Showing posts with label repatrianten. Show all posts
Showing posts with label repatrianten. Show all posts

1945 – 2012 : Bersiap-Merdeka-Revolusi Sosial: de Tante van Julie overleefde het niet


Een van de grootste inschattingsfouten van de elkaar opvolgende naoorlogse regeringen in Nederland was het weigeren van de uitdrukkelijke wens van de Indonesiërs om na de Japanse bezetting van Indië, onafhankelijk van Nederland te mogen zijn. Onbegrijpelijk. Na een bezetting van vijf jaar door de Duitsers en de internationaal steeds luider klinkende roep om het koloniale bezit terug te geven aan de respectievelijke volken. Heeft het uiterst verzwakte Nederland in 1945 de hulp nodig van de Engelsen om Indië zo snel mogelijk weer in te kunnen nemen. Er was immers veel geld nodig om Nederland weer op te kunnen bouwen. En daar had Indië vroeger ook al zou goed aan meegeholpen. In Nederland was de stemming verdeeld. Wel of niet de onafhankelijkheid accepteren en tegelijk was er de bezorgdheid over de grote groep in kampen geïnterneerde Nederlanders. 

Over de veel grotere groep Indo-Europeanen die buiten de kampen hadden weten te overleven maakt men zich aanmerkelijk minder zorgen. De Nederlandse regering had grotere zorgen, de schatkist was immers leeg. Om de schatkist weer aan te vullen werd de propaganda machine opgestart met berichten over het zware lot van de gevangen Nederlanders en negatieve berichtgeving over Soekarno die met de Jappen gecollaboreerd zou hebben en nu een communistische staat van Indië wilde maken. De onderliggende doelstelling (geld) werd zo goed mogelijk uit de publiciteit gehouden. Dat gebeurde al eerder. O.a. in 1902 toen het Rhemrev-rapport vakkundig in een onvindbare ‘openbare lade’ van een ministerie werd opgeborgen. Het Rhemrev-rapport werd omstreeks 1985 ‘herontdekt’ door de Amsterdamse hoogleraar Jan Breman. Het gaf hem aanleiding tot het schrijven van zijn boek ‘Koelies, planters en koloniale politiek’. Het Rhemrev-rapport en het protest pamflet  van Mr. J. van den Brand 'De miljoenen van Deli’ zijn integraal in Bremans boek opgenomen en geven een verschrikkelijk beeld van de arbeidstoestanden op de plantages van Sumatra's Oostkust.

Onlangs verklaarde demissionair minister Rosenthal dat zijn regering geen geld (3 miljoen) beschikbaar zou stellen voor een nieuw Indië-onderzoek. Het NIOD, het NIHM en het KITLV hadden vlot uitgerekend dat zij met dat bedrag onderzoek konden doen naar het door Nederland gebruikte geweld tijdens de dekolonisatie periode. Hiermee werd bedoeld onderzoek naar de gevolgen van de aanwezigheid van Nederlandse militairen die pas vanaf maart 1946 op o.a. Java de positie van de Engelsen over mochten nemen. Het gezamenlijke onderzoek zou dus vanaf maart 1946 tot aan de laatste coup poging door ex-kapitein Raymond Westerling in januari 1950 met zijn eigen legermacht(je) de APRA. In hoeverre het door Nederland gebruikte geweld tot aan de overdracht van Nieuw-Guinea in 1962 onderzocht zou worden is niet duidelijk. 

Er was echter nóg een periode waarin veel geweld werd gebruikt en vooral veel mensen zijn vermoord. Door de arrogante en onverzoenlijke houding van de Nederlandse regering veranderde de feestelijke stemming in Indië over de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945  in geweld acties en moordpartijen  op de nog in Indië aanwezige Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs die er van verdacht werden met de Nederlanders te heulen. De Indonesiërs wilden een duidelijk signaal afgeven aan de geallieerden én aan de Nederlandse regering dat zij onder geen beding terug wilden naar de jaren van weleer. De onlusten in de verschillende steden op Java begonnen in september 1945. Die drie miljoen Euro die nodig zijn voor het onderzoek zijn vermoedelijk te weinig als je het dan toch samen met de Indonesiërs gaat doen. Als al die onderzoeksbeperkingen bij het niet zo heel openbare Nationaal Archief worden opgeheven komt er genoeg nieuw geld binnen voor een veel groter onderzoek. Het onderzoek kan dan  na een korte voorgeschiedenis beginnen vanaf 18 augustus 1945. Dus ruim voor de terugkeer van het Nederlands gezag en ruim voor dat de politionele acties opgestart werden.

De periode na 18 augustus 1945 was de door de Nederlanders genoemde Bersiap-periode een term die nauwelijks bekend is onder de Indonesiërs. De Indonesiërs beschouwen deze periode en de aanwezigheid van de Nederlandse militairen vanaf maart 1946 als de Merdeka of de Revolusi Sosial. De twee belangrijkste nationalistische leiders Soekarno en Hatta proclameren op 17 augustus de onafhankelijkheid van Indonesië terwijl de hoofdbewoner van de villa, de Japanse Admiraal Maeda Tadashi op de bovenetage lag te slapen. Alhoewel de nationalisten al in 1944 waren begonnen met voorbereidingen was er in augustus 1945 nog geen sprake van goed georganiseerde nationale eenheid. De door de Japanners getrainde jongeren tussen 14 en 30 jaar waren geen betrouwbare en goed bewapende legereenheid die de nieuwe rechtsorde zou kunnen implementeren. Voor de nationale communicatie werd het voormalige Japanse radiostation gebruikt maar deze zender bereikte niet iedereen. 

Er was nationale verwarring en er ontstonden lokale interpretaties over de wijze waarop de onafhankelijkheid bereikt moest worden. Islamitische fundamentalisten en communistische groeperingen die radicaler waren dan de vaak wat oudere nationalisten die de weg van de dialoog voor stonden, werden geïntimideerd en tot onlusten en rooftochten aangezet. Veelal onder aanvoering van de lokale onderwereldfiguren die als kleine ‘warlords’ ook tijdens de Japanse bezetting en in de vele jaren daarvoor de onderkant van het sociale leven op geheel Java hadden bepaald. Het waren juist deze kleine bendeleiders die een grote invloed hadden op de bevolking van de vele kampongs en daarmee ook van grote invloed waren op de moorddadige gebeurtenissen die zich tijdens de Bersiap-periode zouden afspelen. Soekarno en zijn regering hadden nauwelijks invloed op hen en de invloed van de bendeleiders zou pas in de jaren ’80 van de vorige eeuw afnemen. 

De bevolking van het door de Japanners uitgemolken en verzwakte land hadden echter één gezamenlijk doel. De grote hongersnood op Java in 1944 zou meer dan 3 miljoen mensen het leven kosten en lag nog fris in het geheugen van de overlevenden die allen wel een of meerdere familieleden waren verloren. De doelstelling van de nationalisten was duidelijk. Géén terugkeer naar de dagen toen de Hollanders de dienst uitmaakten. Het is uiteraard een theoretische vraagstelling, maar hoe zou de geschiedenis verlopen zijn als de Nederlandse regering terstond en onvoorwaardelijk de onafhankelijkheid van Indonesië op 18 augustus 1945 had erkend? Vanwege de slechte radioverbinding in die periode had dat natuurlijk ook 19 augustus mogen zijn. Maar stel dat! Zouden dan die 5000 Nederlandse soldaten niet zijn gevallen tussen 1946 en 1949. Zouden dan die mogelijk meer dan 200.000 Indo-Europeanen die niet in de kampen zaten het overleefd hebben? Zouden de in de kampen geïnterneerden dan werkelijk weer vrij zijn geweest na 18 augustus 1945 waardoor zij eerder geholpen hadden kunnen worden met voeding en medicijnen. En zou de exodus van meer dan 350.000 personen naar Nederland en andere landen dan anders zijn verlopen? Deze vragen zouden eveneens afgewogen kunnen worden in het onderzoek wat (voorlopig) door de huidige regering is afgewezen. Mogelijk komt uit het onderzoekresultaat naar voren dat een van de belangrijkste oorzaken van de geweldsexplosie vanaf oktober 1945 juist door de starre houding van de toenmalige Nederlandse regering is veroorzaakt.

Op 18 oktober 1945 nam Julie van der Steur een ‘Andong’ (rijtuig) vanuit de wijk Mr. Cornelis in Batavia. Zij was op weg naar het treinstation om naar Bandoeng te kunnen reizen. In de jaren ervoor had Julie zich op de vlucht voor de Japanse militaire politie schuilgehouden in Batavia. En weten te overleven door zich in het hol van de leeuw te bewegen. Haar vroegere schoolvriendin Marie was met een op Java geboren en tot Nederlander genationaliseerde Japanner getrouwd en samen met haar echtgenoot werkte Marie in een Sakurai Kantoor. Een handelsonderneming waar de Japanse militairen en ambtenaren hun uit Japan afkomstige boodschappen konden halen of laten bezorgen. Het kantoor was gevestigd in de zeer bevolkte handelswijk Mr. Cornelis. De bevolking bestond als vanouds uit veel Chinezen, gemengdbloedigen (Euro-Aziaten) en een laag percentage Nederlanders. Julie had zich goed schuil kunnen houden in de nauwe straatjes achter de grote markt. 

Julie had haar Indische uiterlijk mee. Zij had haar verschijning weten te benadrukken door haar diep zwarte haar strak naar achteren te kammen en een haar staart tot een knotje te vormen. Zij droeg kleding zoals bij de inlandse vrouwen gebruikelijk was en liet niet merken dat zij uitstekend Nederlands sprak. Door haar kleine en magere gestalte onderscheidde zich nauwelijks van de inlandse vrouwen. Toch was het in het voorjaar van 1945 bijna mis gegaan. Waren het haar ogen die gemiddeld groter waren dan de ogen van de Javaanse vrouwen? Of was het haar angstige oogopslag die een dienstdoende Indonesische politie agent alarmeerde? Julie werd staande gehouden terwijl zij voor een boodschap op de bedrijfsfiets van Marie onderweg was. De politieagent vertrouwde haar antwoorden niet en boeide haar met een hand aan haar fiets. Onderweg naar het politiebureau waarschuwde Julie omstanders zo vaak als mogelijk om Marie op de hoogte te stellen van haar arrestatie. Julie werd opgesloten in een vochtige donkere cel in afwachting van verhoor door de leidinggevende Japanse politie. Julie heeft er twee dagen en nachten door gebracht. Het angstzweet had plaats gemaakt voor koud zweet en een longontsteking. Toen de celdeur werd geopend kreeg Julie het bevel om mee te komen. Zij werd in een auto geplaatst en tot haar grote verbazing naar de achterkant van een groot landhuis gereden. 

Het was niet ver van Kampong Makassar. Achteraf zou blijken dat Marie een goed woordje voor Julie had gedaan bij de hoofdbewoner van het grote oude koloniale landhuis. De hoofdbewoner was Kapitein Tanaka Kentaro een goede klant van het Sakura Kantoor. Marie had verteld dat Julie tuberculose had en Kentaro wilde haar om die redenen niet opsluiten in het nabij gelegen burgerkamp Bunsho I Kamp 9. Julie zou tot eind augustus 1945 in de kleine bijkeuken van het grote landhuis verblijven. Zij hielp de inlandse Kokkie met hand en span diensten in de keuken en kroop weg als de Japanse medewerkers van Kentaro zich op de terrassen ophielden. Pas eind augustus durfde Julie de bijkeuken en het terrein te verlaten. De geruchten over de Japanse overgave bleken waar te zijn. Julie wandelde angstig en onzeker naar Mr. Cornelis terug, de wijk waar haar vrienden zich zouden bevinden.  De huizen, wegen en zijstraten waren de voorgaande jaren slecht onderhouden en veel tuinen en perken waren als groentetuin in gebruik genomen. Er was veel volk op straat. Opgewonden strijdkreten roepend. De volwassenen en jongeren zagen er mager en onverzorgd uit en de vele straatkinderen trachten met bedelen hun kostje bij elkaar te scharellen. Nog geen zeven weken later werd Julie opnieuw vastgenomen en per vrachtwagen en trein naar de Oude Boei gevangenis in Cheribon vervoerd. Julie zou daar zeven maanden en onder zeer zware omstandigheden verblijven.

Een tante van Julie zou de Bersiap-periode niet overleven. Onlangs werden er twee uitzendingen uitgezonden door Omroep Max. Het betreft een tweedelige documentaire-serie die op zondag 12 en 19 augustus werden uitgezonden. De documentaire begint met een historisch overzicht van de periode vóór de Bersiap-periode die vanaf de tweede week van augustus 1945 die het gehele eiland van diverse brandhaarden zou voorzien. De documentaire is gemaakt door Pia Media. Op hun verzorgde website www.archiefvantranen.nl kan men het uitgebreide dossier lezen wat de aanleiding zou zijn naar nog meer research en uiteindelijke de tweedelige documentaire. Op de website word vermeld (ik citeer) dat er naar schatting 20.000 Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen werden vermoord door Indonesische extremistische strijdgroepen, de pemoeda’s, die zich gevormd hadden na het uitroepen van de onafhankelijkheid op 17 augustus 1945 – Het is aldus een schatting, gemaakt op basis van diverse tellingen en bronnen. Er zouden echter veel meer slachtoffers genoemd kunnen worden. Er werden immers ook veel Indonesiërs vermoord omdat men hen er van verdacht bevriend te zijn met Nederlanders.

In deel twee van de sobere en soms zeer aangrijpende documentaire wordt o.a. de moord op Oma Deuning besproken en er word op locatie gefilmd in de afgelegen Desa Ngadireso. Victorine Deuning woonde in de buurt van de bijna volledig uitgemoorde familie Engelenburg. Hans Vervoort heeft hier eerder al eens over geschreven. En er moet wat rechtgezet worden. In de documentaire word gesteld dat Oma Deuning géén eigen kinderen zou hebben. Victorine was de weduwe van Georgius Gerardus Deuning. Georgius was enige jaren eerder overleden. Georgius was een oudere broer van de moeder van Julie van der Steur, Charlotte Deuning. Victorine Deuning was eerder getrouwd geweest met Albert Karel Frederik Le Febre. Een huwelijk waarin zij vier kinderen zouden krijgen waarvan er twee reeds op jonge leeftijd overleden. 

Het huwelijk hield geen stand en in 1907 is de scheiding uitgesproken. In 1909 trouwde Victorine met Georgius, zover bekend hebben zij samen geen kinderen gekregen. Dochter Pauline uit het eerste huwelijk van Vicorine trouwde met Lodewijk L. Leenderts. De eerst geboren dochter van Lodewijk en Pauline werd Sonja genoemd. In de documentaire komt Sonja van der Hoff-Leenderts aan het woord en doet levendig verslag van haar contacten met haar eigen grootmoeder die in de documentaire haar kinderloze stiefmoeder wordt genoemd. Deze kleine details doen verder niets af aan wijze waarop de dramatische ontwikkelingen in beeld worden gebracht. Het bewijst echter ook hoe moeilijk het is om gedetailleerd onderzoek te doen naar de gebeurtenissen op Java tussen 1942 – 1949. In een land waar de gemeente en kerk registers en veel andere documenten en foto/filmmateriaal door de opgewonden Indonesiërs in brand zijn gestoken.

Julie en haar moeder Charlotte hadden na hun aankomst in Nederland geen fotoboeken of brieven van ‘vroeger’ in hun schamele bagage, zij hadden niets meer. Hun huizen en andere bezittingen waren geconfisqueerd of in brand gestoken. Van enige compensatie is nooit sprake geweest. De nieuwe Nederlandse regering liet beleefd weten dat het gebeurde in Indië onder een volstrekt andere regering had plaats gevonden. Het Nederlandse volk liet weten dat zij toch wel zo veel meer hadden geleden dan de repatrianten. Ja, daar wordt je wel stil van. Charlotte kwam uit een gezin van 15 kinderen en is opgeroeid in het landelijke Boyolali in de omgeving van Solo. Door trouwerijen ontstond een familie die in 1942 bijna honderd personen telde. Meer dan zeventig familieleden hebben de bezetting en de Bersiap niet overleefd. Hun stoffelijk overschotten liggen over Java, Sumatra, Thailand, Japan, Singapore en veel andere buitenplaatsen verspreid. 

Niet allen zijn (her)begraven op de vele oorlogskerkhoven en erevelden. Victorine is op 27 oktober 1945 vermoord omdat zij een Nederlandse achtergrond zou hebben. Als ik naar de prachtige sawa beelden van Michiel Praal kijk dan hoop ik dat de geest van Victorine in de buurt van haar huisje en bij de verstilde sawa’s alsnog rust heeft gevonden. In 1948 groef de Nederlandse Opsporingsdienst Overledenen 39 slachtoffers op die in de omgeving van het huisjes van Oma Deuning werden vermoord. De slachtoffers zijn herbegraven op Ereveld Kembang Kuning. Toen ik de beelden in de documentaire zag en de mensen hun soms zeer emotionele verhaal hoorde vertellen hoorde ik in de verte het ingehouden verdriet van mijn moeder Julie. Dan weer stil en dan soms wat luider. Het was diep weggestopt verdriet over ‘vroeger’. Verdriet waar zij niet over kon praten. Maar waarom leeft dat verdriet en verlies ‘van vroeger’ ook zo in mij? 


Tijdens de Atjeh periode 1874- 1918 werd door de 
Nederlandse militairen veel geweld gebruikt. 




Het blauwe deel van de Nederlandse vlag werd verwijderd







De villa waar de proclamatie werd voorgelezen is heden een museum


K. Wilhelmina laat ondertussen blijken dat zij er geen snars van begrepen heeft. 








Victorine Deuning-Anthonio voor haar huisje

1948 Ereveld Kembang Kuning Soerabaja


roosjeroos.nl

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1947 - Soedah, laat maar - en het jaar 2602

Julie had de boodschap goed begrepen na haar aankomst eind 1946. Zwijgen over Indië en meehelpen met de wederopbouw van Nederland. Terwijl haar moeder en haar twee kinderen in een contractpension in Markelo verbleven was Julie begin 1947 op zoek naar werk in Amsterdam. Zij vond al snel een baan bij een Notaris kantoor aan de Vossiusstraat. Een paar maanden later leerde zij Anton kennen en zouden al snel gezamenlijk een etage betrekken aan de Amstel. In januari 1948 werd hun eerste kind geboren.

De inmiddels zo bekende ‘zwijgzaamheid’ van de eerste generatie gerepatrieerden en later de spijtoptanten uit Nederlands-Indië kan gerelateerd worden aan: de koele ontvangst door de Nederlanders, de discussies over ‘wat is een Indo’ een Nederlander of een Indonesiër (lees Socioloog Wertheim ‘ze moeten maar in psychoanalyse om te ontdekken dat zij Indonesiër zijn’). Hun Indische opvoeding die vaak conservatief was geweest en gebaseerd op gehoorzaamheid  (je vader en de Europeaan weten het beter). De gerepatrieerde Indo's hadden een vaak zeer verschillende culturele achtergrond en kwamen zeker niet allemaal van het eiland Java. De nieuwe bewoners met een Indische achtergrond werd echter als één groepering met een grote culturele achterstand beschouwd. Betutteling was het gevolg.

Het merendeel van de Indo’s kreeg hierdoor het gevoel dat zij tweederangs burgers waren. Door dan maar te zwijgen, te gehoorzamen en hard te werken zouden zij op termijn wel een plaats in de maatschappij gaan veroveren. Het duurde echter soms jaren voordat Indische families een eigen huis en werk hadden gevonden. De Nederlandse overheid vindt echter nog steeds dat de 'inburgering' van de Indo's zeer geslaagd zou zijn. Opvallend vaak waren de Indo’s de bescheiden maar wél aanwezige gangmakers in het verenigingsleven wat weer langzaam op gang kwam toen de Nederlanders weer geld voor contributies hadden. In bijna elke vereniging in Nederland zitten wel een of twee Indo’s die op een bescheiden manier veel werk verrichten.

De opvang en hulp aan oorlogslachtoffers was vanaf 1945 langzaam op gang gekomen. Men had geleerd van de eerste wereldoorlog van 1914-1918 dat men wel degelijk aandacht moest besteden aan de individueel getroffenen ook als het een heel volk betreft. In de psychiatriese instellingen in Nederland werden veel Nederlanders verpleegd die niet alleen hun echtgenoot/echtgenote waren verloren maar soms ook hun kinderen of gehele familie. De huisartsen maakten melding van veel patiënten die klachten van depressieve aard hadden. De ontwikkeling van antidepressiva die aansloot op een goed onderzocht ziektebeeld moest nog op gang komen. Dus het advies was al snel ‘ach mevrouwtje van tobben wordt je ook niet beter’. Een goede “volksgezondheid” was immers hard nodig om het land weer op te kunnen bouwen. Het was ook nog de periode dat slachtoffers ‘recht op privacy’ hadden. In de tegenwoordige tijd is dat bijna andersom. De media zoals kranten en TV staan soms eerder dan de hulpverleners een drama ‘te verslaan’. Terwijl men zich vroeger schaamde voor een depressie kan men heden een groot arsenaal aan ‘hulp’ zoeken los van de tips en het begrip van familie en partners. 

Terwijl veel gerepatrieerde Europeanen hun Nederlandse familie hadden kan dit niet gezegd worden over de Indo’s zoals Julie. Die had in Nederland alleen haar moeder en een verre aangetrouwde nicht. Over haar Vader was niets bekend geweest bij het Rode Kruis. De Indo’s moesten ook nog een zekere schroom overwinnen om naar de zo ‘Nederlandse’ artsen op bezoek te gaan. Zou de arts hun wel begrijpen en goed verstaan? Hoeveel Indo mannen en vrouwen de huisarts bezochten met depressieve klachten vanwege hun opspelende oorlogservaringen is niet echt bekend. 

Als er indertijd een stichting ‘Soedah, laat maar’ was opgericht ipv bijvoorbeeld Stichting Pelita dan waren er zeker zo’n 150.000 Indo’s lid geworden. Hun passieve houding is pas vanaf eind jaren ’60 veranderd. De gordijnen van de huizen ging verder open en er kwam een periode dat er ‘leefkuilen’ en ‘knuffelmuren’ in zwang kwamen. Flowerpower, Peace en Love. Oorlogslachtofferhulp werd veranderd in erkenning en hulpverlening. Het sobere beleid van de jaren '50 bleek succesvol geweest. De sociale zekerheid nam toe en de sociaal-maatschappelijke veranderingen werden  aangejaagd door de eerste naoorlogse generatie jongeren die de ‘grijsheid’ van de jaren ’50 als benauwd hadden ervaren en de liberale oprispingen van de jaren ’60 ten volle wilde benutten.   

De Indo broers de Wolff scoorden in 1959 een eerste hit onder de naam de Blue Diamonds en Anneke Grönloh veroverde in 1962 met het liedje Brandend Zand de Nederlandse harten. De Indo muzikanten werden vanaf eind jaren ’60 steeds minder gevraagd en moesten plaats maken voor uit Engeland en Amerika afkomstige of door Nederlandse muzikanten geïmiteerde populaire (Pop) muziek. De bevolking was tussen 1945 en 1970 met drie miljoen inwoners toegenomen en de TV was van zwart/wit naar kleur gegaan. Door het Groot Indonesisch Kookboek van Bep Vuyk maakten vele Nederlanders kennis met de gevarieerde rijsttafels. Onder Indo’s en hun families met Nederlandse aanhang was de eerste Pasar Malem Tong Tong in Den Haag 1959 een groot succes. Ook het voorbereidend werk door Mary Bruckel-Beiten in de voorgaande jaren (waaronder de eerste grote Pasar Malam in 1958 en vergelijkbare evenementen in de jaren daar voor) en vele anderen zoals o.a. Tjalie Robinson die vonden dat het Indies (Indo) gedachtegoed bewaard moest blijven sloeg niet alleen aan bij de Indo's er kwamen ook steeds meer Nederlanders naar de Pasar Malam's.

De ‘zelfhulp’ onder de Indo’s  kwam op gang door met elkaar in gesprek te gaan tijdens deze steeds populairder wordende evenementen. De menukaarten van de Chinese restaurants werden uitgebreid met Indische recepten die vergeten leken te zijn. De termen ‘Binnenkampers’ en ‘Buitenkampers’ werden nog niet openlijk gebezigd. Bijna geheel Nederland had immers buiten de gevangenis en concentratie kampen de oorlog doorgemaakt. En toch wilde men nauwelijks horen dat ‘de toestand’ op o.a. Java onvergelijkbaar was met de ‘verschrikkelijke jaren' tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Koningin Wilhelmina heeft in November 1945 nog wel een heel lief briefje geschreven aan de ‘Kinderen die geïnterneerd geweest zijn’. De twee jonge kinderen van Julie en de vele andere Indo kinderen hebben dit lieve briefje nooit gekregen want zij waren immers nooit ‘geïnterneerd' geweest. Wilhelmina wist kennelijk ook niet dat veel kinderen opnieuw 'geïnterneerd waren in zogenaamde 'beschermingskampen'. De kinderen die wel geïnterneerd waren geweest zullen nog wel eventjes verbaasd zijn geweest over de opmerking over hun Moeders en (door omstandig heden elders geïnterneerde Vaders:
Wist de Koningin dan niet de er mannen/jongens en aparte vrouwenkampen waren geweest en dat veel geïnterneerde kinderen met name hun vaders nauwelijks herkenden als zij al verenigd werden?  Willem Nijholt over het contact met zijn Vader na de oorlog; 'Mama hij zegt dat we naar bed moeten'. Was zij ook niet op de hoogte dat er géén Nederlands onderwijs aan de kampkinderen gegeven mocht worden. De 'buitenkamp' kinderen moesten net als Julie en alle andere buiten de kampen verblijvende Indo's zo snel mogelijk 'gejapaniseerd' worden.

Veelzijdig acteur Willem Nijholt leerde in de jaren '80 zijn publiek nog een Japans liedje om daarna pas te vertellen dat het een liedje was uit zijn kamptijd als jonge jongen. Nijholt in 1934 geboren in Gombong uit Nederlandse ouders, kwam op zijn achtste ook in een kamp terecht. Hoewel hij zei daar geen trauma's aan overgehouden te hebben, waren het wel vormende jaren. ‘Je slaat je jeugd over als je op je twaalfde dode mannen moet afleggen, terwijl je ook nog zo aan jezelf moet denken dat je daarnaast ook hun eten gaat ophalen, zodat je wat extra voedsel hebt’. Jaren later, in 2002 zegt hij: 

"Het kamp, daar word ik vooral aan herinnerd als ik Japanse toeristen zie, of iets níet koop omdat het een Japans merk is. Laatst ging ik een grasmaaimachine kopen en ze hadden in de winkel alleen Japanse. Ik zei tegen Ben, mijn vriend: 'Ik doe het niet.' Maar ik kon niet anders, we hadden het ding nodig. Toen zei ik: 'Oké, dan zal deze Jap godverdomme voor míj werken.' Ja, en dat 55 jaar na dato.'' 
 ''Ik heb er de laatste jaren weer meer last van. Een bitter gevoel, omdat ik door het kamp geen goede scholing heb gehad, omdat ik mijn moeder heb verloren... 

Terwijl  Willem Nijholt in een van de kampen verbleef  leefde ‘buitenkamper’ Okke Norel in een boom.

De in Nederland aangekomen Indo’s hielden aldus noodgedwongen de lippen op elkaar . Er waren vanaf 1945 veel discussies op gang gekomen over wie ‘goed’ en wie ’fout’ in de oorlogsperiode was geweest. De Indo’s kregen vaak het verwijt te horen dat zij eigenlijk ook een beetje fout waren geweest. Zij hadden ‘hun’ land immers niet goed verdedigd en kwamen eenmaal Nederland aangekomen hun hand op houden. Ook de kinderen van Julie en Anton werden al op jonge leeftijd geconfronteerd met geheimzinnige uitspraken zoals ‘die melkboer daar is verkeerd geweest’. Of ‘oh, ben jij er een uit dat NSB gezin’! Nog in 1965 hoorde de kinderen over ‘die verkeerd geweest zijnde familie. ‘Ja daar, schuin aan de overkant!’ Wat de kinderen dan zagen was een grote vrijstaande villa met een mooi onderhouden tuin. Was dat huis betaald met oorlogsbuit? In die villa woonden ook kinderen met dezelfde leeftijd als de kinderen van Julie en Anton. 

Natuurlijk vroegen de kinderen niets aan de kinderen van de villa maar je paste er wel voor op om het hen om te gaan. Pas jaren later hoorde je dan de achtergrond. Het was de grootvader van de villa eigenaar geweest die een rol in de NSB gespeeld zou hebben en met de moffen geheuld zou hebben. De Nationaal Socialistische Beweging van Anton Mussert die samen met de bezettende Duitsers het land wilde gaan regeren. Ja, die waren goed  ‘fout’ geweest. Had de moeder van Charlotte ook niet meegelopen met de Indische NSB optochten in Bandoeng 1935 toen Mussert Indië bezocht? Julie was laaiend van woede geweest toen zij haar moeder in een bruin hemd voorbij zag marcheren. 

Wie ‘goed’ was geweest kon rekenen op repatriëring naar Nederland. Dat ging echter niet vanzelfsprekend de Nederlandse regering was er logistiek maar ook psychologisch niet echt op ingesteld om hun ‘onderdanen die in den verre verbleven’ snel naar Nederland te halen. En wie zou de transportkosten moeten betalen? Nederland was immers zwaar ‘berooid’. Er was wel genoeg (geleend) geld om tussen 1945 en 1950 meer dan 200.000 militairen naar Nederlands-Indië te sturen. De Nederlandse politici waren echter wel zo ‘slim’ om er op toe te zien dat Nederlands-Indië zogenaamd autonoom was geweest waardoor de ‘eigen’ schulden waaronder de achterstallige salarissen en pensioenen van de Europeanen en Indo’s dus niet uitgekeerd behoefde te worden. Laat staan dat er sprake was van schadevergoeding vanwege het achterlaten van huizen en inboedels. 


Nederland Helpt Indië

...... 
Met die fundamentele basisveiligheid heeft het ernstig kijkende kind op de tekening die vlak na de oorlog is gemaakt, 
de dingen die zijn kinderogen zagen een plek gegeven die hem 
immuum maakten tegen latere trauma’s en complexen.



Thea schrijft in het Engels

What are these eyes telling me? What have they seen? 
I know there were some terrible things, 
these eyes saw, but my mother has protected me from all these horrible things. 
Thank you mom. She has tried so hard to protect me, but these eyes saw. 
Moentilan was a terrible place for young children. 
As a child you saw daily that women got beaten, 
just because they did not bow enough.




Het jaar 2602   klik met je muis op het jaartal




aankomst repatrianten schip 1946 - Rotterdam

Indische Toko Amsterdam Slotervaart - 1956

Aankomst repatrianten uit Indië station Utrecht 1958

Station Utrecht 1956 - aankomst repatrianten uit Indië

Indische repatrianten uitgenodigd bij prinses Wilhelmina op Het Loo 1958

bagage van gearriveerde Indische repatrianten 1958


Lunetten opvangkamp - voor Ambonese KNIL militairen met hun familie 

Belofte maakt schuld - De Molukkers in Nederland

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1959 - Twee gedwongen verhuizingen, de Kerk en een emotioneel weerzien

Er kwamen emotionele berichten en brieven uit Indonesië. Na langdurige procedures was de broer van Julie in staat gesteld om naar Nederland te mogen vertrekken. Hij zou nog in 1959 naar Nederland komen. In de zelfde periode stuurde de Nederlandse regering militairen naar Nieuw Guinea. In december 1957 had de Indonesische regering alle Nederlandse bedrijven genationaliseerd als reactie op de onwil om Nieuw Guinea aan Indonesië over te dragen. De broer van Julie had echter niet bij een Nederlands bedrijf gewerkt maar voor een gemeentelijk nutsbedrijf in Bandung. Indonesië zou vanaf 1959 een grote stap terug doen in democratisch opzicht. De nationalisering van de Nederlandse bedrijven was in 1957 een populistische afleidingsmanoeuvre geweest om de enorme economische problemen waar geheel Indonesië onder gebukt ging toe te kunnen dekken.    

Op 5 juli 1959 werden alle democratiseringsprocessen een halt toegeroepen en werd de in 1945 opgestelde constitutie weer tevoorschijn gehaald. Soekarno werd weer alleenheerser. De PKI ofwel de Indonesische communistische partij werd uitgesloten van enige regering inspraak die vanaf dat moment hoofdzakelijk door legerfiguren werd beheerst. De Amerikaanse regering steunde deze gang van zaken ten zeerste. De werkeloosheid in geheel Indonesië was inmiddels gestegen naar circa 25% en juist de achtergebleven Indo’s hadden te maken met grote jalouzie en roddelcampagnes waardoor hun vaak betere posities vanwege hun gedegen Hollandse opleiding alsnog onhoudbaar zou worden. 

Ondanks de door de broer van Julie in 1946 zeer bewust genomen beslissing om in Indonesië te blijven om het land te helpen opbouwen werd zijn initiatief niet gewaardeerd. Ook zijn status als Romusha (dwangarbeider onder de Japanners) kon op weinig nationale sympathie rekenen. Het zal vooral zijn zo Hollands klinkende achternaam zijn geweest evenals de achternaam van zijn echtgenote die zouden zorgen voor de toenemende discriminatie van de achtergebleven Indo’s. Lees meer over 'Spijtoptanten en Achterblijvers' in de uitgave van Boudie Rijkschroeff en Georgine Kwa. Het echtpaar Van der Steur-LeDoux kwam met vijf jonge kinderen in het najaar van 1959 in Nederland aan. Voor Julie en haar broer was het weerzien na veertien lange jaren zéér emotioneel. Want met haar broer kwamen ook de oude verhalen mee die de verdrongen trauma’s weer zouden aanwakkeren. Berichten over de verblijfplaats van Julie’s vader ontbraken toen nog. Onderwijl was Julie opnieuw zwanger van haar twaalfde kindje wat in de zomer van 1960 geboren zou worden.

De gedwongen verhuizing in maart 1959 naar Aalsmeer was voor Anton minder ingrijpend dan voor Julie en de reeds wat oudere kinderen. Anton had als jongen tussen 1928 en 1930 de Aalsmeerse Tuinbouw School doorlopen en kon via oude schoolvrienden aan de slag als vertegenwoordiger in planten en snijbloemen. Julie was zwanger geweest van kindje nr. 11 en had tijdens de zoektocht naar een nieuw onderkomen contact weten te legen met een aannemer die nieuwbouwhuizen verkocht met  een overheidssubsidie. Via de sociale verzekeringsbank in Amsterdam kon Julie haar Indische pensioen afkopen en met een geleend bedrag van Anton’s oudste broer was de koop rond gekomen. Het waren nieuwe relatief ruime woningen met grote vensters die toen populair werden als ‘doorzon woningen’. Het vloeroppervlak was circa 110 m2 exclusief een inpandige bijkeuken en er was een aparte garage. Op de boven etage 4 slaapkamers en een kleine douche ruimte. 

Een voor Anton en Julie. Een kamer voor oma Charlotte een aparte jongenskamer waar oude stapelbedden uit het leger werden geplaatst en ten leste de meisjeskamer. De woonkamer was een zogenaamde doorzonkamer vanwege de grote vensters aan beide uiteinden. In het midden van de woonkamer stond een kolen gestookte kachel die het gehele huis zou moeten verwarmen. Het huis had een kleine voor en achtertuin. De achtertuin sloot aan op een 30 meter brede groenstrook met een heg waarachter de grote weg van Haarlem naar Uithoorn was aangelegd. Het was toen al een drukke weg. De straat met nieuwbouwhuizen was doodlopend en verderop werden volop nieuwe woningen gebouwd. Indrukwekkend was het bulderende geweld van de laag overvliegende Boeing 707 straalvliegtuigen op weg naar de Aalsmeer landingsbaan. De ramen trilden heftig en de kopjes rinkelden in de kast. Het was vooruitgang en men vond het toen prachtig.

Voor de grotere kinderen was de verandering zeer groot. Het kille en religieus aandoende Aalsmeer was onvergelijkbaar met de oude sfeervolle straatjes in de eeuwenoude binnenstad van Alkmaar. De Alkmaarse kwekerij van Anton sloot aan de achterkant aan op het Clarissenbolwerk. Een park wat zich vanaf de Bergerbrug tot aan de Molen van Piet uitstrekte en in die periode een prachtig en geheimzinnig speelterrein voor de kinderen was geweest. Aalsmeer was aangelegd als een zakelijk dambord met langgerekte werk en woon vlakken. Lange straten, voortuintjes, schone stoepen, een trottoir en dan een weg. Alles was recht toen en recht aan. Een voor de kinderen saai aandoend straatpatroon waar weinig aan viel te ontdekken. Het bloeiende verenigingsleven in Aalsmeer was nog onbereikbaar voor de nieuw aangekomen kinderen en de katholieke St. Josephschool achter de Karmelkerk was veel strenger dan de moderne lagere school in Alkmaar. In de kerk zelf bevonden zich een groot aantal angstaanjagende muurschilderingen die grote indruk maakten op de schoolgaande kinderen van Anton en Julie. 

De treurnis en de gewelddadigheid op de muurschilderingen kwamen dichtbij de realiteit van de krantenfoto’s en TV journaals over oorlogen en andere rampen. De oorlogsverhalen van Anton en het zwijgen van Julie over Indië terwijl de kinderen via andere kanalen steeds meer te weten kwamen over hetgeen aldaar was gebeurd strookten niet met de opdracht van Julie aan de kinderen om in God te geloven en vooral naar de tien geboden te leven. Ook de school benadrukte deze streng katholieke (na)leefregels die voortdurend omstandig werden aangehaald. De tien geboden zijn nogal uit de mode geraakt vanaf de jaren’60 maar hieronder de ‘normen en waarden’ waarmee Julie in navolging van de katholieke kerk en de lagere school van haar kinderen probeerde de kinderen te beïnvloeden. Gecombineerd met de angstaanjagende bijbelse verhalen en de realistische muurschilderingen van G. Van Geffen in de Onze Lieve Vrouw van de Berg Carmel zat de schrik er goed in. Als de kinderen naar de kerk gingen dan werden zij op iets boven ooghoogte omringd door de muurschilderingen. Als je de tien geboden niet goed kende werd je flink gestraft.



1. Gij zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen.
2. Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet zonder eerbied gebruiken.
3. Wees gedachtig dat gij de dag des Heren heiligt.
4. Eer uw vader en uw moeder.
5. Gij zult niet doden.
6. Gij zult geen onkuisheid doen.
7. Gij zult niet stelen.
8. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen.
9. Gij zult geen onkuisheid begeren.
10.Gij zult niet onrechtvaardig begeren wat uw naaste toebehoort.

Het rampzalige jaar 1958 met de vele zieke kinderen, het verlies van de kwekerij en de grote schuldenlast hadden Julie bijzonder ontmoedigd. Zoals in de oorlogsjaren vond zij ook deze periode veel morele en mentale steun binnen de kerk. Er werd bij Anton en Julie thuis én op school flink gebeden met een gemiddelde van een uur per dag. De kinderen hebben dat nooit als een bijzonder last ervaren. Zij wisten gewoonweg niet beter dan dat het bij de ‘lifestyle’ van Anton en Julie hoorde. In de komende jaren zou een Pastoor of een Kapelaan van de Karmelparochie veelal op zondagen rond het middageten langskomen. Een groot katholiek gezin met veel jongens was voor de kerk een ideaal wervingsterrein om te peilen of er niet een of meerdere jongens misdienaar wilden worden en eventueel later in het klooster zouden toetreden. Natuurlijk konden de meisjes ook voorbereid worden op een carrière als Non. En als vanzelfsprekend met toestemming van de ouders want ook zij zouden dan in het hiernamaals door HEM bedankt worden voor hun bijdrage. Het streng katholieke gezinsbeleid van Julie zal zeker ingegeven zijn door de grote economische moeilijkheden waarin Anton en Julie verkeerden. De schulden veroorzaakt in Alkmaar moesten immers afgelost worden en Julie had na aankomst in  Aalsmeer geen werkkring gevonden die voor aanvulling zou kunnen zorgen. 

De sfeer in huis was tot ver in jaar 1961 zeer sober en veranderde toen Julie weer wat kon bijverdienen met reclame ontwerpen. De kinderen hadden in hun nieuwe woonomgeving veel minder bewegingsruimte. In Alkmaar was er veel meer speelruimte geweest. Hierdoor bleven de kinderen ook door gebrek aan vriendjes veel meer in huis dan vroeger. Het enige vermaak was de TV die Anton op afbetaling in Amsterdam had weten te bemachtigen. Nederland had toen nog 1 TV kanaaal wat pas later op de avond met uitzendingen begon. Het gebeurde echter regelmatig dat Anton nog onderweg was en dat de stroom in huis werd onderbroken doordat het geld in de ‘muntmeter’ was opgebruikt. Niet altijd had Julie een reserve gulden om de meter mee te kunnen vullen. Die werd dan snel bij de buurvrouw geleend of er moest in het donker gewacht worden tot Anton thuis zou komen. Als Julie wat meer geld over had dan spaarde zij via de muntmeter voor kleine extra's. Die dan met een brede glimlach door de muntgeld-ophaler van de PUEM aan Julie werd overgedragen. 

Een muntmeter. Met een gulden had men voor een groot aantal uren stroom. Als je geen geld had dan had je ook geen stroom.

1959 Aalsmeer december Anton en Julie met 9 kinderen. 
De twee oudste kinderen zijn afwezig. De auteur van dit blog zit vooraan 
in het midden en droomt weer eens weg.

Kolen, een kolenkit en de kolenkachel verwarmde het gehele huis niet echt goed, 
elke ochtend opstoken en tussendoor bijvullen was een noodzakelijk ritueel.



1959  Aankomst 30 december te Amsterdam. De broer van Julie met zijn gezin. 
De broer van Julie staat geheel links zijn echtgenote rechts achter Julie. 
Zij vertrokken naar contractpension St.Lambertus te Vlierden




1959 Amsterdam - demonstratie tegen uitzending van 
dienstplichtigen naar Nieuw Guinea

Papua's Nieuw Guinea

1959 - President Sukarno leest op het balkon van het voormalige 
Gouvernementele Paleis het 4 juli decreet voor waarin 
de 'geleide democratie' wordt aangekondigd.

1945 - 17 augustus Soekarno verklaart de onafhankelijkheid 

2009 -2010 Beyond the Dutch een bijzondere tentoonstelling waar men de cultuurverschillen tussen de Indonesische en Nederlandse kunstenaars kon beleven.
Rechts een schilderij van Ries Mulder 1958 - Kerk in Bandung

Harijadi Sumadidjaja was in 1952 al een geheel andere weg opgeslagen.
In Magelang het OHD museum

De oude schilderijen die aan het koloniale verleden van Indonesië zouden herinneren werden ook uit de zalen van het presidentiële onderkomen te Jakarta verwijderd. 

1925 Batavia - Het paleis van de Gouverneur-Generaal in de wijk Noordwijk


1931 circa - gebouwd te Aalsmeer - De R.K. Kerk O.L. Vrouwe van de Berg Carmel. 
Onder de toren het poortje naar de St. Josephschool voor lager onderwijs

Aalsmeer R.K. Kerk - aan de Stommeerweg.
Muurschilderingen van G. van Geffen - De lijdensweg van Jezus














  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS