Showing posts with label arbeitseinsatz. Show all posts
Showing posts with label arbeitseinsatz. Show all posts

1943 deel 5 - van Bandoeng naar Cirebon

Begin juni 1943 verliet Julie zo onopvallend mogelijk de wasserij van haar moeder in Bandoeng. Het verblijf in de gevangenis van Bandoeng hadden haar angstig en onzeker gemaakt. Haar moeder en jongste zoon hadden haar regelmatig bezocht en zij had de briefjes of het gevouwen papiergeld uit zijn kinderknuistje altijd snel in haar bloes verstopt om deze later te kunnen lezen. Door bemiddeling van Indonesische vrienden kwam Julie vrij maar het was duidelijk dat zij beter uit het zicht van de Japanners moest blijven. Zij nam de bus naar Cirebon om onder te duiken bij een Indonesische vriendin. Julie had haar haren in een strak Javaans knotje gestoken en viel met haar kleine gestalte nauwelijks op tussen de Indonesische bevolking. In het blog van de Java Post beschrijft Frits J. Suyderhoudop informatieve wijze over de situatie in Bandoeng buiten de kampen. Net zoals Julie zou hij na afloop van de oorlog beticht worden van collaboratie. Voortkomend uit de toenmalige sfeer van frustratie, jaloezie, onderling verraad, geroddel en gebrek aan feitelijke informatie.

Julie zou op de vlucht blijven voor de Kempei Tai tot oktober 1945. Om in leven te blijven handelde zij in sieraden en andere kostbare voorwerpen van mensen die zich niet op straat konden of durfde te begeven. Zij verkocht de sieraden veelal aan Chinese handelaren in de marktwijk van Cirebon. Cirebon leek veilig voor Julie. Het was altijd al een echte stad voor Indonesiërs geweest en had weinig koloniale gebouwen. Er stond wel een relatief nieuwe gevangenis die Boei Lama werd genoemd. Een gedeelte van de verkoopopbrengsten was voor Julie en hiermee kon zij zich zelf in leven houden terwijl zij bij een Indonesische vriendin onderdak had. Toen het na enige maanden te gevaarlijk werd in Cirebon is Julie schielijk naar Batavia getrokken en heeft zich gemeld bij de Indische familie waar zij in de jaren 1938/1939 een kamer huurde toen zij als beambte bij de PTT van Batavia werkte.

Julie woonde in de wijk Meester Cornelis. Alwaar zij na enige maanden oud schoolvriendin Marie ontmoette die samen met haar Indonesische echtgenoot in een Japanse Sakurai-kantoor ofwel Japanse Toko, als bedienden werkten. In deze groothandel werden behalve voedsel ook Indonesische en Japanse luxe producten verkocht. De winkel werd druk bezocht door Japanse militairen en burgers en Julie verrichte hand en spandiensten waardoor het leek dat zij als medewerkster legitiem voor de Japanners werkte. Tijdens deze periode wisselde Julie herhaaldelijk van slaapplaats waardoor de kans op verraad verminderd werd. Op gezette tijden leende Julie het reispasje van Marie waarop een foto was aangebracht die sterk leek op Julie. In combinatie met het kaki kleurige bedrijfsjurkje van Marie voorzien van een geborduurde kersenbloesem durfde Julie het verschillende keren aan om naar Bandoeng te reizen om haar kinderen te bezoeken. Moeder Charlotte had inmiddels jongste zoon Ted afgestaan aan Ukkie Sombeek een kinderloze oud collega van de PTT Bandoeng. Zoontje Billy was bij moeder Charlotte in het grote huis naast de wasserij aan de Merdikaweg achtergebleven.

Terwijl Koningin Wilhelmina op circa 75 kilometer van Londen verbleef op het landgoed Stubbings House en samen met Prins Bernard kantoor hield op Chester square 77, maakte zij zich grote zorgen over o.a. Indië. Wilhelmina had meer dan ooit te brokkelen in de regeringsmelk omdat er geen parlement was wat haar controleerde. Ondertussen werd de echtgenoot van Julie,  William opgeleid op de luchtmachtbasis van Jackson  in Amerika. Julie had via de gecensureerde post vernomen dat William via Australië naar Amerika was vertrokken. Meer wist zij niet, pas na aankomst in Nederland december 1946 zou Julie vernemen hoe het haar echtgenoot was vergaan.

Midden 1943 was Nederland al weer drie jaar bezet door de Duitsers. Anton Deijmann was al maanden niet meer bij zijn echtgenote en kinderen aan de Marco Polostraat geweest. Zijn moeder woonde een straatblok verder eveneens in de Marco Polostraat. Zijn angst voor razzia’s was zeer gegrond en bracht hem er toe om veel onderduik adressen te hebben. Daar durfde Anton die inmiddels een ‘Ausweis’ had op naam van Ton van Dijk ’s avonds nog wel naar toe om ’s morgens heel vroeg weer te vertrekken. Veelal bracht hij illegaal verkregen etenswaren mee voor zijn moeder en vrouw en kinderen. Als Anton weer weg was dan werd het eten opgehaald door zijn vrouw. Anton leidde een zwervend bestaan tot mei 1945. Julie en Anton zouden elkaar in maart 1947 in een lunchroom aan het Leidseplein ontmoeten. Beiden hadden indertijd een geschiedenis van vluchten, onderduiken, honger, verlies, eenzaamheid, verraad, geweld, verdriet, achter zich. De overeenkomsten zijn de woorden niet de geografische achtergronden. Links Nederland verzette zich hevig tegen de aanstaande Politionele acties in Indië. Julie was in november 1946 in Rotterdam aangekomen met een troepenschip wat op de heenweg Nederlandse militairen naar Java had vervoerd. De oorlog was nog niet afgelopen voor Nederland.

Julie werd na aankomst in Nederland dagelijks geconfronteerd met haar afkomst. Haar kleine knappe Indische gestalte en haar donker gekleurde huidskleur met het prachtig golvende zwarte haar gaven de Nederlanders het idee dat zij jarenlang onder de tropische zon heeft kunnen genieten van klappermelk en heerlijke rijst. Julie had volgens de toen geldende opinie geen enkel recht op klagen en verdriet moest zij maar voor zich houden. Ook Anton was nog vol geweest van ‘zijn oorlog’. Hij was een charmante grote man. Hij werd vaak vergeleken met de indertijd zeer geliefde Engelse acteur Gary Grant. Anton was de Gary Grant van Restaurant Formosade indertijd bekende Tearoom aan de Kalverstraat waar nog jaren na de tweede wereldoorlog veel oud verzetsstrijders zich op zaterdagen zouden verzamelen.

Julie zocht bescherming na de bange jaren in Indië in het haar volstrekt onbekende Nederland waar zij sinds enige maanden woonde. Julie was net 26 jaar oud geworden en weduwe. Anton had in januari 1947 zijn vijfendertigtigste verjaardag gevierd bij zijn moeder en een echtscheiding aangevraagd. De oorlog had voor Anton en Julie alle bekende normen en waarden in een ander daglicht gebracht. Familie leden waren omgekomen. Families’ waren uit elkaar gerukt. Of hadden zich eventueel voor en tijdens de oorlog misdragen of waren door honger en ellende volledig van persoonlijkheid veranderd. Anton wilde Julie graag beschermen en wegwijs maken op zijn Amsterdamse grondgebied. Anton zocht iemand die hem uit de oude familiebanden en uit zijn verleden van armoede en gebrek aan kansen kon bevrijden. Beiden wilden hun trauma’s geen kans geven om over hen te heersen in een land wat zich uiterst moeizaam herstelde van vijf jaren overheersing door een vreemde mogendheid. Zij hadden elkaar.

Anton heeft nooit gevangen gezeten en is op wonderbaarlijke wijze voortdurend uit handen van Duitse bezetters gebleven. Julie heeft pas jaren later verteld dat zij tijdens de Bersiap-periode (oktober 1945-begin 1946) meer dan 7 maanden onder zeer erbarmelijke toestanden in oude smerige gevangenis te Cirebon heeft doorgebracht. Als het over de oorlog ging dan liet zij Anton het woord wel voeren. Haar oorlog telde immers niet echt mee! Hiermee mag niet verondersteld worden dat Anton geen oor voor Julie’s verleden had. Hij bemerkte vaak genoeg dat Julie volkomen dichtklapte als het over Indië ging. Zij trilde dan en keek met afgewend hoofd veelal betraand naar een lege hoek in de ruimte.  Julie zweeg tot 1971. Julie zwierf in Batavia 1944 tot voorjaar 1945 van slaapplaats naar slaapplaats. Julie was handig in het regelen van voedsel voor de mensen die haar onderdak boden. Zij werd geholpen door Marie en haar man die haar op de fiets boodschappen lieten doen voor de klanten van de Sakura toko. Waaronder het wegbrengen van boodschappen naar de bordelen waar met name Europese, Chinese en Indonesische meisjes onder dwang of vrijwillig hun diensten verleenden aan de Japanners. Indo-Europese meisjes en vrouwen werden over het algemeen niet geronseld voor deze bordelen omdat er bij de Japanners groot wantrouwen was ten opzichte van Indo meisjes (Bart van Poelgeest 1994).

                                                            Chinese Toko 



















                         Japanse winkel in Jogyakarta met filiaal in Batavia 

Uit een Japans fotoboek 




Het onderkomen van Koningin Wilhelmina in 1943 - Stubbing House
Wilhelmina's rede voor Radio Oranje op 2 september 1943 baarde verbazing en kritiek:

'Ik wil u thans enkele mededelingen doen omtrent hetgeen er hier wordt voorbereid voor het tijdstip uwer bevrijding. Een aanzienlijk aantal landgenoten is opgeleid voor de uitvoering van de reeds eerder door mij genoemde staat van beleg. Zij zullen onder leiding van een militair belast worden met de uitoefening van het militair gezag. Dit militair gezag zal op het uur der bevrijding aanwezig zijn'.

Wilhelmina had schoon genoeg van het parlementaire gedoe van voor de oorlog.  De door Wilhelmina aangekondigde veranderingen bleken in 1945 geheel anders uit te pakken wat Nederlands-Indië betreft. 


Een reactie van J.H. Doorn in de illegale Oranje krant op deze toespraak liet een ander geluid horen;

Wilhelmina in gesprek met Engelandvaarders 1943


Amsterdam 1943 - een zeldzame foto van een razzia

Een winkel etalage in Amsterdam 1943

Een winkeletalage in Amsterdam met SS propaganda - 1943

Het Hinomaru Hotel in Solo met een bekende naam voor Japanse bordeelbezoekers
De Japanse vlag wordt ook Hinomaru genoemd 



  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1955 - Van Amsterdam naar Alkmaar en de verandering van Julie

Terwijl President Soekarno en Minister Luns van Buitenlandse zaken elkaar steeds onsympathieker vonden had Anton het idee opgevat om zijn oude beroep als tuinman weer op te pakken. Het gezin bestond inmiddels uit zes kinderen en Julie was inmiddels opnieuw zwanger. Een groter huis vinden in het door woningnood geplaagde Amsterdam was een bijna onmogelijke opgave. Politiek stonden Anton, Luns en Soekarno aan de zelfde kant. Zij hadden het Atlantisch denken omarmd en waren tégen de communisten. In geheel Nederland konden de communisten op steeds minder sympathie rekenen. Dat was bij Soekarno voorheen wel anders geweest maar zijn contacten met de Amerikanen brachten behalve meer politiek aanzien gewoonweg meer geld en opdrachten voor het Indonesische bedrijfsleven op. Ook de antikoloniale houding van de Amerikanen was voor Soekarno een mooi wapen tegen de onverwerkte sentimenten over het verlies van Indië in Nederland. 

Pas in 2000 zou premier Wim Kok geneigd zijn om de relatie met Indonesië in ander licht te willen stellen.  Zo niet Minister Joseph Luns die nam de opdracht om Nieuw Guinea voor Nederland te kunnen behouden in 1956 zeer serieus en moest ondanks grote tegenzin met de Indonesische regering aan de vergadertafel om de  Nederlandse (industriële) belangen in Indonesië niet in gevaar te brengen. Anton volgde via de radio en de kranten het politieke nieuws op de voet. Anton was zich hierdoor zeer bewust van het grote gevaar uit Rusland wat steeds dichterbij leek te komen door de Koude Oorlog. Hij luisterde veelal naar het avondnieuws op de radio terwijl hij het rekverband aan zijn onderbeen verwisselde. Het was een dichtgegroeide schotwond opgelopen tijdens een razzia door de Duitsers in de oorlogsjaren.

Anton had weinig sympathie gehad voor de acties van de Nederlandse communistische beweging tegen het optreden van het Nederlandse leger in het nieuwe Indonesië. De kaarten actie om de door de Indonesische regering aan Nederland uitgeleverd ‘overloper’ Piet van Staveren uit de gevangenis te bevrijden had hij ronduit belachelijk gevonden. Julie stond meer aan de kant van de pacifistische Koningin Juliana. Die had immers gezegd dat als de mensheid zich zo geweldig had ingespannen om de oorlog te winnen dan zouden zij toch ook met de zelfde inspanning ‘de vrede’ kunnen winnen. Ook Julie wist dat het op paleis van de koningin te Soestdijk niet altijd even gezellig was geweest. De gebedsgenezeres Greet Hofmans had een paar jaar grote invloed op Juliana gehad en Greet had zelfs een eigen kamer op het paleis gehad. Prins Bernhard had zich zeer verzet tegen de aanwezigheid van Greet maar anderzijds kwam de onrust in het paleis hem ook wel goed van pas zou hij vele jaren later toe geven. In 1952 werd zijn buitenechtelijke dochter geboren. De affaire Hofmans zou pas in 1956 door een artikel in het Duitse magazine Der Spiegel internationaal aandacht trekken. De Nederlandse pers had door zelf censuur weinig over de interne problemen op Soestdijk naar buiten gebracht. Juliana, Greet en Julie hadden met elkaar gemeen dat zij alle drie bewonderaar waren van Jidu Krishnamurti die zichzelf in 1929 zou bevrijden van de Theosofen. Vanaf 1925 zou Krishnamurti de door de Theosofen opgelegde volgelingen uitleggen dat hij die een ander volgt ophoudt de waarheid te volgen. Hij brak in 1930 met de Theosofen en begon de wereld af te reizen met lezingen om mensen ‘onvoorwaardelijk vrij te maken’. Julie herkende haar eigen wens naar innerlijke vrijheid in de woorden van Krishnamurti en zou haar leven lang om de zoveel tijd zijn boeken blijven lezen.

Het leven en werken als vertegenwoordiger in kantoorartikelen beviel Anton niet meer. Ondanks zijn huwelijk in 1940 met Tonia met wie hij al sinds 1938 had samengewoond was de oorlog de enige periode in zijn leven geweest waarin Anton zich het meest vrij had gevoeld. Nadat de Duitser Nederland hadden bezet in het voorjaar van 1945 had de Nederlandse samenleving zich aan moeten passen aan de nieuwe door de Duitsers opgelegde regels. Vanaf 1941 liet Anton zich steeds minder zien in zijn jonge gezin aan de Marco Polostraat. Hij wilde niet in Duitsland tewerkgesteld worden en was daarom ondergedoken geweest. Slechts sporadisch kon hij zijn moeder, zijn vrouw en zijn kinderen opzoeken die allen in de zelfde straat woonden. Hij leefde in die periode op tientallen ‘illegale’ adressen en verleende als zwarthandelaar hand en spandiensten aan personen die in het verzet zaten of goederen wilden ruilen voor extra voedsel. Tijdens de buitengewoon koude hongerwinter van 1944 had ook Anton grote problemen gehad om zijn kinderen, vrouw en moeder van extra voedsel en brandstof te voorzien. Ondanks alle spanningen die het heimelijk verzet tegen de Duitsers met zich mee had gebracht had Anton voor het eerst van zijn leven een doel gehad wat op een hoger niveau had gelegen dan de economische korte termijn oplossingen waar hij voor de oorlog mee te maken had gehad. Anton was machteloos geweest toen hij als 8jarige mee had moeten maken dat zijn moeder had willen scheiden en heimelijk vanuit Den Helder naar Amsterdam was gevlucht. Naar een bovenwoning in de Borgerstraat. Anton’s vader was in 1890 vanwege gedragsmoeilijkheden naar de Zeevaartschool in Leiden gestuurd en zou na 30 jaar dienst als marineman recht hebben op pensioen. Een veel lager pensioen vanwege de vele voorvallen die in verband hadden gestaan met dronkenschap en agressief gedrag. Anton’s vader was in februari 1920 voor zijn laatste reis naar Batavia vertrokken. Helena, de moeder van Anton wilde echter zelfstandig verder en niet meer samen zijn met een echtgenoot die vaak dronken was en dan gewelddadig werd. Zij voelde zich nog jong genoeg om werk in Amsterdam aan te nemen als huishoudster of anders als winkeljuffrouw. Na zijn terugkeer uit Indië had Anton senior in zijn boosheid over de scheiding besloten om eveneens woonruimte te huren in de Borgerstraat maar dan op de tweede etage. Kort daarna raakte hij bij een vechtpartij betrokken en werd in het Huis van Bewaring opgesloten. Het zou tussen Anton en zijn vader nooit meer goed komen. Het melancholische en dan weer flinke gedrag van zijn moeder en de autoritaire invloed van zijn oudere zuster Marie die met de veel afwezige onderzeeboot machinist Arie was getrouwd zou een grote rol spelen in zijn psychologische ontwikkeling en zijn respect voor vrouwen en visie op het moederschap. Anton werd vanaf zijn 8ste levensjaar telkens opnieuw ergens anders ondergebracht en heeft daardoor weinig stabiliteit in zijn jeugd gekend. Vanaf 1920 tot 1947 zouden ontelbare verhuizingen volgen. De persoonskaarten uit de vele gemeente archieven zijn hier stille getuigen van.

Pas tijdens de samenleving met Julie begon Anton te ervaren wat stabiliteit was. Na de relatief vrije periode in de oorlogsjaren en het mislukken van zijn huwelijk met Tonia wilde Anton ook aan zichzelf bewijzen dat hij als echtgenoot en vader van betekenis kon zijn. De zoektocht naar een ruimer huis kwam in een nieuw daglicht te staan toen Anton in 1954 had vernomen dat de oude kwekerij van de familie Doggenaar in Alkmaar te huur zou zijn. Anton kende de kwekerij nabij het oude centrum van Alkmaar zeer goed. In de vooroorlogse jaren had hij herhaaldelijk als los werkman klussen in de kwekerij gedaan die verbonden was aan een bloemisterij in de Alkmaarse Langestraat. Het was ook in die periode geweest dat Anton zich bewoog tussen twee vakgebieden. Hij was samen met zijn in Den Helder wonende oudere broer Jo een kantoorboekhandel begonnen die in 1934 failliet was gegaan. Hierdoor moest hij noodgedwongen weer aan het werk als tuinman maar kon door de economische crisis geen vast werk vinden. Nadat zijn eerste huwelijk op een scheiding van de moeder van zijn eerste zoon was uitgelopen en na een avontuurlijke maar weinig succesvolle periode als vertegenwoordiger van tuinkas verwarmingen in Zuid Frankrijk zou Anton zich ‘Tuinbouwkundige’ gaan noemen. Na de oorlog hadden de bloemen en planten kwekers een zeer moeilijke periode. De krappe beurs van de bevolking liet niet toe dat er veel bloemen en planten werden gekocht. Toen de economie zich vanaf het begin van de jaren vijftig leek te herstellen zag Anton nieuwe kansen en ook het ruime bovenhuis wat bij de kwekerij hoorde leek aantrekkelijk te zijn. In 1955 verhuisde het hele gezin naar Alkmaar en begon Anton de bouwvallige en verwilderde kwekerij nieuw leven in te blazen. 

Voor de reeds geboren kinderen van Anton en Julie was het veel ruimere bovenhuis een zegen en de tuinderij een klein paradijs. Zij konden heerlijk spelen in de oude plantenkassen en meehelpen met het wieden van de bloemenbedden die door lange betonnen randen van elkaar werden gescheiden. Voor de twee oudste kinderen van Julie was het wonen op de kwekerij minder leuk. Die werden al snel als ‘werknemers’ van Anton in gezet. Omdat de kwekerij geheel opnieuw opgebouwd moest worden en nog geen inkomsten genereerde moest Julie noodgedwongen op zoek naar een vaste baan die ook de ziektekosten verzekering voor de kinderen zou gaan dekken. Julie vond al snel werk bij een grote drukkerij in de oude binnenstad van Alkmaar (Drukkerij W.F. Slinger) niet ver van de Kaasmarkt. Al heel snel maakte zij promotie omdat bleek dat Julie behalve snel drukwerk correcties kon uitvoeren ook advertenties kon schrijven en van een grafische opmaak kon voorzien. Haar salaris steeg hierdoor zo vlot dat zij besloot om een gedeelte van haar salaris te besteden aan kunstschilderlessen o.a. in het atelier van een van de bekende Alkmaarse kunstschilder Koos Stikvoort bekend van het tekengenootschap Kunst Zij Ons Doel en later van de kunstenaarsvereniging 'Doorwerken'. Julie genoot van haar werk en de schilderlessen. Voor het eerst na haar aankomst in het Nederland van 1946 had zij het gevoel dat haar grafische werk op de drukkerij en de teken- en schilderlessen een brug over haar traumatische ervaringen op Java zou bouwen. Julie verdiende voldoende om ook een dienstbode-kindermeisje in te kunnen huren die overdag voor de kinderen zorgde en het eten zou koken terwijl Anton de kwekerij opknapte. Het gaf haar een nieuwe vrijheid zowel op financieel als artistiek gebied. De zelfstandigheid van Julie beviel Anton niet geheel. Julie was vijf dagen per week aan het werk en daarnaast volgde zij nog de schilderlessen. Er waren jaloerse ruzies die geregistreerd werden door de opgroeiende kinderen. En de conflicten tussen Anton en Julie's tweede, in Indië geboren zoon liepen steeds hoger op. 

Een persoonskaart uit het gemeente archief van Den Helder
Anton is in 1912 geboren (Joseph Luns in 1911)



Anton aan het werk als vertegenwoordiger in Amsterdam



Amsterdam 1955


In 1955 verhuizen Anton en Julie naar Alkmaar. Op de foto het huis waarvan zij de boven en zolder etage in gebruik zouden nemen. Aan de achterkant was er een houten trap die over de achtertuin van de buren toegang tot de de kwekerij zou geven die door Julie - Kwekerij Bloemenland - genoemd zou worden


Op de luchtfoto links boven het adres is een parkeerterrein waar te nemen wat aansluit op het park. Hier was de oude kwekerij gevestigd waar Julie en Anton van 1955 tot 1959 zouden wonen en werken.


Een oefenschilderijtje door Julie gemaakt in 1956 
het is een van de kinderen van Julie



De Rotterdamse communist Piet van Staveren (*1925), die zich als dienstplichtige 
tegen uitzending naar Indonesië verzet had maar er toch terecht kwam, 
liep in 1947 in Djokjakarta naar de republikeinse troepen over. 
Hij veranderde zijn naam in Pitojo en probeerde in radiouitzendingen 
Nederlandse soldaten over te halen de strijd te staken. Hij werd als communist 
door de regering Hatta gearresteerd en aan Nederland uitgeleverd, 
waar hij tot 1955 gevangen zat.




Alkmaar 1956 


In 1955 werd er een conferentie in Bandung georganiseerd, 

Een belangrijk onderdeel van het debat ging over de vraag, of het beleid van de Sovjet-Unie in Oost-Europa en Centraal-Azië op dezelfde manier benaderd moest worden als het westerse kolonialisme. Men bereikte er consensus over, dat "kolonialisme in al zijn verschijningsvormen" werd veroordeeld, wat impliciet inhield dat zowel de Sovjet-Unie als het Westen dit zich konden aantrekken.  


De Greet Hofmans affaire Soestdijk bracht het Koningshuis in gevaar 
en Bernhard zocht elders troost



“Ik loop met Luns over het Plein in Den Haag”, vertelt oud-premier Piet de Jong thuis in zijn woonkamer in Den Haag. “Zegt Luns tegen mij: 'Ik heb vannacht weer mijn mooie droom gehad'. Dus ik vraag hem waarover hij het heeft. 'Nou, we liepen hier, jij en ik. En er kwam een vrachtauto om de hoek en die reed jou aan'. 
Dus ik kijk hem verbaasd aan en zeg: 'Dat is nou ook wat!' Luns gaat verder: 'Je ligt op de grond en je laatste woorden zijn: 'Neem het over, Joseph! Neem het over!'”, grijnst De Jong. Luns droomde premier te worden. En vertelde De Jong dat hij die droom had in elk kabinet waarin hij tot dan toe zitting had.


Wilde Papoea stammen in het Nieuw Guinea van Joseph Luns


Sukarno 1955


Het eerste NTS journaal in 1956. 
Pas in 1959 zouden Anton en Julie 
hun eerste TV aanschaffen.

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS