vandaan. Ondanks de crisis was Bandoeng behoorlijk in beweging. Oude kampongs werden ontruimd en er kwamen geschakelde of vrijstaande huizen met een relatief lage huur voor in de plaats. Aan de mooie Bragaweg waren veel etalages te zien met de laatste 'Europeesche' mode die echter voor weinigen was weggelegd.


Charlotte en Ferdinand hadden steeds vaker woorden met elkaar. De ruzies gingen niet alleen over het gebrek aan inkomen. Charlotte had het moeilijk met het idee om in de grote stad te wonen tussen mensen die zij niet kende. Met haar schoonmoeder Joanna Heyligers kon zij ook al niet goed overweg. Ook het aanstaande vertrek van Ferdinand naar het buitenland beroerde haar ten zeerste. Charlotte vond Julie een moeilijk en lastig kind wat te veel haar eigen weg zou gaan. De liefde tussen Charlotte en Ferdinand was aanzienlijk bekoeld. 



    Plaosan Tempel
    
Borobudur met zicht op de Merapi
    
Plaosan Tempel
   
 Prambanan
De Bragaweg in Bandoeng rond 1935

Vandaag de dag heet de Bragaweg, Jalan Braga - Bandung

Ursulinen HBS Bandoeng en klik op de foto met je muis of op de link


  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1932 - 1936 Julie groeit op 3

Julie was een rustige en onopvallende leerling op de Hogere Burger School in Bandoeng. Van 1932 tot 1933 fietste Julie elke ochtend vanuit haar woonwijkje bij het Andir vliegveld naar de Bilitonstraat in het centrum van Bandoeng. Een van haar beste vriendinnen was Nel Chevalier en ook haar nichtje Dorothea ofwel Deetje Heyligers zat in haar klas. Nauwelijks meer dan 10 jaar later zou een andere vriendin Marie en Deetje een belangrijke rol in het leven van Julie gaan in nemen. Het merendeel van de leerlingen op de dure HBS was van Europese afkomst. Blanke ouders met blanke gezinnen. Dat waren niet alleen Nederlandse maar konden ook Duitse, Engelse of uit andere Europese landen afkomstige kinderen zijn wier ouders of soms al hun grootouders zich op Java hadden gevestigd ver voor 1900 en succesvol waren geweest. Een veel kleiner percentage waren de ‘gemengd bloedigen’ of ‘Vreemde Oosterlingen’. 

Er waren kinderen van succesvolle Chinezen of uit Armeense gezinnen of andere gemengde kinderen met bijvoorbeeld Hollands/Indisch, Hollands/Japans, Hollands/Chinees,  Hollands/Arabies  bloed. Deze diversiteit gaf geen problemen zolang deze kinderen maar uitstekend Hollands spraken en ook duidelijk de zeden en gewoontes van de Hollandse gemeenschap hadden overgenomen via hun ouders.  Natuurlijk was het hoge schoolgeld eveneens een mooi selectie criterium. Voor gegoede 100% Indonesische kinderen was deze privé HBS geen voor de hand liggende keuze. Liever gingen de rijkere Indonesische kinderen naar scholen waar meer landgenoten op zaten. Alhoewel het Indische nationalisme bestreden werd door de aanwezige Nederlandse overheden broeide en bloeide het steeds opnieuw op. De Indonesiërs wisten onderwijl heel goed dat goed opgeleide landgenoten een sterk wapen tegen de 'Belanda onderdrukkers' zou kunnen zijn. 

Julie las wel in de kranten dat er soms problemen waren met de inlandse Nationalisten maar kon toen nog niet overzien waar het hen om ging. Pas toen zij haar moeder in Bandoeng tijdens een NSB optocht met gestrekte arm zag lopen was zij diep geschokt en ook beschaamd en ontwaakte er bij Julie een voorkeur voor de vredesbeweging en het bijbehorende pacifistische gedachtengoed.

Julie schrijft in 1999 aan haar broer


Julie’s vader Ferdinand, verbleef inmiddels in India en op de Filippijnen en moeder Charlotte voelde zich alleen en in de steek gelaten. In het voorjaar van 1933 begon zij een verhouding met een Indisch/Chinese ‘kaartlegger’ en nam steeds minder tijd voor haar kinderen. Haar bezoek aan India met Ferdinand was geen succes geworden. De liefde was uit het huwelijk verdwenen en Charlotte had grote moeite gehad met de mentaliteit van de Indiërs en de Engelsen in het verre Bengalen. Na een paar maanden kwam zij alleen terug naar Bandoeng. Eigenlijk wist Charlotte zich geen raad met haar twee kinderen. Zonder personeel en met een 'krappe beurs' voelde Charlotte zich enorm in haar vrijheid beperkt en vooral tekort gedaan door de mensen om haar heen die haar voortdurend verlieten. Haar moeder was gestorven toen zij twee jaar oud was en daarna was zij binnen haar familie voortdurend van hand tot hand gegaan om uiteindelijk als zevenjarige naar een strenge kloosterorde met interne meisjesschool gebracht te worden. Waar zij tot haar 17de levensjaar zou blijven. 

Later zou Julie schrijven dat Charlotte nooit liefde heeft gekend. Eigenlijk bedoeld Julie ook dat haar moeder niet in staat was geweest om liefde te geven.



Aan de rustige en landelijke opgroei periode op het suikerfabriek terrein omringd door de landerijen, de gezellige kampongs en de vele tempels was door het verhuizen naar Bandoeng een einde gekomen. Julie miste de verhalen van haar Baboe over de oude Javaanse Prinsen en Prinsessen over de inlandse tovenaars met hun geheimzinnige krachten. 

Zij miste de gezelligheid van haar vader. Zijn grapjes en wijze woorden en de verhalen die hij vertelde uit de vele boeken die hij las. De prachtige muziek uit zijn grammofoon en vooral zijn handen die lang en slank waren geweest en haar vaak hadden opgetild. De economische crisis bevond zich in 1934 op een hoogtepunt en bracht met name veel Indische families op de rand van de financiële afgrond door de draconische bezuinigingen op het overheidsapparaat. Ook de inlandse bevolking had het bijzonder zwaar. Telkens opnieuw zou Julie zich aan moeten passen aan de nieuwe regels in elk gezin waar zij (tegen betaling door vader Ferdinand) werd ondergebracht. Na één jaar op de privé HBS moest Julie vanwege geldgebrek vertrekken naar de minder goed bekend staande en zeer religieuze Zusters Ursulinen HBS bij het Pieterspark. 

Uit het Godsdienst onderwijs op die school heeft Julie vooral genoten van de brieven van Paulus en de verhalen over de kleine en grote Heilige Theresia. Maar ook de Max Havelaar van Multatuli sprak haar aan naast de vele jeugdboeken die zij met vriendinnen ruilde of in de bibliotheek leende. Hieronder een fragment uit de Paulus Brieven die ook veel later door Julie werden herlezen:

‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen,’ want niet wie zichzelf aanprijst is betrouwbaar, maar wie door de Heer wordt aangeprezen.


Het was deze laatste zin uit deze brief die de kern zou worden van een grote aversie in Julie tegen 'opscheppers' en mensen die zich groter maakten dan zij eigenlijk waren. Hierbij past het in Indië veel gebruikte woord 'branie'.
Julie werd in die periode op haar manier zeer religieus maar zij voelde toen al de 'politiek' die vanuit de Kerk(en) bedreven werd. Zonder haar ouders werden bepaalde heiligen in die periode haar geestelijk leiders. Hierdoor kreeg zij een soort innerlijke kracht om alsnog de HBS met zeer goed cijfers af te sluiten en de dagelijkse problemen te kunnen relativeren. In tegenstelling tot haar nichtje Dee want die was gezakt voor het examen. Hierdoor moest Julie vertrekken uit het gezin van Dee waar zij het laatste schooljaar had doorgebracht. Julie zou Dee te weinig hebben geholpen volgens de moeder van Dee. 

Religie was voor Julie geen doel maar een middel om de ‘kleine dagelijkse ellende’ te kunnen ontlopen. Als het tegen zat dan fietste (vluchtte) Julie graag naar de kerk om gewoon even tot rust te komen of haar verdriet te kunnen vergeten. Sociaal deed Julie net voldoende om niet in de problemen met haar omgeving te komen. Julie had zich zelf aangeleerd om zich ondanks de grote problemen om haar heen, volledig af te sluiten en geconcentreerd aan een door haar gekozen doel te wijden. 


Pas vanaf 1970 zou Julie een aantal religieus bepaalde denkbeelden verlaten, behalve haar principe van 'vergeven en vergeten'. Het waren met name de urenlange en hevige discussies in haar kantoor aan huis met Pater J. Creighton* oud hoofd redacteur van De Linie en zijn 'zieltjeswinnerij' zoals Julie het later noemde, die haar op andere gedachten hebben gebracht. Met name het feit dat bijvoorbeeld de katholieke kerk zo weinig voor de Molukkers tijdens de bezetting in Indië had ondernomen zat haar flink dwars. Haar kleine kantoor gaf Julie de ruimte die zij nodig had om zich af te sluiten voor haar grote gezin. Zij schreef aldaar haar teksten en werkte reclamecampagnes uit maar het gaf haar ook de ruimte om te mijmeren over zaken die haar pijn hadden gedaan in haar jeugd en in de periode daarna. Toen zij jarenlang op de vlucht was. En over de rol van de kerk. Een periode waar zij door Pater Creighton aan herinnerd werd.


Op 5 April 1935 bracht Gouverneur B.C. Jonge een werk bezoek aan Surakarta (Solo). De koelieordonantie was toen nog niet geheel afgeschaft. Het was deze Gouverneur die door Nederland "De kolonie is er voor het moederland en niet andersom" was aangesteld om grote bezuinigingen in Ned.-Indië door te voeren en zodoende het Staats Inkomen in Nederland met de jaarlijkse 400 tot 600 miljoen gulden uit Indië op peil te houden. De pracht en praal van zijn bezoek staat in schril contrast met de armoe lijdende inlandse bevolking. Waarvan er maar circa 6% naar school ging. Julie was nog te jong om te bevatten wat er eigenlijk gaande was maar vertelde later wel dat zij op school of thuis geen kritische vragen mocht stellen. Uitbuiting van de inlandse bevolking werd verdedigd met argumenten zoals nieuwe scholen (circa 180 Hollands-Inlandse scholen voor 30 miljoen kinderen?) en aanleg van een infrastructuur die vooral bedoeld was om nog makkelijker zaken te doen in het belang van de blanke bevolking en de Nederlandse regering. 


"Driehonderd jaar hebben wij hier al met klewang en knuppel geregeerd en over driehonderd jaar zullen we dat nog wel doen", aldus de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, jonkheer B J. de Jonge toen zijn ambtstermijn in 1936 erop zat." *Mijnheer de Jonge zou deze uitspraak later ontkennen.

   Yogyakarta 1934 

1935 Pandhuis ofwel Bank van Lening voor de zeer verarmde inlandse bevolking

    Europese School in Indië

Montessori school Malang

    Javaanse lagere school in Indië

Dessa (platteland) school in Indië

De straatnamen in Bandoeng zijn nu allemaal veranderd. Veel van de oude Hollandse gebouwen en huizen zijn nog immer aanwezig.

De eerste HBS van Julie is vanaf 1942 gebruikt als 
'voor internerings-gebouw' door de Japanners.

Luchtfoto van Bandoeng

De Groote Postweg Oost Bandoeng

De Grote Postweg - Julie zal later in Bandoeng, Batavia (Jakarta) en Soerabaja wonen. Tussen oktober 1945 en april 1946 verblijft Julie in de Oude Boei 'Boei Lama' gevangenis van Cheribon.

De toen nog landelijke Dagoweg




  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1946 - Julie, 25 jaar oud. Op weg naar Nederland - Een tussenbalans

In de haven van Tandjong Priok wacht  oktober 1946 de Ms. Klipfontein om Julie met haar kinderen en moeder naar Nederland te vervoeren. Vanuit Nederland waren inmiddels vele schepen met militairen aangekomen. Militairen die vanaf 1947 onder de vreemd aandoende noemer "politionele acties" ingezet zouden worden om 'de orde' te herstellen. De lege schepen werden ingezet om repatrianten naar hun vaderland te vervoeren. Julie behoorde echter niet bij de groep repatrianten die terugkeerden naar het vaderland. Zij was er immers nooit eerder geweest. Julie voelde zich eerder vluchteling. De aanstaande serie blogberichten kan gelezen worden als de tweede episode uit het leven van Julie. Ook in deze tweede levensfase van Julie wordt telkens terug gekeken naar historische ontwikkelingen in Indië en Nederland vanaf circa 1730 tot het begin van de jaren '70 van de vorige eeuw toen Koningin Juliana als eerste lid van het Koningshuis een bezoek bracht aan Indonesië en Julie haar laatste baby had gekregen. In de documentaire 'Vrijwillig  voor het vaderland' onderzoekt Pia van der Molen hoe het met haar vader was vergaan die als vrijwilliger en deelnemer aan de politionele acties naar Indië was afgereisd. 

Julie is in november 1946 in Nederland aangekomen en was de eerste 25 jaar van haar leven in vele kleine en grote dramatische ontwikkelingen betrokken. Welke invloed hebben de eerste 25 jaren van Julie's leven op haarzelf en haar nieuwe gezin in Nederland gehad? Hoe was het met haar gezondheid? Hoe had zij zich psychologisch ontwikkeld? Welke trauma’s had Julie bij zich na die noodlottige jaren vol onzekerheden, honger en apathie? Heeft Julie de verborgen pijn waar zij niet aan kon of wilde werken misschien gecompenseerd met het krijgen van 12 kinderen? Wat stond haar de volgende 25 jaar te wachten in het kille Nederland? Wie was zij eigenlijk, een Indo meisje in een land waar cultuurverschillen bijna altijd als achterstand worden beoordeeld? Waren INDO's een nieuw ras die zich moesten inburgeren net zoals de huidige allochtonen of immigranten in het Nederland van vandaag?

Nederlanders behoefden zich kennelijk niet in te burgeren als zij in Indië arriveerden. Als het mis ging was er voldoende 'opvang' in de verschillende sanatoriums of anders in de gevangenissen verspreid over geheel Java. Als men te veel kritiek had op de handel en wandel van de Nederlandse overheid dan was er sprake van gebrek aan burgerzin of zelfs een geestesziekte. Als Indo moest je helemaal oppassen, want bij welke bevolkingsgroep hoorde je eigenlijk? Na de dood van Multatuli, in 1887, werd het stilzwijgen doorbroken en barstte de kritiek los. De aanzet daartoe werd in 1888 gegeven door een neef van Multatuli, de arts Dr. Swart Abrahamsz. Die schreef in dat jaar een stuk in het tijdschrift De Gids, niet over het werk, maar over de persoonlijkheid van Multatuli. Met die persoonlijkheid bleek iets ernstigs aan de hand. Op grond van medische en ‘zielkundige’ analyse was Swart Abrahamsz tot de slotsom gekomen, dat Multatuli geestelijk niet in orde was en als gevolg daarvan niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor wat hij deed en schreef. 

Het resultaat van het onderzoek werd gepubliceerd in De Gids onder het veelzeggende opschrift: ‘Eene Ziektegeschiedenis’. Douwes Dekker leed — volgens de diagnose van Swart Abrahamsz — aan een zenuwziekte, die ten gevolge van zijn verblijf in Nederlands-Indië zeer ernstige vormen had aangenomen. 

Was hij in Nederland gebleven, dan zou de patiënt er minder slecht aan toe zijn geweest, want hier zouden ‘de eischen der Europeesche samenleving en voornamelijk de eisch van beroepskeuze’ een matigende uitwerking op zijn ziekte hebben gehad. Aan zijn verblijf in de tropen was het toe te schrijven, dat het met de zenuwlijder helemaal de verkeerde kant op ging. 

Het onderzoek dat Swart Abrahamsz had ingesteld, wees uit dat Douwes Dekker een ongevaarlijke neurasthenicus was. Doordat hij nogal tenger was uitgevallen, had de maatschappij niets van hem te vrezen. Je moest dus een gezonde sterke jongen zijn als je naar Indië vertrok. Julie’s oom, Pa van der Steur was in 1933 opnieuw zeer bezorgd over de toekomst van Nederland in Indië want de Nederlanders brachten hun 'geslacht' over;


Pa van der Steur spreekt in het krantenknipsel uit Het Vaderland van 13 mei 1933 over het wetenschappelijk werk van prof. Kohlbrugge  een Indië kenner en kritische tijdgenoot van prof. Lodewijk (Louis) Bolk;
"Hoe ruimer zou onze opvatting van het leven zijn, indien het ons gegeven ware dit eens te bestuderen met verkleinglazen."
Een uitspraak van anatoom Louis Bolk die rond de eeuwwisseling van de vorige eeuw met veel collega’s antropologisch onderzoek deed middels schedelmeting (Craniometrie). De ontwikkeling van de antropologie in Nederland stond nog in de kinderschoenen en was nauw verweven met de onderzoeken in Nederlands-Indië. Ook de 'Frenologie' ofwel ‘gelaatskunde’ was populair.  Bepaalde knobbels zouden zelfs kunnen wijzen op bijzondere talenten zoals een wiskundeknobbel of een talenknobbel. Later zouden Freud en Jung serieuze aandacht krijgen met hun theorieën over de ziel en de geest. Dr. Swart Abrahamsz had inderdaad bijzondere ideeën over geestesziektes die mede door het aanwezig zijn in Indië versterkt zouden worden. Neem anders zijn opmerking over Chinezen in zijn artikel over Multatuli :



Opmerkenswaardig is het in elk geval, dat de breedgeschedelde (brachycephale) volken, zooals b.v. de Chineezen, een zeer weinig ontwikkeld voorstellingsvermogen hebben, bij groote intelligentie en krachtigen wil.



Dr. Swart Abrahamsz is nog niet helemaal klaar met Multatuli;



Voorts zijn er onzes inziens nog enige factoren, die schadelijk inwerken op het zenuwgestel van den Europeaan in Indië, en die ook bij Douwes Dekker hun invloed niet hebben gemist. In de eerste plaats werkt het klimaat verzwakkend. Is deze invloed al niet dadelijk merkbaar op het individu, dat zij op de progenituur nimmer geheel uitblijft, pleit ontegensprekelijk voor haar bestaan. 



Wij gelooven niet te veel te zeggen, door te beweren dat nakomelingen in het vierde geslacht van Europeanen - geheel onvermengd - in de tropen niet voorkomen. Waar het tegendeel verzekerd wordt is de bewering verdacht en niet te bewijzen en mocht het wèl het geval wezen, dan zijn de gevallen toch zeldzaam. Doch meestal is de schadelijke invloed wèl merkbaar bij het individu en mocht men zelf er ook niets van meenen te bespeuren, zoolang men in Indië is, dan komen de neurasthenische verschijnselen toch te voorschijn, zoodra men zich naar Europa verplaatst. - 

Zoowel de bekende ‘apathie’ als de ‘irritabiliteit’ van onze Indische landgenooten zijn verschijnselen van zenuwverzwakking. -

Was dit een visionaire opmerking van Swart Abrahamsz? Heeft hij het over de 'Indische Zwijgzaamheid'?

In Nederlands-Indië werd in die jaren ook veel ‘materiaal’ verzameld. Bijvoorbeeld schedels en sleutelbenen van verschillende volken of er werden organen gewogen. Men vergeleek bijvoorbeeld Europeanen met Maleiers en andere lokale volkeren. Al gauw ontstond het idee dat de Europeanen toch wel superieur waren. Er werden in Indië immers veel minder 'knobbels' gevonden bij de inheemse bevolking.

Julie’s vader Ferdinand Pieter van de Steur werd in november 1900 in Surabaya geboren uit Nederlandse ouders. Zijn vader Adriaan Hendrik van der Steur (1868 Amersfoort) was machinist bij de Indische Marine en zou in 1899 trouwen met Joanna Carolina Heijligers. De Heijligers woonden al enige generaties in Indië. Het was geen gelukkig huwelijk. Adriaan leed aan depressie's en is verschillende keren opgenomen geweest in een sanatorium in de omgeving van Soerabaya. In 1907 is hun echtscheiding uitgesproken. Julie’s moeder Charlotte Deuning (1896) was geboren uit een relatie die haar vader Casper Frederik Deuning (Soerakarta 1842) was aangegaan met een ‘Javaansche vrouw’ die Djeminem werd genoemd. Djeminem was geboren in de omgeving van Yogyakarta en behoorde zoals zoveel meisjes bij de Kraton (terrein waar de Koning woont) van de Sultan van Yogyakarta. Dat maakt haar nog geen Prinses maar zij moet voldoende aantrekkelijk geweest zijn om door Casper als Njai (bijzit) rond 1875 geaccepteerd te worden. Casper zou haar trouw blijven en toen het wettelijk mogelijk was zijn Casper en de vele jaren jongere Djeminem, die inmiddels tot Johanna was gedoopt op 29 mei 1898 in het huwelijk getreden.

Er waren inmiddels al meer dan 12 kinderen geboren in het prachtig gelegen Bojolali. Telkens opnieuw werd de nageboorte en de navelstreng in een klein kruikje begraven in de achtertuin van de glooiende en vruchtbare aarde van het huis in de buurt van Suiker Onderneming Tjokro Toelong waar Casper zoveel jaren als gewaardeerd administrateur had gewerkt. Julie's moeder Charlotte verloor haar beide ouders al heel jong en werd op 9 jarige leeftijd naar een klooster gebracht. Julie’s Indische achtergrond was aldus een vermenging van Duits/Nederlands en Javaanse bloed. Vanuit (sociaal) Darwinistisch standpunt bekeken  was Julie niet al te mooi samengesteld. Zeg maar 75% Nederlands en 25% Javaans. Hoe kwam het toch dat Julie er zo Indisch uitzag? De biologie kent rassen. Als je dat idee echter op mensen toepast krijg je racisme.

Met hulp van o.a. een neef van Charles Darwin, Sir Francis Galton de grondlegger van de weinig wetenschappelijk gefundeerde eugenetica (rasverbetering) die later ook door Adolf Hitler werd gebruikt om zijn ideeën over de Joden vorm te geven en met hulp van de psychometrie (bijvoorbeeld de IQ test) kon Darwin door werken aan zijn ideeën omtrent de evolutie. Hij koos hierbij voor de overtuiging dat ‘de sterkeren overleven’ op basis van natuurlijke selectie.

In de Wikipedia staat het als volgt omschreven:

*  zichzelf vermenigvuldigen
*  de kopieën moeten lijken op het origineel
*  (3) variatie: de kopieën wijken af van het origineel (mutatie)
* selectie: geërfde kenmerken moeten de mogelijkheid van reproductie beïnvloeden

Op sommige punten ging dit kennelijk mis in Nederlands-Indië. Djeminem en Julie vallen onder groep 3 net zo als de 14 kinderen die zij beiden zouden baren.

Een andere onderzoeker was Gregor Mendel ook wel de vader van de geneticagenoemd ofwel de erfelijkheidsleer. Die zag een mutatie niet zo negatief als Darwin dat soms beleefde. Het darwinisme werd zeer populair en de Ethische Politiek die rond 1900 in Nederlands-Indië werd ingevoerd hoorden als broer en zus bij elkaar en zouden veel wetenschappelijk onderzoekers waaronder Louis Bolk en veel van zijn tijdgenoten inspireren. Kritische geluiden waren er ook. Prof. Dr. J.H.F. Kohlbrugge (1865-1941) had het niet zo op het Darwinisme. Jacob Kohlbrugge was in een orthodox protestants gezin geboren en zou zich tijdens zijn gehele leven sterk verbonden blijven voelen met de christelijke ethiek en de mens vooral blijven zien als goddelijk schepsel. Het darwinisme conflicteerde reeds tijdens zijn studie met de christelijke gedachtegang van Kohlbrugge;

'Geen mijner leermeesters begreep dat ik eigenlijk een koekoeksei was, dat ik alleen studeerde en onderzocht om de geestesrichting af te breken (het Darwinisme) die alle mijne leermeesters voorstonden'

Kohlbrugge zou als jonge arts vanaf 1892 veel ervaring op doen in Sanatorium Tosari een hoog gelegen herstellingsoord voor Europeanen. Naast uitgebreid wetenschappelijk onderzoek maakt hij ook veel tijd vrij voor de kosteloze behandeling van de inheemse bevolking. Zijn lange reeks van publicaties maakte het mogelijk om het darwinisme aan te vallen. Ondanks de dappere kritische pogingen van o.a. Kohlbrugge werden door het koloniaal imperialisme  de politieke structuren, de traditionele economie en de cultuur ernstig aangetast. Zij moesten wijken voor winstgevendheid en nieuwe infrastructuren die de export zouden verhogen. Hierdoor werd ook Java afhankelijk van de wereldeconomie en zou daardoor diep getroffen worden door o.a. de beurskrach van 1929.

Vanaf de VOC tijd tot ver na de politionele en militaire acties tot aan begin jaren '60. Werden de duizenden veelal ongehuwde Europeanen die naar Indië kwamen tégen de toen geldende wettelijke regels, opgenomen in de bescheiden en op beleefdheid gebaseerde culturen van de zeer diverse Javaanse of andere inheemse volkeren op een van de vele eilanden. D.w.z. er werd ’s nachts geslapen met inheems vrouwen die vervolgens ‘gemengd bloedige’ kinderen ter wereld brachten. Zo ontstond een nieuwe bevolkingsgroep waar ook Kohlbrugge en Pa van der Steur zich zo’n zorgen om zouden maken. Vele jaren later werden zij de Indo’s genoemd. Als groepering zouden zij pas na vele moeilijke jaren enigszins erkend worden. Maar een ‘eigen identiteit’ zouden zij nooit ontwikkelen want daar zijn de onderlinge verschillen te groot voor.

Julie en haar broer Boy stonden in 1946 voor een keuze. Boy koos er voor om Indonesiër te worden en Julie maakte werk van haar officiële Nederlanderschap. Geen van beide, hierbij geholpen door het door Darwin aangereikte darwinisme werd daarna als échte Nederlander of échte Indonesiër beschouwd. Eens een Indo altijd een Indo. Oma Charlotte zou zich vanaf 1947 telkens over de wieg van de nieuwe baby’s van Julie buigen. De eerste 3 baby’s waren blond en fors. De 4de was donkerharig en had een getinte huid. Dat wordt niets mompelde Charlotte hoofdschuddend terwijl zij de baby doordringend aan keek. In een soort walstempo volgende er nog acht baby’s.  Telkens weer donker dan weer licht. Maar vooral innerlijk zouden alle baby’s ook Indo bloed hebben en aldus geen volbloed Nederlander worden. Dat had ook Julie nooit verwacht. Of juist wel? Hoe heet dat ook alweer? mutatis mutandis"nadat veranderd is wat veranderd moet worden". Was dit Julie’s antwoord op Charlotte en Darwin? 

Net als Kohlbrugge geloofde Julie sterk in de zoektocht naar het goddelijke in de mens, als 'loutering' en brenger van (innerlijke) vrede. Als je maar zocht, zei Julie dan.


Schedelmeting - Craniometrie


Phrenelogie - gelaatskunde



Tosari 


Tosari 2


Tosari 3

Tosari 4

Sanatorium Tosari, Java

Tosari in kleur

De weg naar Tosari 

Terug naar het vaderland

De politiek van Drees
Meer dan 100.000 soldaten stuurde de Nederlandse regering, direct na de oorlog, naar Indonesië Het doel? De revolutie van de Indonesische revolutionairen in de kiem te smoren. Maar... kan een leger wat bereiken als het door de bevolking ter plaatse als bezetter wordt gezien?



  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS