Showing posts with label Juliana. Show all posts
Showing posts with label Juliana. Show all posts

1949 Deel 4 - Mama wat doen we hier had het jongste kind gevraagd

28 december 1949 – Julie was diep geraakt geweest door de 27 december toespraak van Koningin Juliana uit het paleis op de Dam. De radio had haar woorden ‘live’ uitgezonden. Julie zou zich de strekking van de toespraak nog tot ver na 2000 herinneren. De woorden van Juliana hadden zo anders geklonken dan de stoere taal van haar moeder Wilhelmina die op 9 december 1941 vanuit Engeland de oorlog aan Japan had verklaard. Ook toen was Julie thuis geweest. In de huiskamer aan de Niasstraat in Soerabaya had Julie met de pas geboren baby op schoot gezeten. William en Julie hadden elkaar verschrikt en zwijgend aangekeken. Julie wist nu zeker dat William door de vliegdienst opgeroepen zou worden. Indië was nu in oorlog met Japan. De mobilisatie in Nederlands-Indië in het voorgaande jaar had al veel stress veroorzaakt in het nog jonge gezin. De tweede baby was na een onrustige zwangerschap geboren en huilde veel.

Julie verbleef op 17 augustus 1945 in Jakarta en had de ‘Proklamasi’ uitgesproken door Soekarno ook gehoord. Daarna waren op de straten van Jakarta vreugdefeesten en onlusten uitgebroken.

Wij het volk van Indonesië proclameren hierbij de onafhankelijkheid van Indonesië. Aangelegenheden met betrekking tot het bestuur zullen op ordelijke wijze en zo snel mogelijk worden geregeld

De Proklamasi was mede ondertekend door Mohammed Hatta die naast Juliana had gezeten tijdens haar toespraak. President Soekarno was niet naar Amsterdam afgereisd omdat hij vond dat op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid al was uitgesproken. Nog in december 1927 was Mohammed Hatta als Rotterdamse student gearresteerd in opdracht van de toenmalige Minister van Justitie J. Donner (de huidige P.H.Donner is huisvriend van de Oranje’s). Hatta was beschuldigd van ‘communisme’ en was de bedenker van de leus ‘Indonesia Merdeka’. 


Vier jaar en enige maanden later had Juliana’s stem door de radio geklonken in de huiskamer van Anton en Julie.

“Niet langer staan wij gedeeltelijk tegenover elkander. Wij zijn nu naast elkaar gaan staan. Hoezeer ook geschonden en gescheurd en vol van lidtekens van wrok en spijt”.

Julie had de naoorlogse interventies in Indië door de Nederlandse regering vanaf haar aankomst in 1946 via de kranten en de radio-uitzendingen gevolgd. De politionele (lees militaire) acties in Indië hadden opnieuw veel mensenlevens gekost. Maar ook verdriet en verscheurdheid veroorzaakt in vele Indonesische en Nederlandse gezinnen die hun kinderen zouden verliezen vanwege de halsstarrige houding van het naoorlogse Nederlandse bewind. Opnieuw vielen er oorlogslachtoffers en opnieuw werden er Indobaby’s geboren. Pas in 2005 zal Nederland na een officieel bezoek door toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot de onafhankelijkheids datum 17 augustus 1945 in politieke zin accepteren. Kennelijk kon dat alleen maar gebeuren door iemand die zelf als jongen gevangen had gezeten in een Japans interneringskamp in Nederlands-Indië.

Julie had zich veel zorgen gemaakt over haar vele Molukse vrienden die zij had leren kennen tijdens haar verzetswerk en gevangenschap in Bandoeng 1942/1943 en later in de Boei Lama gevangenis in Cheribon. Zij wist dat de Molukkers zeer trouw waren aan hun belofte om de Nederlandse Staat te dienen. Julie vroeg zag af hoe het haar twee Molukse petekinderen was vergaan. (hier kom ik later op terug). 

Juliana sprak verder: “Onmerkbaar groot is de voldoening van een volk dat zijn vrijheid verwerkelijkt ziet”. 


Het was deze zinsnede die Julie tot haar overlijden in 2001 zou onthouden en waar zij opnieuw aan zou denken toen Juliana in 1971 op bezoek was in Indonesië. Wilhelmina was in haar regeerperiode nooit in Indië geweest; “ach wat moet zo’n volk met een dik en zweterig mens op bezoek” had zij zelf als motivatie voor het uitblijven van een bezoek geuit. Julie was ontroerd en zeer van slag geweest tijdens de TV uitzendingen over het bezoek van Juliana. In kleur zag Julie de ongelooflijk hartelijke begroeting door de ‘vrije’ Indonesische bevolking. Maar het was vooral het terugzien van het land en de herkenning van gebouwen, straten en het natuurschoon wat Julie zo van streek zou maken.

Tijdens de laatste dagen van 1949 had Julie ook andere zorgen gehad. De jongens van 9 en 8 jaar oud speelden veel aan de grachten en in de zijstraten van het zich nog steeds herstellend Amsterdam. De jongens hadden ondertussen kennis gemaakt met de andere kinderen van Anton uit zijn vorige huwelijk. Die woonden met hun moeder op nog geen vijf minuten lopen en de oudste zoon Karel kwam wekelijks de alimentatie ophalen. Zijn toenmalige echtgenote wilde beslist niet van scheiden weten als er geen stabiele alimentatie regeling was beklonken. De echtscheidingsprocedure verliep hierdoor uiterst traag. Anton had elke week grote moeite om de alimentatie bijeen te verdienen maar er zat ook betalingsonwil van zijn kant bij. Hij had immers een nieuw gezin en zijn a.s. ex werkte immers als schoonmaakster en had dus een eigen inkomen. De twee kleine kinderen bonden Julie aan huis en ook de nieuwe zwangerschap zou opnieuw voor gezinsuitbreiding in het veel te kleine onderkomen zorgen. De zaken van Anton liepen niet echt geweldig en brachten weinig op.

In Julie groeide de wens naar meer rust en stabiliteit in haar gezin. Julie uitte nu openlijk kritiek op Anton. Hij kon dan driftig worden en was zelfs een keer handtastelijk. Julie kocht knalrode naar bloed kleurende nagellak en een dure nagelvijl. Zij liet trots haar nieuwe puntig uitlopend nagels aan Anton zien. ‘Hiermee krab ik je gezicht helemaal open als jij mij nog eenmaal slaat’. Julie vertelde dit verhaal als een serieuze anekdote in 1998. En wat zien wij op de jeugdfoto van Julie toen zij als zangeres Mona Banister een glamourfoto liet maken. Een charmante jonge vrouw die een goed gelakte en mooi gevijlde wijsvinger wat zwoel naar haar kin laat wijzen. De duim onafhankelijk en  wilskrachtig naast haar andere vingers.

Julie had Indië eind 1946 verlaten vanwege het falende beleid van de Nederlandse regering en de sterke wil van de Indonesische bevolking. De wil om onafhankelijk te zijn. Julie had voor vertrek naar Nederland gekozen omdat zij de hoop had eenmaal in Nederland aangekomen om onafhankelijk te zijn. Zij wilde haar kinderen maar ook haar moeder en zichzelf in veiligheid stellen. Niet meer op de vlucht zijn en geen honger meer hebben. In de jaren ervoor was openlijk Nederlands spreken verboden geweest. De volkswoede (bersiap periode) ten opzichte van alles wat Nederlands was had haar meer dan zeven maanden in een door de Nederlanders gebouwde gevangenis laten verblijven waar vroeger alleen Indonesische bandieten werden opgesloten.

Julie besefte eenmaal vrij gekomen uit de gevangenis dat deze periode van ontberingen en ziekte haar ook hadden beschermd tegen de aanvallen en moordpartijen van de opstandige Indonesische bevolking. Haar beslissing om naar Nederland te vertrekken was wel overwogen geweest. Julie wist dat de Indonesisch bevolking zich niet opnieuw zou laten kolonialiseren. Haar jongere broer Boy had zij niet kunnen overtuigen. Die voelde zich verraden door zijn in Soerabaya geboren Nederlandse vader. Hij voelde zich in de steek gelaten door zijn Indische moeder Charlotte die hem in 1936 naar het kinderhuis van Pa van der Steur had gestuurd. Boy wilde blijven en meehelpen de nieuwe republiek op te bouwen. Want hadden de Nederlanders hém geholpen toen hij als slaaf onder de meest verschrikkelijk omstandigheden aan de Birma spoorweg had moeten werken?

Julie had niet meer bij zich dan haar twee jongen kinderen, haar moeder en wat tassen met bagage toen zij in november 1946 voor het eerst haar voeten in het schemerdonker op de kade van de Rotterdamse kade had geplaatst. ‘Mama wat doen we hier had het jongste kind gevraagd’. Tijdens de zeereis had Julie veel nagedacht over hetgeen zij achter had moeten laten. Haar huis, haar meubelen, haar spaargeld, de fotoalbums, haar vrienden en vriendinnen. Haar baboe en de tuinjongen uit Sragen die later in Cheribon zou wonen en haar had geholpen de sieraden van Julie en anderen te verkopen op de Chinese markten. Wat Julie niet afgenomen werd waren haar herinneringen aan het uitzicht op de vulkanen en de mooie tuin met het koele water van de kleine Kali in de buurt van suikerfabriek DeLanggoe tijdens de eerste gelukkig te noemen tien jaar van haar leven. Ondanks de trieste scheiding van haar ouders had Julie het gevoel dat zij veel had kunnen leren op de scholen en tijdens de opleiding en het werken bij de Indische Posterijen in Bandoeng en Batavia.

Na haar huwelijk in 1940 werd zij moeder en er was zelfs ruimte in haar huis geweest voor Jim, de jongere broer van echtgenoot William. Die werd door hen beiden in huis genomen omdat hij anders voor galg en rad zou opgroeien. Na de moeilijke oorlogsjaren onder de Japanse bezetters en haar verblijf in de gevangenis had Julie grote moeite moeten doen om haar kinderen terug te krijgen. Kleine Jim was groot geworden en had samen met Ukkie Sombeek getuigd dat Julie een Jappenhoer was geweest en om die redenen haar tweede kind Ted niet terug zou moeten krijgen. Haar moeder Charlotte had haar Bandoengse huis, goederen en haar in leren fauteuils ingenaaide geld en sieraden tijdens een door de opstandige jeugdige Pemoeda’s aangestoken brand in vlammen op zien gaan. Ook het uithangbord aan de gevel met daarop de tekst ‘Machinale en Chemische Wasscherij De Hollandse’ was in de vlammen opgegaan. De straatnaam van het gebouw ‘Merdikaweg’ werd niet lang daarna omgedoopt in Jalan Merdeka.

Julie’s vertrouwen in de mensheid had in de jaren ’40 een onwaarschijnlijk grote knauw gekregen. Tijdens die laatste dagen van 1949 had Julie de woorden van Koningin Juliana ook op haar zelf betrokken en had er een persoonlijk tintje aan gegeven. ‘Onmeetbaar groot kan een mens zijn die zijn vrijheid verwezenlijkt ziet’. Julie had de wens gevoeld om haar kinderen in vrijheid op te laten groeien met veel broers en zussen die de niet zoals haar medegevangen lotgenoten van hun vrijheid en hun hoofd beroofd zouden worden. Begin jaren ’90 had Julie een prachtig wandkleed met een boom van gestikt gouddraad gemaakt op een zwart zijden achtergrond. Aan de grote boom hingen 15 verschillende met Indiaas garen geborduurde bladeren. Elk blad zou een omgekomen (onthoofde) gevangene representeren en elk blad was een nieuw kind van Julie geweest. Ondanks de pracht van geborduurde kunstwerk vond een van de kinderen van Julie dat hij en ook zijn zussen en broers niet gezien moesten worden als vervangers van de doden. Het zou dan zijn dat Julie in haar kinderen haar vermoorde lotgenoten zou zien. Als zodanig wilden de kinderen van Julie niet afgebeeld worden. Zij wilden allen en onafhankelijk van elkaar gewoon een kind van hun moeder zijn.

Achteraf kan voorzichtig vastgesteld worden dat de door de oorlog ontstane diepe wonden in de ziel van Julie  niet geheeld  werden door de komst van haar kinderen. Het gevolg is geweest dat veel kinderen van Julie zich emotioneel verwaarloosd voelen. Was het vijftiende blad aan de boom soms niet de miskraam uit 1966 die in de achtertuin van het huis in Bussum werd begraven? Een zelfde ritueel zoals bij haar Indische grootouders Casper en Djeminem die vanaf 1875 elke nageboorte ofwel moederkoek zouden begraven in de met tropische bloemen en planten begroeide tuin achter het grote huis in Bojolali waar Djeminem haar veertien kinderen zou baren. Zo Indisch was Julie dus weer wel. Met haar zwijgzaamheid en diepe lidtekens die niemand had mogen zien maar die altijd door haar kinderen gevoeld zouden worden. Daar kon de Hollandse nuchterheid en warmte van Anton niet tegen op.

Julie heeft tot haar laatste dagen haar nagels prachtig verzorgd. Het was een bijna noodzakelijk ritueel om haar gedachten op een rijtje te zetten. Het bracht orde in haar dagplanning. Onder die uiterlijk charmante laag van kwetsbaarheid, flegmatiek en Indisch aandoende schoonheid huisde een temperament wat niet wakker geschud moest worden. Het is vergelijkbaar met het Indonesische temperament waar ook de Nederlandse overheid zich zo vaak in vergist heeft. Anton had er kennis meegemaakt en het vervulde hem soms met vrees als hij ’s avonds moest vertellen dat er weer geen geld was verdiend. Julie kon dan stil vallen. Nadenken en dan uiterst scherp maar met zachte stem een analyse geven van wat Anton juist wél had moeten doen.

De oplossingen en de nodige gedragsverandering die Julie voorstond maakte Anton afhankelijk van de gunsten en het oordeel van Julie. Zijn moeder was nooit zo geweest. Die had altijd met zachte stem gezegd. ‘Ach jongen, het is ook allemaal niet makkelijk voor je’. Zo hoorde een vrouw te zijn volgens Anton. Liefdevol en begrijpend. In de voorgaande jaren maar ook al voor de oorlog was het huis van de moeder van Anton het belangrijkste vluchtadres geweest waar hij altijd begrip, weinig kritiek en trotse bewondering had gevonden. Zijn eerdere vriendinnen en echtgenotes waren ook altijd vol bewondering voor Anton geweest tot het moment dat zij zich kritisch zouden uiten. Anton had dan de neiging de ruzies te beëindigen met vertrek naar zijn moeder. Julie dacht daar anders over. Hij kon kiezen óf voor zijn moeder óf voor haar. Het werd een emotionele ruilhandel van geven en nemen met Julie aan het roer van een onbestendig schip wat langzaam de nog komende jaren ’50 in zou varen.

1935 De Merapi en Merbaboe gezien vanuit Klaten - Java
niet ver van de plaats waar Julie opgroeide. 

De grootmoeders van Julie - Djeminem Deuning en Joanna van der Steur

de moeder van Anton - Helena Deijmann


Een polderlandschap. 
Anton hield van de polders en was lid van de NJN
de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie









  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1950 deel 2 - 'Dank je wel 1950'.

In juni 1950 werd het derde kindje van Julie en Anton geboren. Een wolk van een baby met hoog blond haar en een witte huid. Het gezinnetje bestond nu uit zeven personen. Anton en Julie, de twee kinderen uit het eerste huwelijk van Julie van 9 en 8 jaar oud en de drie kinderen die zij samen hadden gekregen.  De taak die Julie zich zelf had opgelegd begon vorm te krijgen. Het nieuwe leven wat zij schonk zou de oude beelden van dood en verderf uit de oorlogsjaren in Indië moeten vervagen. Eigenlijk het liefst vervangen. De honger, de dorst, het vluchten, het verschuilen, de eenzaamheid, het slaan, de martelingen, de onthoofdingen. Het waren schrikbeelden in het hoofd van Julie die op de meest onverwachte momenten opdoken. Dat konden geluiden zijn van zware deuren, van stoelen die om vielen, van boze stemmen of waterkranen die druppelden in een stille ruimte die rook naar bitter zweet. Het geheugen van Julie haakte dan in op de vele stressmomenten uit het nog jonge verleden en maakte haar angstig en onzeker. Julie had zichzelf aangeleerd om deze herinneringen uit het verleden geen kans meer te geven door zichzelf veel en verschillende werkzaamheden op te leggen en deze dan doelgericht en uiterts geconcentreerd uit te voeren. 

Hoeveel moeders zoals Julie waren er niet in het Amsterdam of Bandoeng van begin jaren vijftig van de vorige eeuw? Moeders die wilden vergeten. Moeders hadden immers andere zorgen dan de vaders. In de jaren veertig waren veel vaders en zonen van huis gegaan of opgehaald. Om te dienen in een leger of om te werken in gevangenschap voor de vijand. Er waren ook vaders en zonen die machteloos achter hekwerken en tralies hun tijd uit hadden gezeten. Als zij het al hadden overleefd dan waren het niet meer de vaders en zonen van vroeger. Gevangen genomen vrouwen waren in de minderheid en vertelden veel minder over hun ervaringen. Zij hadden het overleefd en namen genoegen met het oppakken van de draad uit vorige levens. Vier en twintig uur per dag zorgen en beschermen tegen invloeden van buitenaf vraagt meer energie dan het huis of land verdedigen tegen aanvallen, dat is mannenwerk. Julie weefde een onzichtbaar cocon om haar groeiende gezin. Zij was zich bewust van de traumatische ervaringen die haar twee jongste kinderen in Indië hadden opgedaan. Zij wilde haar oudere kinderen laten vergeten door hen broertjes en zusjes te schenken en een veilig huis te bieden. Met een nieuwe vader, die ook hen zou beschermen.

Julie zorgde er voor dat er weinig ruimte was voor sentimenten in haar gedachtewereld. De zelfdwang van Julie kwam voort uit het opgelegde patroon van aanpassing en inpassing in een land waar zij niet was geboren en niet was opgeroeid. Net zoals het Zeeuws botermeisje uit Zeeland nooit zou kunnen aarden in Amsterdam voelden veel Indo-europese immigranten zich ontheemd in het land waar zij niet waren geboren en opgeroeid. In Nederland werd er na 1945 gesproken over Indische repatrianten maar dat geldt uiteraard niet voor personen die nooit eerder in Nederland waren geweest. De burgerlijke samenleving in Indië zoals Julie die had leren kennen was onvergelijkbaar met de levenswijze in het naoorlogse Nederland. Er waren weliswaar grote  overeenkomsten in taal en wetten. Maar de Nederlandse taal in Indië was er voor een zeer kleine minderheid van circa 350.000 personen die rond 1940 het Nederlands beheersten in een land met 70 miljoen inwoners. Het Indisch wetboekvertoonde grote verschillen met het Nederlands wetboek. Er golden voor de in Indië wonende oorspronkelijke inwoners andere wetten dan voor de door de overheid erkende Indo-europeanen en weer andere wetten voor de Nederlanders  die naar Indië waren verhuisd als ambtenaar, soldaat, ondernemer of als gelukzoeker.

Indo-europese kinderen met Nederlands bloed werden in Indonesië al vanaf 1600 geboren dus vanaf de eerste jaren dat de Nederlanders zich in Indië nestelden. De vader van Julie’s moeder werd op 30 april 1841 in het toenmalige Soeracarta geboren. Vandaag de dag heet deze stad Solo. Haar grootvader kreeg de naam Casper Frederik Deuning en hij was de zoon van een immigrant en een inlandse vrouw. Tien jaar later zou zijn jongste broer Ferdinandus Deuning geboren worden. Ferdinadus zou in het najaar van 1883 ter dood worden veroordeeld omdat hij een baby zou hebben vermoord. De civilisatie van Indië was noch niet afgerond en de ijverige ambtenaren uit de regio Semarang werkten nauw samen om aan te tonen dat zij de rechtsgang zeer serieus namen. De rechtsgang rond Ferdinandus wordt nauwkeurig beschreven door L.J. van Raalte in een uitgave uit 1884 omtrent de beginselen van ‘De Nederlandsch-indische Strafvordering’. Het recht op privacy bestond toen kennelijk nog niet, in deze uitgave worden alle partijen rond de rechtzaak met naam, toenaam en verblijf locatie genoemd. Hieruit komt ondermeer naar voren dat er nog een derde broer was. Frans Frederik Deuning die met zijn Njai Oerip samenleefde. In de stukken m.b.t. de rechtzaak word zij Oerip Deuning genoemd. Het a.s. boek over Julie zal als vertrekpunt de opzet van een boek zijn waar Julie aan begon te schrijven in 1996 tijdens een vakantie in Thailand. Onderaan het blog een gescande weergave in het handschrift van Julie met de hoofdpersonen uit haar beoogde publicatie. Het bleek niet al te moeilijk te zijn om de werkelijke personen achter de door Julie beschreven pseudoniemen te vinden.

De rechtzaak en het verlies van zijn broer moet vooral voor de degelijke Casper Frederik een zware slag zijn geweest.  Het was een landelijk schandaal en de naam Deuning was nu overbekend in de koloniale en Indo-europese kringen. Casper leefde sinds circa 1875 samen met zijn Njai Djeminem in het lieflijke Bojolali. Trouwen mochten zij pas na in 1893 een wetswijziging. Later zou Djeminem zich ook Raden Ajoe Sinem Istri Kamidjojo laten noemen. Vrij vertaald uit het oud Javaans ‘jonge vrouw uit Yogyakarta’. Samen zouden zij 14 kinderen krijgen. Tengevolge van de kraamvrouwenkoorts overleed Raden Ajoe ofwel Djeminem op 29 mei 1898. Hun vijftiende en jongste kindje zou enige dagen later overlijden. Charlotte, de moeder van Julie was toen net twee jaar oud.

Het zou toen nog drie jaar duren voordat de Ethische politiek rond 1901 Nederlands-Indië zou bereiken. Het zou voor een nieuw elan onder de koloniale ambtenaren zorgen want de nieuwe strategie was gericht op welvaart vergroting voor iedereen. Dus ook voor de inlanders en ook voor de niet door de regering erkende Indo-europeanen die in veel gevallen wel een sterk Hollands getinte opvoeding kregen. Alhoewel de investeringen in de Indische welvaart onvoldoende waren steeg het zelfbewustzijn onder de inlanders en Indo-europeanen die nu wél een kansen zagen om goed onderwijs te volgen. Ook Pa van der Steur rook nieuwe kansen voor zijn honderden vaak verweesde Indo-europese pleegkinderen. Het door hem in 1893 opgerichte ‘gesticht’ bevond zich in de kazernestad Magelang en het merendeel van de door hem opgenomen kinderen waren kinderen uit de soldaten wereld. De uit Nederland afkomstig soldaten mochten volgens de toenmalige wetten ook in Nederland niet getrouwd zijn en ook niet met inlandse vrouwen trouwen. De overheid wilde hiermee met name op pensioen verplichtingen besparen indien de militair om zou komen. De soldaten onderhielden veelal kort durende relaties met de inlandse vrouwen en de kinderen die hieruit werden geboren werden groeiden op in de kampongs in de nabijheid van een kazerne. De gouvernementele overheden lieten deze relaties oogluikend toe om de aanwas van bordelen en homoseksualiteit geen kans te geven.

Julie werd geboren uit ouders die weliswaar een gedeeltelijk Nederlandse achtergrond hadden maar volledig geïntegreerd waren in het Indië van vóór 1920. Na 1920 was door de sterk gegroeide vraag naar Indische producten, zoals suiker en olieproducten het aantal Nederlanders in Indië zeer toegenomen. Ondanks de Ethische politiek was de ongelijkheid in salariëring bepaald nog niet veranderd. De uit Nederland afkomstige kolonialen verdienden door achtergrond en opleiding veel meer dan de Indo-europeanen. De inlanders met een vergelijkbare opleiding verdienden wéér minder en hadden nog minder kans op promotie. Waardoor ook de welvaart verschillen in de gezinnen soms buiten proportioneel waren. De vader van Julie had weliswaar een aardig salaris als 2e machinist op een suikeronderneming maar had onvoldoende kunnen sparen om een eigen huis of een stuk land te kunnen kopen waardoor hij noodgedwongen door ontslag uit hun huurhuis op de onderneming moest vertrekken. Het was op het hoogtepunt van de grote economische wereldcrisis in 1931 toen hij zijn gezin in een veel kleiner huis in de buurt van de armenwijk in Bandoeng moest onderbrengen. Het was in die jaren dat Julie als jong meisje geconfronteerd werd met de zeer grote sociaal-culturele verschillen in de Indische samenleving. Het was als een piramide die uit veel steeds breder worden lagen bestond. In de punt de rijke planters en landeigenaren en de gouvernementele regeerders die samenspanden met de lokale sultanaten. Daaronder de koloniale hoofdambtenaren en hofambtenaren van de sultanaten. En weer een trede lager de ambtenaren met lagere rangen en de hoger opgeleide werknemers in de verschillende productie sectoren. Het laagst op de ladder stonden de inlandse dagloners, huisbedienden en de kampong bewoners

De zeden en gewoontes in Indië waren aldus als een Indische spekkoek in vele lagen in te delen waarbij racisme en afkomst eveneens een grote rol speelde. Het waren geen vastgelegde afspraken of regels maar men merkte snel genoeg hoe  men zich op basis van afkomst en welvaartsniveau diende te gedragen. Deze zelf opgelegde gedragscodes werden door de overheid voortdurend gewogen op de balansschaal van het profijtbeginsel. Als je geen persoonlijke bijdrage aan de (staats)winst bij droeg en je van de gebaande paden afweek was je aldus verliesgevend. Onder de Indo-europeanen was het hoogste streven een baan bij de overheid. Hierbij lonkte men stevig naar het gedrag van de uit Nederland afkomstige kolonialen en trachtte men relatief kritiekloos hun gedrag te imiteren. Hierdoor namen veel Indo-europeanen veelal ongewild afstand van hun inlandse afkomst. Eenmaal aangekomen in het kille en minder op hiërarchie ingestelde naoorlogse Nederland werden de oude gewoontes en gebruiken uit het oude Indië door veel Indo’s weer van stal gehaald worden om het ‘anders zijn’ te cultiveren door gebrek aan eigen identiteit. Met name de schrijver Tjalie Robinson kon zich zeer opwinden over de ‘overgave’ van de Indo’s aan de Nederlandse burgerlijkheid.

Julie had in november 1946 bij aankomst in Nederland een tegengestelde overlevingsstrategie uitgezet. Voor haar was Indië een afgesloten hoofdstuk. Zij besloot innerlijk en uiterlijk om zo Nederlands mogelijk te worden. Haar hoogblonde wolk van een baby die in juni 1950 werd geboren zou net als de eerder geboren twee kinderen haar eigen achternaam dragen. Haar vriend Anton erkende weliswaar de drie kinderen maar omdat hij nog in ‘scheiding lag’ werden de kinderen toch als Van Der Steur ingeschreven. Julie was al blij dat zij geen nieuwe rechteloze kinderen had zoals die bij duizenden bij haar oom Pa van der Steur waren ingeleverd. De draden van het cocon wat Julie spinde werden ook rond Anton gesponnen. Anton paste ook zo mooi in de strategie van Julie. Haar verleden wegwassen door zo Nederlands mogelijk te worden met een sterke Hollandse man die geen bindingen met Indië had. In het najaar van 1950 konden Julie en Anton verhuizen naar een bovenwoning aan de Blauwburgwal. Niet ver van de Herengracht en de Spuistraat. Het was hun eerste huis waar geen sociale controle door een inwonende huiseigenaar aanwezig was. Julie richtte zelf het huis in met hamer, zaag en hetgeen Anton via vrienden wist te regelen. Daarnaast dwong zij Anton in een nieuw gareel. Een baan in loondienst. Dwz het was een typisch Anton & Julie compromis wat zich in de komende jaren nog vele malen zou herhalen. Anton had een basissalaris met een omzetbonus. Hierdoor moest Julie ook een gedeelte van zijn werk doen. Anton ging zijn klanten af met kantoorartikelen en Julie beheerde het depot nam de bestellingen aan en verwerkte deze tot pakketten die vervolgens weer naar de klanten gebracht moesten worden. Eind februari 1951 merkt Julie dat zij opnieuw zwanger was. De polygoon journaals in de bioscopen sloten 1950 af met een veel zeggend ‘Dank je wel 1950’.

In 1995 maakt Julie een opzet voor een boek over haar familie in Indië. 
Na enige pagina's houd zij op.


In maart 1950 komt Prins Bernhard aan op Schiphol na een maandenlange 'zakenreis' 

1950 Schiphol - Diplomaten uit Indonesië arriveren om de kwestie Nieuw-Guinea te bespreken. In het kader van de grote wens van hun president 'Een volk, een land'

1950 - Amsterdam 29 april 
De Nederlandse vlag en de Indische urn, 
bevattende met bloed doordrenkte aarde van de slagvelden uit Indie, 
die wordt bijgezet in het Monument op het Damplantsoen

1950 Maart - President Sukarno met leden van het Worang Bataljon. 
Zij zouden later ingezet worden in Nieuw-Guinea

1950 - Bij DAF in Eindhoven worden nieuwe militaire voertuigen gebouwd

Kerstpakketten voor de in Indië verblijvende militairen. 
De laatste groepen militairen kwamen in 1951 terug. 
Velen reisden weer door naar Korea.  

1950 Ook de kinderen van Julie en Anton genieten van Sterovita melk

Veel naoorlogse baby's werden extra groot door de Trinose babyvoeding

Babies als beren! 
Vanaf 1953 kregen de kinderen van Julie kennelijk andere 
melk zij zijn aanmerkelijk minder lang dan de eerste vier kinderen

1950 als de gewone boter te duur was

In Amerika gingen ook baby's aan de Cola 'how soon is too soon'?

Polygoon, december 1950

Veel uit Indië teruggekeerde militairen vertrekken opnieuw.
Naar Korea 1950.


Wat deed Prins Bernard in 1950 in Indonesië?

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1971 - Juliana naar "De Oost" er leven haast geen mensen meer ...

Julie woonde in 1971 bijna 25 jaar in Nederland toen er eind augustus van dat jaar vele koffers op Paleis Soestdijk werden gepakt voor een reis naar ‘De Oost’. Een van de bijnamen van voormalig Nederlands-Indië. 

In 1949 had Juliana voor het tekenen van de stukken de volgende woorden tijdens haar Kerst toespraak uitgesproken: 

"Bij deze soevereiniteitsoverdracht laten wij iets los en zij ontvangen iets, namelijk onze erkenning van wat ieder volk immers met zijn diepste wezen wenst." 

Dit was een heel ander geluid dan de woorden van haar moeder Wilhelmina toen het in 1942 om de toekomst van Indië ging. Wilhelmina regeerde van 1890 tot 1948 maar is nooit in Indië geweest.

Julie had in 1949 haar vierde baby gebaard en was rond de Kerst toespraak van Juliana alweer zwanger van haar vijfde kind. In 1969 zou haar laatste kind geboren worden. Tussen 1940 en 1969 heeft Julie 14 kinderen gekregen. Voor Julie was het niet meer dan vanzelfsprekend geweest dat Indonesië in 1945 onafhankelijk was geworden. Van zeer dichtbij had Julie vóór de Japanse bezetting de jacht en opsluiting in strafkampen van de Indonesische Nationalisten meegemaakt die zich in 1945 tegen de terugkomende Nederlanders zouden verzetten. Nederland had immers van de Japanners verloren en Julie had aan den lijve ondervonden tot hoe weinig Nederland in staat was geweest om Nederlands-Indië bij te staan tijdens de Japanse bezetting.  

Na haar aankomst in Nederland had zij vaak genoeg verwijtende blikken en opmerkingen vanwege haar Indische uiterlijk moeten verwerken. Haar bleef weinig anders over dan zich rustig te houden en zo ‘geïntegreerd’ mogelijk over te komen. Dat leek aardig te lukken met haar blonde 'wederopbouw' babies die inmiddels geboren waren. Julie woonde in 1971 al weer zes jaar in een mooie wijk van Bussum. Het twee onder één kap huis bood redelijk voldoende ruimte voor het grote aantal kinderen en haar inwonende moeder. Er waren inmiddels al zeven kinderen de deur uit waardoor de overige zes kinderen wat meer ruimte hadden. Julie was 48 jaar oud geweest toen de laatste baby in de zomer van 1969 werd geboren. Het twaalfde kind na 23 jaar in Nederland. Opnieuw verbaasde en verwijtende blikken. Wat moet zo'n oudere vrouw met zo'n jonge baby? Opnieuw moest Julie ingehouden hoon verdragen. 

Voor het eerst van haar leven had de zwangere Julie maanden lang plat moeten liggen in een ziekenhuiszaal waar zij het honende gegniffel van de veel jongere aanstaande moeders heeft moeten weerstaan. Af en toe steeg er wat rook onder haar lakens vandaan. Julie mocht immers niet opstaan maar een enkel sigaretje werd oogluikend toegestaan. Er was spanning geweest over de goed afloop van deze zwangerschap. Later was er de getemperde blijdschap over de mooie kleine zoon die opnieuw leven in huis had gebracht. In het zelfde jaar werd Julie 49 en had Julie zich fysiek hersteld gevoeld. De baby bleek een sterk ventje te zijn die de stemmingen van Julie goed aanvoelde. Het was een tevreden en goedlachs jongetje die ondanks eerdere weerstand ook het hart van Anton zou veroveren en dat van de nog thuiswonende kinderen die veel van de zorg voor de jongste overnamen.

Julie zocht in het voorjaar van 1970 de kranten en personeelsadvertenties door op zoek naar een vaste baan.   Anton haar 8 jaar oudere echtgenoot had al enige jaren een arbeidsongeschiktheid uitkering en met het inkomen uit het werk van Julie bij een uitgeverij had dit voor redelijk stabiele inkomsten gezorgd. Dat was vroeger wel anders geweest. Ook voor haar Anton was het leven beslist niet makkelijk geweest. Hij droomde nog wel van grote onderzoek projecten om jonge gewassen op door hem uitgevonden gecomposteerde bodem tot bloei te brengen. Maar verder dan de aanschaf van veel laboratorium materiaal en het plaatsen van een grote broeikas in de achtertuin kwam het niet. Op 58jarige leeftijd was Anton mentaal op. Er kwamen in de komende jaren nog wel marketingopdrachten uit Duitsland maar die werden door Julie in naam van Anton uitgevoerd. Anton was min of meer de chauffeur van Julie op de lange ritten naar Noord Duitsland waar de directie Frau Deymann altijd hartelijk begroette.  

Anton kwam net zoals als Julie uit een gebroken gezin en hij moest al heel vroeg aan het werk om vooral zijn moeder bij te staan. Vanaf zijn twaalfde was Anton kostverdiener geweest. De vader van Anton was marineman geweest en was vaak van huis. Veelal naar Indië. Vanaf midden jaren zestig begon ook bij Anton de oorlog en de crisis periode uit de jaren dertig een rol te spelen in zijn gevoelsleven. Beiden hadden moeite om elkaar hierin op te vangen en te steunen. Anton en Julie groeiden beetje bij beetje uit elkaar. Ook omdat hun achtergrond en 'oorlogen' zo verschillend waren geweest.

Het staatsbezoek van Juliana en Bernhard ("eerst hield ik niet van haar, dat kwam pas later") werd voor het eerst in de geschiedenis van de Nederlandse TV life en per satelliet uitgezonden. In die laatste dagen van augustus 1971 werden dagelijks de beelden van het bezoek overgeseind en Julie zat op de bank met een van haar vele breiwerken en de rondkruipende baby. Ogenschijnlijk rustig onderging zij de beelden. Toch was na verloop van tijd een wat verstarde blik en verkrampte houding waar te nemen. Haar ogen zogen de beelden op en toen de koninklijke stoet in Bandung aan kwam braken de stille tranen door en wees zij naar het scherm en zei met verstokte stem: ‘kijk, kijk die boom daar! Daar heb ik als meisje zo vaak gezeten .... ‘. Nooit eerder was Julie zo openlijk ontroerd en aangeslagen geweest. Telkens opnieuw kreunde zij zachtjes ‘Oh daar ben ik ook geweest en kijk die Toko bestaat nog steeds’. Zij sprak echter niet tegen de kinderen of tegen Anton terwijl zij gespannen stilte de beelden in zich op nam.

Voor de oudere kinderen die aanwezig waren was het opzienbarend om te zien dat Julie zo openlijk haar emoties liet blijken. Voorheen werd Indonesië altijd afgedaan met ‘ach het is voorbij, laat maar’. De dagen en weken na de uitzendingen was Julie nog zichtbaar aangedaan. Zij sloot zich vaker op in haar werkkamer en verschool zich achter haar vele brei en textiel projecten. Enige maanden later ging zij opnieuw in therapie. Want al eerder was zij ‘onderuit gegaan’ en zocht toen een psychiater op die haar had verteld dat zij aan een existentiële crisis zou lijden. In de komende jaren zouden de steeds opnieuw terugkerende krantenberichten over het oude Indië en de nasleep vanaf de jaren '50 telkens opnieuw een soms kleine dan weer forse aanslagen op de veelal verdrongen emoties van Julie plegen. Haar opgroeiende kinderen begonnen steeds vaker vragen te stellen waardoor zij zich soms in het nauw gedreven voelde en emotioneel reageerde.

Koningin Juliana had zich er goed doorheen geslagen daar in het verre Indië. Prins Bernhard had op gezette tijden rond gelopen in een mooi gebloemd Hawaï hemd met een bloemenkrans. De ontvangst van het koningspaar door de bevolking was dan ook overweldigend geweest. Er was ook geen zweem van anti-Nederlandse gevoelens geweest. Pas veel later zou ook Juliana een existentiële crisis krijgen toen in 1977 uitkwam dat Bernhard jarenlang smeergeld had ontvangen en deze ‘Lockheed Affaire’ het Koningshuis op haar grondvesten zou laten schudden. Vele jaren later zou blijken dat Prins Bernhard in 1950 betrokken zou zijn geweest bij een mislukte staatsgreep in Indonesië. Bernhard zou zich nog minder aan de regels houden dan zijn schoonvader Prins Hendrik. 

Beatrix had het in 1995 een stuk moeilijker tijdens en na haar staatsiebezoek aan Indonesië. De Indische-Nederlanders en de Indo’s in Nederland waren zich steeds beter aan het organiseren en de roep om ‘excuses’ werd steeds sterker. Over de bijzondere rol van Wilhelmina, haar grootmoeder die voorheen en telkens opnieuw de monarchie wist te redden werd nauwelijks gesproken of geschreven. Haar radiorede van 7 december 1942 waarin zij kort over het naoorlogse Indië sprak en uiteindelijk het Linggadjati akkoord wat na veel gedoe op 25 maart 1947 in Batavia werd ondertekend was bepaald niet naar 'haar zin' tot stand gekomen. Nederland heeft een constitutionele monarchie waarin de rol van het koningshuis is vastgelegd in de grondwet. De hoogste macht ligt hierdoor bij het parlement. Die ook  de macht heeft om schandalen af te dekken en doofpotten te vullen. De wet openbaarheid van bestuur (WOB) uit 1980 biedt nieuwe kansen voor onderzoek. Alhoewel het huidige Nationaal Archief nog vele zaken geheim wenst te houden.  In een toespraak door Professor Dr. Emil Salim ( Sumatra 1930, zijn vader was Agus Salim) en ceremoniemeester tijdens de 50-jarige onafhankelijkheidsviering van Indonesië in 1995 liet hij fijnzinnig blijken dat zijn land niet zou aandringen op verontschuldigen voor het koloniale verleden:
 “Nederlanders, dit is een zaak van jullie eigen geweten.''

De persoonlijke crisis waar Julie in terecht was gekomen had grotendeels te maken met haar onverwerkte verleden. Zij kon zich niet meer verstoppen achter zwangerschappen en daar ‘existentiële kracht’ uit putten. Of door alsmaar opnieuw nieuwe banen aan te nemen waar zij volledig in op kon gaan om dan vervolgens vermoeid thuis te komen in het nog steeds drukke gezin. Vanaf 1970 was er voor Julie een periode aangebroken van noodgedwongen verwerking en gaan leren begrijpen wat haar allemaal was overkomen voor en tijdens de Japanse bezetting. Maar ook gaan inzien en accepteren welke invloed haar Indische verleden heeft gehad op haar beslissingen en gedragingen ná aankomst in Nederland. Deze verwerking ging niet zonder slag of stoot. Julie verstopte haar verdriet zo goed mogelijk en kon uren door brengen in haar werkkamer waar zij piekerend en tobbend aan een breiwerk of anders bezig zou zijn. Maar met wie kon zij praten? Over 'welk' vroeger? Het was mogelijk een schrale troost voor Julie om te beseffen dat meer dan 350.000 andere Indo’s in en buiten Nederland zich inmiddels ook afvroegen ‘waarom'.


Julie, Bandoeng 1937/1938




1937 januari Bandoeng 
feestelijke optocht vanwege het huwelijk van Juliana met Bernard

1937 was ook het jaar dat Japan via door hen uitgelokte incidenten 
hun oorlog begonnen met als ideaal om tot een 


Ondanks alle agressie en wandaden tijdens zijn regeringsperiode
 is Keizer Hirohito altijd een goede vriend van 
het Koninklijk Huis gebleven.

  

van 1949 tot 1956 was Juliana 'Hoofd' van de 


Linggadjati


Voor Juliana was het haar eerste bezoek aan Indonesië, 
haar moeder Wilhelmina is nooit in Indonesië geweest.



Juliana in Bandoeng 31 augustus 1971. 
Bernard staat met zonnebril achter de Gouverneur



Beatrix met Hirohito op de trap van Paleis Soestdijk oktober 1971


Wim Kan en de komst van de Japanse keizer in 1971 
door Kustaw Bessems




In 2009 verschijnt er een boek van de hand van 
Harry Veenendaal en Jort Kelder 
waarin opnieuw het gedrag van Bernard rond 
'de kwestie' Indonesië 1949-1956 aan de orde komt


Voorafgaand aan het bezoek van Juliana was er in 1970 bezoek uit Indonesië. Suharto kwam langs.


Beatrix bezocht 1995 Indonesië




Nederlands-Indonesische Unie

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS