Showing posts with label Postkantoor Batavia. Show all posts
Showing posts with label Postkantoor Batavia. Show all posts

1932 - 1936 Julie groeit op 3

Julie was een rustige en onopvallende leerling op de Hogere Burger School in Bandoeng. Van 1932 tot 1933 fietste Julie elke ochtend vanuit haar woonwijkje bij het Andir vliegveld naar de Bilitonstraat in het centrum van Bandoeng. Een van haar beste vriendinnen was Nel Chevalier en ook haar nichtje Dorothea ofwel Deetje Heyligers zat in haar klas. Nauwelijks meer dan 10 jaar later zou een andere vriendin Marie en Deetje een belangrijke rol in het leven van Julie gaan in nemen. Het merendeel van de leerlingen op de dure HBS was van Europese afkomst. Blanke ouders met blanke gezinnen. Dat waren niet alleen Nederlandse maar konden ook Duitse, Engelse of uit andere Europese landen afkomstige kinderen zijn wier ouders of soms al hun grootouders zich op Java hadden gevestigd ver voor 1900 en succesvol waren geweest. Een veel kleiner percentage waren de ‘gemengd bloedigen’ of ‘Vreemde Oosterlingen’. 

Er waren kinderen van succesvolle Chinezen of uit Armeense gezinnen of andere gemengde kinderen met bijvoorbeeld Hollands/Indisch, Hollands/Japans, Hollands/Chinees,  Hollands/Arabies  bloed. Deze diversiteit gaf geen problemen zolang deze kinderen maar uitstekend Hollands spraken en ook duidelijk de zeden en gewoontes van de Hollandse gemeenschap hadden overgenomen via hun ouders.  Natuurlijk was het hoge schoolgeld eveneens een mooi selectie criterium. Voor gegoede 100% Indonesische kinderen was deze privé HBS geen voor de hand liggende keuze. Liever gingen de rijkere Indonesische kinderen naar scholen waar meer landgenoten op zaten. Alhoewel het Indische nationalisme bestreden werd door de aanwezige Nederlandse overheden broeide en bloeide het steeds opnieuw op. De Indonesiërs wisten onderwijl heel goed dat goed opgeleide landgenoten een sterk wapen tegen de 'Belanda onderdrukkers' zou kunnen zijn. 

Julie las wel in de kranten dat er soms problemen waren met de inlandse Nationalisten maar kon toen nog niet overzien waar het hen om ging. Pas toen zij haar moeder in Bandoeng tijdens een NSB optocht met gestrekte arm zag lopen was zij diep geschokt en ook beschaamd en ontwaakte er bij Julie een voorkeur voor de vredesbeweging en het bijbehorende pacifistische gedachtengoed.

Julie schrijft in 1999 aan haar broer


Julie’s vader Ferdinand, verbleef inmiddels in India en op de Filippijnen en moeder Charlotte voelde zich alleen en in de steek gelaten. In het voorjaar van 1933 begon zij een verhouding met een Indisch/Chinese ‘kaartlegger’ en nam steeds minder tijd voor haar kinderen. Haar bezoek aan India met Ferdinand was geen succes geworden. De liefde was uit het huwelijk verdwenen en Charlotte had grote moeite gehad met de mentaliteit van de Indiërs en de Engelsen in het verre Bengalen. Na een paar maanden kwam zij alleen terug naar Bandoeng. Eigenlijk wist Charlotte zich geen raad met haar twee kinderen. Zonder personeel en met een 'krappe beurs' voelde Charlotte zich enorm in haar vrijheid beperkt en vooral tekort gedaan door de mensen om haar heen die haar voortdurend verlieten. Haar moeder was gestorven toen zij twee jaar oud was en daarna was zij binnen haar familie voortdurend van hand tot hand gegaan om uiteindelijk als zevenjarige naar een strenge kloosterorde met interne meisjesschool gebracht te worden. Waar zij tot haar 17de levensjaar zou blijven. 

Later zou Julie schrijven dat Charlotte nooit liefde heeft gekend. Eigenlijk bedoeld Julie ook dat haar moeder niet in staat was geweest om liefde te geven.



Aan de rustige en landelijke opgroei periode op het suikerfabriek terrein omringd door de landerijen, de gezellige kampongs en de vele tempels was door het verhuizen naar Bandoeng een einde gekomen. Julie miste de verhalen van haar Baboe over de oude Javaanse Prinsen en Prinsessen over de inlandse tovenaars met hun geheimzinnige krachten. 

Zij miste de gezelligheid van haar vader. Zijn grapjes en wijze woorden en de verhalen die hij vertelde uit de vele boeken die hij las. De prachtige muziek uit zijn grammofoon en vooral zijn handen die lang en slank waren geweest en haar vaak hadden opgetild. De economische crisis bevond zich in 1934 op een hoogtepunt en bracht met name veel Indische families op de rand van de financiële afgrond door de draconische bezuinigingen op het overheidsapparaat. Ook de inlandse bevolking had het bijzonder zwaar. Telkens opnieuw zou Julie zich aan moeten passen aan de nieuwe regels in elk gezin waar zij (tegen betaling door vader Ferdinand) werd ondergebracht. Na één jaar op de privé HBS moest Julie vanwege geldgebrek vertrekken naar de minder goed bekend staande en zeer religieuze Zusters Ursulinen HBS bij het Pieterspark. 

Uit het Godsdienst onderwijs op die school heeft Julie vooral genoten van de brieven van Paulus en de verhalen over de kleine en grote Heilige Theresia. Maar ook de Max Havelaar van Multatuli sprak haar aan naast de vele jeugdboeken die zij met vriendinnen ruilde of in de bibliotheek leende. Hieronder een fragment uit de Paulus Brieven die ook veel later door Julie werden herlezen:

‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen,’ want niet wie zichzelf aanprijst is betrouwbaar, maar wie door de Heer wordt aangeprezen.


Het was deze laatste zin uit deze brief die de kern zou worden van een grote aversie in Julie tegen 'opscheppers' en mensen die zich groter maakten dan zij eigenlijk waren. Hierbij past het in Indië veel gebruikte woord 'branie'.
Julie werd in die periode op haar manier zeer religieus maar zij voelde toen al de 'politiek' die vanuit de Kerk(en) bedreven werd. Zonder haar ouders werden bepaalde heiligen in die periode haar geestelijk leiders. Hierdoor kreeg zij een soort innerlijke kracht om alsnog de HBS met zeer goed cijfers af te sluiten en de dagelijkse problemen te kunnen relativeren. In tegenstelling tot haar nichtje Dee want die was gezakt voor het examen. Hierdoor moest Julie vertrekken uit het gezin van Dee waar zij het laatste schooljaar had doorgebracht. Julie zou Dee te weinig hebben geholpen volgens de moeder van Dee. 

Religie was voor Julie geen doel maar een middel om de ‘kleine dagelijkse ellende’ te kunnen ontlopen. Als het tegen zat dan fietste (vluchtte) Julie graag naar de kerk om gewoon even tot rust te komen of haar verdriet te kunnen vergeten. Sociaal deed Julie net voldoende om niet in de problemen met haar omgeving te komen. Julie had zich zelf aangeleerd om zich ondanks de grote problemen om haar heen, volledig af te sluiten en geconcentreerd aan een door haar gekozen doel te wijden. 


Pas vanaf 1970 zou Julie een aantal religieus bepaalde denkbeelden verlaten, behalve haar principe van 'vergeven en vergeten'. Het waren met name de urenlange en hevige discussies in haar kantoor aan huis met Pater J. Creighton* oud hoofd redacteur van De Linie en zijn 'zieltjeswinnerij' zoals Julie het later noemde, die haar op andere gedachten hebben gebracht. Met name het feit dat bijvoorbeeld de katholieke kerk zo weinig voor de Molukkers tijdens de bezetting in Indië had ondernomen zat haar flink dwars. Haar kleine kantoor gaf Julie de ruimte die zij nodig had om zich af te sluiten voor haar grote gezin. Zij schreef aldaar haar teksten en werkte reclamecampagnes uit maar het gaf haar ook de ruimte om te mijmeren over zaken die haar pijn hadden gedaan in haar jeugd en in de periode daarna. Toen zij jarenlang op de vlucht was. En over de rol van de kerk. Een periode waar zij door Pater Creighton aan herinnerd werd.


Op 5 April 1935 bracht Gouverneur B.C. Jonge een werk bezoek aan Surakarta (Solo). De koelieordonantie was toen nog niet geheel afgeschaft. Het was deze Gouverneur die door Nederland "De kolonie is er voor het moederland en niet andersom" was aangesteld om grote bezuinigingen in Ned.-Indië door te voeren en zodoende het Staats Inkomen in Nederland met de jaarlijkse 400 tot 600 miljoen gulden uit Indië op peil te houden. De pracht en praal van zijn bezoek staat in schril contrast met de armoe lijdende inlandse bevolking. Waarvan er maar circa 6% naar school ging. Julie was nog te jong om te bevatten wat er eigenlijk gaande was maar vertelde later wel dat zij op school of thuis geen kritische vragen mocht stellen. Uitbuiting van de inlandse bevolking werd verdedigd met argumenten zoals nieuwe scholen (circa 180 Hollands-Inlandse scholen voor 30 miljoen kinderen?) en aanleg van een infrastructuur die vooral bedoeld was om nog makkelijker zaken te doen in het belang van de blanke bevolking en de Nederlandse regering. 


"Driehonderd jaar hebben wij hier al met klewang en knuppel geregeerd en over driehonderd jaar zullen we dat nog wel doen", aldus de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, jonkheer B J. de Jonge toen zijn ambtstermijn in 1936 erop zat." *Mijnheer de Jonge zou deze uitspraak later ontkennen.

   Yogyakarta 1934 

1935 Pandhuis ofwel Bank van Lening voor de zeer verarmde inlandse bevolking

    Europese School in Indië

Montessori school Malang

    Javaanse lagere school in Indië

Dessa (platteland) school in Indië

De straatnamen in Bandoeng zijn nu allemaal veranderd. Veel van de oude Hollandse gebouwen en huizen zijn nog immer aanwezig.

De eerste HBS van Julie is vanaf 1942 gebruikt als 
'voor internerings-gebouw' door de Japanners.

Luchtfoto van Bandoeng

De Groote Postweg Oost Bandoeng

De Grote Postweg - Julie zal later in Bandoeng, Batavia (Jakarta) en Soerabaja wonen. Tussen oktober 1945 en april 1946 verblijft Julie in de Oude Boei 'Boei Lama' gevangenis van Cheribon.

De toen nog landelijke Dagoweg




  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1939 - Julie, van Batavia naar Soerabaya

Ondanks haar zelfgenomen ontslag vanwege seksuele intimidatie door een afdelingschef bij de PTT genoot Julie van haar nieuwe vrijheid. Het was voorjaar 1939 in benauwd Batavia. Zij had wat geld gespaard en zocht naar nieuw werk. Anderzijds had zij er weinig behoefte aan om telkens opnieuw uit te moeten leggen tijdens sollicitaties waarom en onder welke omstandigheden zij bij de PTT vertrokken was. Zij had immers ‘vrijwillig’ ontslag genomen maar geen ‘uitstekende referentie’ meegekregen. En zomaar ontslag nemen uit een schaarse ambtelijke functie deed je niet.

Batavia was in 1939 een snel groeiende en dynamische stad met een zeer diverse bevolking. Door het handelsverkeer verbleven er veel bezoekers uit vele landen voor kortere of langere tijd in de havenwijken waar ook het uitgaansleven vele bezoekers trok naar de cafés, danstenten en bordelen. Het culturele leven werd bepaald door Nederlandse, Duitse, Amerikaanse en Engelse films en de modetrends uit Nederland en andere landen van Europa. De in Indië verschijnende kranten schreven dagelijks over de opkomst en de gevolgen van het fascisme in Europa en over de politieke reacties vanuit Nederland en uit de omringende landen. 


Nederland stond op het punt zich te mobiliseren en ook in Nederlands-Indië werd er druk gespeculeerd over wat de Japanners zouden gaan doen en welke maatregelen er in Indië genomen moesten worden. De oorlogsdreiging was ook op Java aanwezig er waren militaire oefeningen en in de kranten werd er bij voortduring geschreven hoe goed het leger zich aan het voorbereiden was. Toch leek men zich in Indië meer zorgen te maken om Europa dan om het eigen gebied. Men ging er gewoonweg vanuit dat de Japanners relatief makkelijk weg waren te houden. Deze onderschatting zou pas rond maart 1942 veranderen toen Japan in minder dan drie maanden tijd geheel Indië onder controle had gekregen. 


Wel werden er 'geheime' lijsten aangelegd met namen van 'ongewenste elementen' zoals de in Indië woonachtige en werkende NSB'er maar ok de Duitsers waaronder ook Duitse Joden, Japanners en andere 'vreemdelingen' die soms al jaren Nederlandse paspoorten hadden. Ook de controle op de aanhangers van en de 'strijd' tegen de Nationalisten werd verder opgeschroefd. Het 'strafkamp' in Boven-Digoel wat al in 1928 was ingericht bevond zich diep in de wouden van Nieuw Guinea. Er woonden tot 1942 meer dan 1100 gedeporteerde gevangen met meer dan 1000 vrouwen en kinderen. Ontsnappen was nagenoeg uitgesloten. Later zou blijken dat dit kamp nauwelijks onderdeed voor de wijze waarop de Japanners de geïnterneerde Nederlanders zouden behandelen.  

Het sociale leven van de Europeanen speelde zich af in besloten sociëteiten waar Julie geen toegang tot had. Daarnaast waren de schouwburgen en de kerken ontmoetingscentra voor de ‘society’. Julie bezocht regelmatig de Theresiakerk waar zij ook haar vroegere schoolvriendin Marie uit Bandoeng zou treffen.  Julie was ondanks haar 18 jaar een zeer zelfstandige jonge vrouw die onafhankelijk van haar gescheiden ouders haar leven in wist te richten. 

Van haar vader Ferdinand had zij al enige maanden niets meer vernomen. Hij zou in Calcutta verblijven maar haar brieven bleven onbeantwoord. Met haar moeder Charlotte, die in Bandoeng samenwoonde met haar vriend De Block had zij geen warm contact en haar broer Boy zat in het laatste jaar van zijn MULO opleiding bij het internaat van Pa van der Steur. Haar moeder had inmiddels al meer afstand genomen van het gedachtengoed van de Indische NSB. De koers van de NSB in Nederland vond Charlotte uiteindelijk toch te antisemitisch en te veel pro Duitsland.

Julie las bijna dagelijks de kranten die in Batavia verschenen. Niet alleen vanwege haar zoeken naar werk maar ook omdat zij op de hoogte wilde zijn van de spanningen op het wereldtoneel en de mogelijke gevolgen voor Indië. Zij had immers tijdens haar werk bij de PTT vele telegrammen opgenomen voor privé personen maar ook voor bedrijven met internationale handelscontacten en had deze berichten vaak vertaald waardoor zij goed op de hoogte was van de economische en politieke moeilijkheden in Europa en Indië maar ook met de spanningen van de handelspartners uit Japan en China die hun waren naar Indë exporteerden of anders goederen uit Indië kochten.

Julie was zeer geïnteresseerd in de tentoonstellingen van het Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en zij bezocht eveneens regelmatig Kunstzaal Kolff & Co. Haar liefde voor de 17e en 18de eeuw schilders bracht haar ook in contact met de moderne schilders in die periode. Grote indruk maakte de werken van Lyonel Feininger en zijn clubgenoten uit de Der Blaue Reiter kunstenaarsgroep.  Maar ook het abstracte werk van Picasso en zijn tijdgenoten sprak haar zeer aan. In tijdschriften vond zij vaak foto’s van prachtige kleding uit Parijs die Julie dan zelf of met vriendinnen trachtte te kopiëren.

In haar hart was zij blij verlost te zijn van het strakke keurslijf van haar baan bij de Posterijen. Voor het eerst in haar leven kon zij haar eigen dagen indelen. Julie fietste veel door Batavia om kennissen te bezoeken of cultuur op te doen. Zij hield van het bekijken van mooie stoffen met textielprints en leerde in die periode ook patronen te snijden waardoor zij haar eigen kleding zelf op maat kon maken. Uiteindelijk vond zij werk als serveerster in een Café-Dansant in een uitgaanswijk van Batavia. Samen met de andere jonge vrouwen vormde zij zanggroepjes en traden later op de avond op voor het hoofdzakelijk manlijke publiek.

Julie had zich ontwikkeld tot een emotioneel stabiele persoonlijkheid. Voor Julie was het koloniale rangen en standen systeem met het onderliggende (uitbuitings-) racisme nog geen ‘zaak’ waar zij zich bewust of onbewust mee inliet. Julie sympathiseerde met de ‘gebroken geweertje’ beweging maar was geen actief lid van een organisatie of politieke partij. Zij kon goed overweg met de inlanders en Indo’s maar had ook vrienden onder de Chinese en Arabische bevolkingsgroepen. Het bleken contacten te zijn die haar in de nog ongewisse oorlogsjaren zeer van pas zouden komen.

Wanneer Julie het besluit heeft genomen om naar het aan de andere kant van Java gelegen Soerbaya te verhuizen is niet duidelijk. Vermoedelijk is haar gevraagd om op tournee te gaan met een zanggroepje en heeft zij vervolgens besloten om te gaan werken als Lady Crooner in de toen zeer bekende Tabarin Bar van Bart Groenewoud in het gezellige uitgaansgebied van Soerabaya. In het najaar van 1939 leerde Julie aldaar haar aanstaande echtgenoot William Dobson kennen. Het zou haar eerste grote liefde worden. In 1966 zou Julie, Bart Groenewoud weer opnieuw ontmoeten in Bussum waar beiden door speling van het lot woonachtig werden.


              1939 22 april - uit het Nieuws van den Dag voor Nederlands-Indië 
- klik op de tekst

                     
   Links op de foto de schouwburg van Batavia

De Theresiakerk in Batavia

Batavia Station Gambir

1940 Station Gambir

Stasion Gambir Jakarta 2008

1939 Maart uit het Nieuws van de Dag

1939 - 27 september Nieuws Van Den Dag Voor Indië


Glodok Jaman Doeloe Batavia

Kunstkring gebouw Batavia

1939 Portret van kunstenaar Charles Sayers temidden van Europese en Indonesische meisjes staande voor de wandschildering 'De Westerse Cultures'.

2007 Het Kunstkring Gebouw in Jakarta

Postspaarbank aan het Koningsplein, Batavia

1939 Spaarplan voor Kees 

De haven van Batavia - Tandjoeng Priok (Tanjung Priok)









  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1939 - 1940 Julie ontmoet William in Soerabaya

Het was begin september 1939. De reis van Julie naar Soerabaya vanuit het drukke Batavia verliep via Bandoeng waar zij haar moeder een kort bezoek zou brengen. Moeder Charlotte was somber geweest over de toekomst van Indië. Charlotte had evenals haar vriend De Block al een jaar eerder afscheid genomen als lid van de Indische NSB afdeling. Zij was het uiteindelijk niet eens geweest met de antisemitische uitlatingen die vanuit de Nederlandse NSB werden gebezigd. Ook Charlotte kon uit de kranten lezen dat de Nederlandse regering te weinig investeerde in de militaire verdediging van Indië en daar maakte zij zich grote zorgen over. Anderzijds voelde Charlotte toch wel een bepaalde trots over hetgeen Nederland had bereikt in Indië maar ook zij kon zich niet voorstellen hoe Indië met zijn honderden eilanden verdedigd kon worden. Toch had ook Charlotte geen grote angst voor een eventuele confrontatie met Japan. De op Java verkrijgbare goedkope importwaren uit de Japanse Toko's hadden veelal een lage kwaliteit en aldus zou het Japanse leger ook wel niet veel voorstellen. En de Japanse kapper van haar vriend was toch zo'n bescheiden en voorkomende man. Net zoals de Japanse fotograaf aan de Bragaweg die elke zondag op de fiets 'landschap foto's' maakte.

Het was met name deze onderschatting gecombineerd met de racistische blik op Japan vanuit een ‘blank’ superieur standpunt die velen er toe bracht om de dreiging vanuit Japan te relativeren tot een ‘ach het zal niet zo’n vaart lopen’ houding. Natuurlijk moest Indië zich beter kunnen bewapenen maar dat was meer een politieke strijd tussen het Indische Gouvernement  en de hongerige Nederlandse regering die het oude Indië voornamelijk als melkkoe zag. Uiteindelijk zou in 1942 blijken dat het Koninklijke Nederlandsch Indische Leger het KNIL praktisch weerloos was en binnen 3 maanden door ‘Het Gele Gevaar’ onder de voet zouden worden gelopen. Wel waren er de vele door de Gouvernement Politie opgestelde 'politieke dossiers'  met beschrijvingen van de eventuele staatsgevaarlijke elementen in de Indische samenleving. Hierbij ging het niet alleen om de Nationalisten maar ook om de Indische NSB'ers, de Duitsers waaronder ook de Duitse joden en andere Duits of Japan gezinde inwoners.

Charlotte maakte zich meer zorgen over het veranderde gedrag van Julie. Het serieuze hard werkende meisje dat zo goed voor zich zelf kon zorgen was veranderd in een jonge aantrekkelijk vrouw die gekleed ging naar de laatste modetrends uit het Europa van de jaren dertig. Julie maakte zich bescheiden maar zichtbaar op met rode lippenstift en had rood gelakte nagels. Charlotte had geen enkele greep meer op Julie. Ook niet op het besluit van Julie om zich in Soerabaya te vestigen om te werken aan haar carrière als zangeres in een dancing verafschuwde Charlotte. Julie trok zich niets aan van de kritiek van haar moeder. Zij had haar broer Boy (Gerard Eduard van der Steur 1922) bezocht die in het nabij gelegen Magelang aan de MULO van het Instituut van Pa van der Steur zijn laatste jaren zou doen. Na een bezoek aan haar oude grootmoeder Jeanne Heijligers die bij haar broer en nichtje Deetje Heijligers inwoonde, vertrok Julie opgelucht en ‘bevrijd’ naar Soerabaya.

Het was een treinreis van meer dan 700 kilometer naar de levendige industrie- en Marine stad Soerabaya. Zij kon immers meteen aan het werk als serveuse én als zangeres in de in kleine kring beroemde Tabarin Bar van Bart Groenwoud in een uitgaanswijk van Soerbaya waar veel Marine medewerkers hun vertier zochten. Bart Groenwoud was een zakelijk ingestelde muzikant die na vele omzwervingen over de wereld na de oorlog zou vertellen dat hij de oorlogsdreiging in Europa wilde ontlopen. Julie ‘ging op kamers’ met enige andere collega serveuses en vond al snel de weg in het gezellige en in vergelijk met Batavia minder drukkende  Soerabaya wat toen al jaren een vaste bootverbinding had naar het nabije Bali. Naast de internationale zeevarenden bezochten ook veel marine officieren Restaurant Royal, de Tabarin Bar en andere uitgaansgelegenheden. Zij zagen er aantrekkelijk en toch gedisciplineerd uit in hun witte uniformen. Hun beleefdheid werd afgewisseld met een soort jongensachtige joligheid die de meisjes die in de gelegenheden werkten aan zouden zetten tot een charmante zwoelheid die weer terug was te horen in de sfeervolle en populaire Amerikaanse en Engelse liedjes die op de late avond onder begeleiding van het orkest van Bart Groenewoud ten gehore werden gebracht. Het viel Julie op dat er bijna elke avond een jonge officier aanwezig was die haar met stralende ogen bewonderend aanstaarde als zij als zangeres Mona Banister met haar heldere naar mezzo neigende sopraan stem haar liedjes ten gehore bracht.

Mona ofwel Julie zong graag de soms ondeugende of melancholische liedjes van Elsie Carlisle maar zong ook de swingende nummers uit de Engelse of Amerikaanse hitlijsten. Als de sluitingstijd naderde werden er ook vaak Javaanse krontjong liedjes vol heimwee en verlangen gespeeld die zo mooi aansloten bij de warme tropische nachten en de mogelijke beloftes die na sluitingstijd in de  gewillig luisterende oren werden ingefluisterd. De jongeman met die grote en soms verdrietig kijkende ogen die zo graag naar Mona luisterde en vooral bewonderend naar haar opkeek was Luitenant ter Zee 2de klasse William Caistor Dobson. Hij had zich als ‘volontaire  bij de scheepsdienst’ jarenlang voorbereid op een opleiding als Officier bij de Marine. Geboren in 1915 had hij zijn vader  op 15 jarige leeftijd verloren en had net als Julie zoals later zou blijken, zijn eigen leven al jong richting moeten geven. 

Zijn grootvader was een Engelse ingenieur die rond 1870 naar Java was gekomen om mee te werken aan de opbouw van een grote machinefabriek in Soerabaya die o.a. machines bouwde voor de scheepvaart maar ook voor de vele suikerfabrieken op Java. Grootvader Dobson zou al snel trouwen met een Nederlandse uit een bekende Indische familie. De familie Angelbeek woonde al meer dan 100 jaar in en rond het oude Batavia. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren waaronder een zoon die vader van William zou worden en nogal plotseling overleed in 1930 terwijl William in Nederland aan een opleiding op de Zeevaartschool was begonnen.  William werd geboren in 1915 in de havenstad Tjilatjap. Of het liefde op eerste gezicht was tussen William en Julie zullen wij nooit weten. Op de trouwfoto van William en Julie zien wij een stralende William en een zelfbewuste Julie met het al wat vollere gezicht van een zwangere vrouw.  Zij zullen elkaar al snel na de aankomst van Julie in Soerabaya ontmoet hebben en in februari 1940 was Jullie zwanger van hun eerste kind wat in oktober 1940 geboren zou worden. Enige maanden voordat Julie 20 jaar oud zou worden.

Er zijn weinig dagboeken of andere geschriften die de sfeer en samenleving in Batavia of Soerabaya van vóór de grote wereldoorlog weer geven. Er zijn weliswaar foto’s van succesvolle en geslaagde Europeanen voor hun kleine of grote huizen in de stad of op de plantage. Er zijn straatfoto’s met veelal Europeanen op de fiets of lopend. Of in mooie auto’s die door keurige winkelstraten rijden met hier en daar wat inlandse stalletjes of inlanders op weg met hun handelswaar. Af en toe herken je dan een Indo door de donkere trekken of het zwarte haar op deze foto’s. Er zijn boeken geschreven door Europeanen die uit Europa kwamen en voor korte of langere tijd in Indië zouden verblijven. Europeanen die over hún leven in Indië zouden schrijven maar altijd vanuit een Europeaanse optiek.

Maar waar zijn de schrijvende en verhalende Indo’s te vinden? Wie waren zij, wat was hun positie in de toenmalige samenleving die zeer bepaald werd door rangen en standen waar ook de Indo’s naar te leven hadden. Hein Buitenweg schrijft in het Indische magazine Tong Tong  uitgave Juli 1970 over zijn schooljeugd aan de HBS in Soerbaja rond 1908. Heel kort wordt de naam Dobson, een schoolkameraad genoemd. “Dobson, een halve Engelsman”. Zoveel Dobson’s waren er niet in Nederlands-Indië! Was dit de vader van William Dobson misschien?

De laatste week van 1939 treed Julie veel op als Mona Banister 
met het orkest van Bart Groenewoud in Restaurant Royal te Soerabaja

1939 glamour foto van Julie van der Steur 

     Officiers verblijven in Soerbaya

Een sluis gebouwd voor de drooglegging van Soerabaya

Het weeshuis voor jongens in Soerbaya

Nieuws van de Dag Nederlandsch-Indië 4 september 1939

Een 10 gulden biljet uit 1939

Prinses Beatrix in de Indische kranten 1939
Een 5 gulden biljet van de Javasche Bank augustus 1939

Indo jongen met schooltas
Internationale mode in de Indische kranten 1939
Bij de kapper in Soerabaya
De haven van Soerabaya met droogdok
Inlandse scharenslijper te Soerabaya

Uit de Tong Tong van 1971 ga naar www.Moesson.nl




In totaal kwamen er tussen 1890 en 1939 32,962 Javanen naar Suriname, 
waarvan er tot 1939 7,684 terugkeerden naar hun geboorteland.

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS