Showing posts with label NICA. Show all posts
Showing posts with label NICA. Show all posts

1942 Soerabaya 9 februari - Julie en de Waringin boom

Na het vertrek van William rond 8 februari naar Australië was Julie alleen achtergebleven met de 2 kleine kinderen. Zij kon vanwege de grote onrust in Soerabaya haar dagelijkse wandelingetjes met de kinderen naar het koelte gevende stadspark waar ook een groot aantal Waringin bomen stonden niet meer maken. Hoe vaak had zij daar al niet gezeten in het afgelopen jaar, hopend op een goede afloop. Ook haar vader Ferdinand had hier als peuter met grootmoeder Joanna rond gelopen terwijl haar echtgenoot Julie’s grootvader, in 1901 in het gesticht van Lawang werd behandeld voor ‘zenuwinzinkingen’. Julie voelde zich echter steeds ‘onveiliger’ worden in het vochtig hete Soerabaya. De bekende warme stadsgeuren hadden plaats gemaakt voor een andere zwaardere geur, een brandlucht die was opgekomen nadat het eerste zware bombardement op de stad door de Japanners op 3 februari had plaats gevonden.

Julie had al vanaf 1939 zich langzaam nestelende gevoelens van ‘onveiligheid’ gekregen die zij telkens opnieuw van zich af had gezet. Het incident met haar PTT chef die haar tegen haar wens had willen verleiden en de daarop volgende heftige discussies op het kantoor en haar besluit om zelf ontslag te nemen hadden haar min of meer wakker geschud. 
Het ongeoorloofde gedrag van haar Nederlandse ‘meerdere’ werd op basis van de toen in Indië heersende rangen en standen onder tafel geveegd en Julie moest of zwijgen óf vertrekken en ‘de eer’ aan zich zelf houden. Onder de grote Waringin boom van Hotel des Indes in Batavia besloot zij haar leven in eigen hand te nemen en zich niet maar te laten leven door kantoortijden en loyaliteit aan een blanke onbekende baas die handtastelijke werknemers toeliet.

Later zou Julie vertellen dat de vele Waringin bomen op Java haar altijd geestelijke kracht hadden gegeven. Als er problemen waren dan zocht zij juist deze boom op. Het liefst een Waringin aan een kleine rivier zoals vroeger toen zij jonger was en op het terrein van Suikerfabriek Delanggoe opgroeide wat nu Pabrik Gula Delanggu heet. Toen Julie op TV het bezoek van Juliana aan Indonesia in 1971 bekeek was zij aandachtig en stil maar snikte opeens onbedaarlijk toen zij een grote Waringin boom in beeld zag verschijnen.
Julie wilde zich niet zoals vroeger, toen haar vader vanwege zijn werk het gezin had verlaten opnieuw zo eenzaam en alleen voelen. Haar moeder was weliswaar aanwezig geweest evenals haar broertje. Maar die beklaagden zich meer over hun eigen kleine problemen dan dat zij onderling solidair waren na het vertrek van vader Ferdinand. Julie stond qua psychologische ontwikkeling vanaf het vertrek van haar vader min of meer alléén! Als 12jarig meisje had zij in de jaren ’30 de gevolgen van de grote werkeloosheid op Java gezien. Bedelende en hongerende inlanders, werkeloze Indo’s en Europeanen. Haar vader had zich altijd optimistisch gedragen en had ook aan Julie uitgelegd dat hij hoe dan ook wilde werken om niet bij de pakken neer te zetten. Desnoods werk zoeken in het buitenland.

Julie miste al snel haar vader met wie zij samen een bondgenootschap had gevormd tegen het klagende en immer ontevreden gedrag van moeder Charlotte. Vaak hadden zij samen de kranten gelezen en geluisterd naar de opera’s en andere klassieke muziek die Ferdinand mee naar huis bracht. Julie genoot van zijn lange slanke vingers en handen als hij weer eens iets aan het knutselen was. Of als hij de bouwtekeningen van machines voor de suikerfabrieken op de tafel uit had gespreid en deze met plezier bestudeerde en geduldig aan Julie uitlegde welke veranderingen hij zou aanbrengen zodat er minder problemen waren en de productie niet in gevaar zou komen.
In het benauwde Batavia van 1939 besloot zij na haar ontslagname niet met de stroom van de algehele ongerustheid over de toekomst van Indië mee te gaan. Julie had geen enkele binding met Nederland. Zij had daar ook geen familie. Het verschrikkelijke incident bij de PTT had haar duidelijk gemaakt dat zij door haar Indo afkomst nooit tot de ‘elite’ zou behoren. Met enige afschuw had zij het toegefluisterde advies ‘denk toch aan je toekomst’ van haar Indo collega’s om zich ‘rustig te houden’ terzijde geschoven. Net zoals haar vader haar had geleerd wilde Julie ‘niet bij de pakken neer zitten’. Vele jaren later heeft zij dat 'nooit opgeven' als het soms niet zo makkelijk ging ook op al haar kinderen (getracht) over te brengen. Julie had het in december 1941 maar vreemd gevonden dat Nederland de oorlog aan Japan had verklaard terwijl de Nederlandse regering zelf al naar Engeland was uitgeweken. Het leek welhaast een uitnodiging aan de Japanners om dan maar Nederlands-Indië aan te vallen. Achteraf gezien was dat ook zo! De dagen gingen snel voorbij voor Julie. Haar jonge kinderen vroegen de normale aandacht. Het bezoek wat langs kwam met opgewonden of sombere verhalen  nam eveneens veel tijd in beslag. Julie luisterde naar de berichten op de radio en volgde het nieuws in de kranten als de kinderen in de achtertuin hun slaapje deden of in hun bedjes lagen. Julie voelde zich steeds minder veilig maar had geen idee wat haar te wachten stond. 1942 - Nog geen drie jaar na het incident in Batavia zat Julie min of meer opgesloten in haar huis aan de Jalan Nias te Soerabaya. Met twee kleine kinderen en een echtgenoot die was vertrokken om voor het vaderland te vechten. Jazeker, zij zou hem volgen met een boot naar Australië. Maar wanneer? Als Julie naar buiten keek zag zij aan de overkant van de weg steeds meer treinen met militairen en wapentuig aankomen of vertrekken. Op straat ook veel vrachtwagens en militairen. 

De vrouwen en vriendinnen van de collega’s van William voelden zich ook onzeker over hun toekomst. Zij hadden samen gesproken en gehuild en zich grote zorgen gemaakt over de toekomst van hun jonge gezinnen. Al vanaf de oorlogsverklaring van Nederland aan Japan op 8 december 1941 was het onrustig geworden en had William soms iets los gelaten over a.s. vernielingen in Soerbaya van de voor Japan strategische doelen. Op 10 januari 1942 verklaarden de Japanners op hun beurt de oorlog aan het Koninkrijk der Nederlanden. Julie wist dat de Japanners op 11 januari het olie eiland Tarakan voor de kust van Borneo op het KNIL hadden veroverd om van daaruit de andere eilanden te bezetten. Want olie en andere grondstoffen dáár kwamen de Japanners voor net zoals de Nederlanders honderden jaren terug. Pas vele jaren later zou zij van haar nieuwe zwager (H.J.A Deijmann) horen dat hij een rol had gespeeld bij ‘de overdracht’ van het loodslichtschip wat aldaar voor de kust had gelegen. Hij was wat Julie betreft een van de weinigen in haar nabijheid die had begrepen in welke toestand het voormalig Indië had verkeerd tijdens de oorlog. Alhoewel hij wel benadrukte dat de (zijn) kampervaringen natuurlijk veel erger waren dan het leven buiten de kampen.

Op 28 februari 1942 zou de ‘Combined Striking Force’ het op moeten geven tegen de Japanse overmacht. Dit werd later de Slag in de Javazee genoemd. De Japanners kwamen hierdoor steeds dichter bij Soerabaya en steeds dichter bij het huis van Julie en de twee kleine kinderen. Met William had zij voor zijn vertrek afgesproken dat zij in het ergste geval naar Probolinggo zou gaan. Daar woonde een tante een zus van moeder Charlotte die aldaar een pension runde. De stad was voorzien van een haven waar eventueel ook nog (visser) schepen naar Australië zouden vertrekken. Maar eigenlijk was er geen echt plan. Niemand had kunnen voorspellen hoe het met Julie en de kinderen zou vergaan vanaf de 9e februari. Ook de Waringinboom in het stadspark van Surabaya niet.




De Muziektent in het stadspark van Soerabaya

Ingang van de stadstuinen van Soerabaya

De Waringin boom bij Hotel des Indes in Batavia


Kali in Soerabaya 

Soerabaya Darmo buurt

De Simpang Societeit Soerabaya

Ook aan de muur van de Simpang Societeit zat een bordje geschroefd
'Verboden voor honden en Inlanders'


Wilhelmina zou tijdens de kersttoespraak van 1943 nieuwe beloftes doen
Veel Nederlanders weten niet dat Nederland aan Japan 
de oorlog heeft verklaard.


De Zweedse Consul schreef een lijvig rapport over de situatie in Soerabaya vanaf 1942




Tarakan olieveld na de bezetting

 lees meer op tarakan.nl/


Nationaal Archief


28 februari 1942 - 'Slag in Javazee'
Diederik van Vleuten en Theo Doorman vertellen bij Pauw en Witteman. 

Tijdens de discussie zegt mijnheer Doorman dat het om het lot van 150.000 Europeanen zou gaan. Zou hij werkelijk de meer dan 200.000 Indo's per ongeluk vergeten zijn?

 


Trouwfoto december 1951
 in het midden Julie, links achter haar echtgenoot Anton 
rechts achter haar de broer van Anton, 
H.J.A. Deijmann


  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1943 - Bandoeng voorjaar 1943-deel 2 - Julie verlaat onvrijwillig haar kinderen om hen te beschermen

Het was alsof het bloed uit Julie’s lichaam weg vloeide. De warme geur van zweet en angst in de wit geverfde schoolgang mengde zich met de geluiden uit de verschillende klaslokalen en kamers die zij passeerde. Geluiden van soms geanimeerde gesprekken in het Japans dan weer gebroken Engels of Maleis en Nederlandse woorden. Dan weer geschreeuw, zacht praten het geluid van diepe zuchten en ingehouden pijn uit een half openstaande deur waar Julie in een flits zag dat iemand werd afgetuigd. Het waren allemaal mannen die zij in de schoolgangen zag. Japanse officieren, Japans-Koreaanse soldaten en Indonesiërs die minder goed gekleed waren dan hun meerderen. Ook Japanse mannen in burger kleding passeerden haar. Met dossiers in hun handen. Even dacht zij de eigenaar van de Japanse fotowinkel aan de Bragaweg te herkennen.

Julie werd naar het haar leek, urenlang ondervraagd in een kleine kamer met openstaande deuren naar de tuin van de school. Toegeschreeuwd en dan weer kalm en afgemeten pratend door verschillende Japanners en leden van de Indische Politie. Voor wie zij zou werken, hoe zij aan het geld en de goederen kwam. Meer dan één naam kon zij niet geven. En Mijnheer Ingram had zij al weken niet meer gezien. De hulpgoederen en de enveloppen met geld werden immers ’s nachts op het parkeerterrein naast de wasserij van haar moeder onder een zeil geplaatst. Julie werd in haar gezicht geslagen en er werd met een zwaard gezwaaid voor haar ogen wat telkens weer neer werd gelegd op het bureau en waar zij naar moest kijken. Nooit eerder had Julie zich zo leeg en angstig gevoeld. Zij had het gevoel dat haar ziel een prop was die diep in haar lichaam verstopt zat. Haar lichaam leek wel af te koelen door het angstzweet. De mannen ondervroegen en sloegen haar in het gezicht of op haar lichaam. Julie was onder de 160 centimeter lang. Bijna even groot als het merendeel van haar ondervragers. Die waren kennelijk niet gewend om vrouwen te ondervragen. Zij hadden veel meer te maken gehad met langere en grof gebouwde blanke Nederlanders of tanige Ambonezen die bij het KNIL dienden.

Julie huilde en herhaalde kermend dat zij niets meer wist dan hetgeen zij reeds vele malen had verteld. Later vertelde Julie dat zij tijdens het verhoor alleen maar aan haar kinderen had gedacht en zich zelf had ingepraat ‘blijf leven, blijf leven’. Nadat Julie verschillende keren was flauw gevallen werd zij naar buiten gedragen en op de koel aandoende tegels van het terras aan de tuinkant van de school neer gelegd. De mannen overlegden met elkaar. Soms lachend dan weer stoer pratend. Toen Julie weer enigermate bij haar positieven kwam dacht zij aan haar fiets die zij tegen de heg naast de school ingang had geplaatst. Na verloop van tijd stond zij schielijk op en rende door de tuin naar de uitgang van de school. Haar fiets stond er nog en razend van angst en opluchting fietste Julie naar de wasserij aan de Merdikaweg waar haar moeder ongerust had gewacht Laat op de avond werd Julie alsnog afgevoerd naar de Soekamiskin gevangenis aan de Grote Postweg. Deze gevangenis was onderwijl in een kamp veranderd en er was een gesloten afdeling met politieke gevangenen waar met name Ambonese KNIL soldaten in afzondering werden gehouden. In deze afdeling zou Julie circa twee maanden verblijven.

De Japanners hadden tijd nodig om meer onderzoek te doen naar de ‘positie’ die Julie had gehad binnen de verzetsgroep waarvan de Japanners dachten dat Julie deel van had uitgemaakt. Het verzet in Bandoeng werd zeer hard en stelselmatig de kop ingedrukt. Zo moeilijk was dat ook niet. De Indonesische bevolking hielp immers goed mee. Blanke Nederlandse mannen waren al uit het straatbeeld verdwenen en ook de Nederlandse vrouwen en kinderen werden langzaam maar zeker geïnterneerd. Indo’s zoals Julie werden voorlopig met rust gelaten maar moesten zich zeer bescheiden en terughoudend opstellen want verraad en geroddel waren aan de orde van de dag. De Bandoengse Soekamiskin gevangenis werd rond 1930 onder Nederlands bewind gebouwd. Na de capitulatie in 1942 werden daar o.a. gouverneur-generaal Starkenborch en zijn staf geïnterneerd. Het inheems gevangenis personeel stond vanaf maart 1942 onder leiding van een Japanse kampcommandant geassisteerd door Koreaanse bewakers en Indonesisch politie personeel. 

Na circa 8 weken werd Julie vrijgelaten. D.w.z. zij moest beschikbaar blijven voor eventuele nieuwe verhoren. Zij trok weer in bij haar moeder Charlotte aan de Merdikaweg waar ook de twee kinderen Billy en Ted verbleven. Julie was sterk vermagerd maar was vooral zeer aangeslagen door de gebeurtenissen in de gevangenis. De martelingen die haar celgenoten hadden moeten ondergaan. Het verzorgen van hen die wél terug kwamen uit de verhoren. Het stille treuren om hen die niet terug kwamen na de verhoren. Het samen bidden en het stille zingen tijdens deze donkere dagen en doorwaakte nachten zou haar voor de rest van haar leven verbinden met het lot van de Ambonezen die zo trouw zouden blijven aan het Koningshuis. Nog in de jaren ’90 schreef Julie protest brieven en verzocht o.a. Amnesty Internationaal om hulp voor de Ambonezen. In het laatste jaar van haar leven waren de beelden uit de gevangenis bijna dagelijks bij Julie terug gekomen. Kort na haar thuiskomst bij moeder Charlotte besloot Julie dat het veiliger voor iedereen zou zijn als zij zo snel mogelijk uit Bandoeng zou vertrekken. Welke andere keuzes had Julie in het voorjaar van 1943? Wie, in Bandoeng had haar verraden? Wie kon zij nog vertrouwen? Zij was op de vlucht voor de Japanse Kempeitai vanwege verzetsdaden. 

Julie had twee jonge kinderen en een moeder die noodgedwongen de kleding van Japanners waste in de wasserij van haar vriend die al in april 1942 in een kamp was opgesloten. Julie kon niet bij haar moeder wonen in een huis waar voortdurend Japanners in en uit liepen. Overal was gevaar en haar grootste tegenstander was haar afkomst. Een goed opgeleid Indo-Europees meisje, getrouwd met een KNIL-Marine officier. Op welke manier kon zij het beste haar twee jonge kinderen beschermen? Hoe zou zij aan middelen moeten komen om haar kinderen te kunnen verzorgen?


Bandoeng Soekamiskin gevangenis rond 1930




op de website geheugenvannederland.nl kan men 
een grote serie tekeningen vinden uit de periode Bandoeng 1943


Op de tekening zijn het Indonesische bewakers die de vrouw straffen omdat zij na 9 uur 's avonds nog op straat geweest zou zijn.



vanaf 1943 werd de Indonesische jeugd getraind



uit een Japans fotoboek; Japanse familie op Java


Ook in de Indische bioscopen werden naast de propaganda films 
Japanse cartoons vertoond. De spin in het filmpje is een 'engerd' 
afgebeeld als een neger met een pijp.

De filmbeelden zijn met name interessant omdat er geen blanke Nederlanders 
op te zien zijn. Die waren immers allen opgesloten in de kampen




  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1945 – 2012 : Bersiap-Merdeka-Revolusi Sosial: de Tante van Julie overleefde het niet


Een van de grootste inschattingsfouten van de elkaar opvolgende naoorlogse regeringen in Nederland was het weigeren van de uitdrukkelijke wens van de Indonesiërs om na de Japanse bezetting van Indië, onafhankelijk van Nederland te mogen zijn. Onbegrijpelijk. Na een bezetting van vijf jaar door de Duitsers en de internationaal steeds luider klinkende roep om het koloniale bezit terug te geven aan de respectievelijke volken. Heeft het uiterst verzwakte Nederland in 1945 de hulp nodig van de Engelsen om Indië zo snel mogelijk weer in te kunnen nemen. Er was immers veel geld nodig om Nederland weer op te kunnen bouwen. En daar had Indië vroeger ook al zou goed aan meegeholpen. In Nederland was de stemming verdeeld. Wel of niet de onafhankelijkheid accepteren en tegelijk was er de bezorgdheid over de grote groep in kampen geïnterneerde Nederlanders. 

Over de veel grotere groep Indo-Europeanen die buiten de kampen hadden weten te overleven maakt men zich aanmerkelijk minder zorgen. De Nederlandse regering had grotere zorgen, de schatkist was immers leeg. Om de schatkist weer aan te vullen werd de propaganda machine opgestart met berichten over het zware lot van de gevangen Nederlanders en negatieve berichtgeving over Soekarno die met de Jappen gecollaboreerd zou hebben en nu een communistische staat van Indië wilde maken. De onderliggende doelstelling (geld) werd zo goed mogelijk uit de publiciteit gehouden. Dat gebeurde al eerder. O.a. in 1902 toen het Rhemrev-rapport vakkundig in een onvindbare ‘openbare lade’ van een ministerie werd opgeborgen. Het Rhemrev-rapport werd omstreeks 1985 ‘herontdekt’ door de Amsterdamse hoogleraar Jan Breman. Het gaf hem aanleiding tot het schrijven van zijn boek ‘Koelies, planters en koloniale politiek’. Het Rhemrev-rapport en het protest pamflet  van Mr. J. van den Brand 'De miljoenen van Deli’ zijn integraal in Bremans boek opgenomen en geven een verschrikkelijk beeld van de arbeidstoestanden op de plantages van Sumatra's Oostkust.

Onlangs verklaarde demissionair minister Rosenthal dat zijn regering geen geld (3 miljoen) beschikbaar zou stellen voor een nieuw Indië-onderzoek. Het NIOD, het NIHM en het KITLV hadden vlot uitgerekend dat zij met dat bedrag onderzoek konden doen naar het door Nederland gebruikte geweld tijdens de dekolonisatie periode. Hiermee werd bedoeld onderzoek naar de gevolgen van de aanwezigheid van Nederlandse militairen die pas vanaf maart 1946 op o.a. Java de positie van de Engelsen over mochten nemen. Het gezamenlijke onderzoek zou dus vanaf maart 1946 tot aan de laatste coup poging door ex-kapitein Raymond Westerling in januari 1950 met zijn eigen legermacht(je) de APRA. In hoeverre het door Nederland gebruikte geweld tot aan de overdracht van Nieuw-Guinea in 1962 onderzocht zou worden is niet duidelijk. 

Er was echter nóg een periode waarin veel geweld werd gebruikt en vooral veel mensen zijn vermoord. Door de arrogante en onverzoenlijke houding van de Nederlandse regering veranderde de feestelijke stemming in Indië over de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945  in geweld acties en moordpartijen  op de nog in Indië aanwezige Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs die er van verdacht werden met de Nederlanders te heulen. De Indonesiërs wilden een duidelijk signaal afgeven aan de geallieerden én aan de Nederlandse regering dat zij onder geen beding terug wilden naar de jaren van weleer. De onlusten in de verschillende steden op Java begonnen in september 1945. Die drie miljoen Euro die nodig zijn voor het onderzoek zijn vermoedelijk te weinig als je het dan toch samen met de Indonesiërs gaat doen. Als al die onderzoeksbeperkingen bij het niet zo heel openbare Nationaal Archief worden opgeheven komt er genoeg nieuw geld binnen voor een veel groter onderzoek. Het onderzoek kan dan  na een korte voorgeschiedenis beginnen vanaf 18 augustus 1945. Dus ruim voor de terugkeer van het Nederlands gezag en ruim voor dat de politionele acties opgestart werden.

De periode na 18 augustus 1945 was de door de Nederlanders genoemde Bersiap-periode een term die nauwelijks bekend is onder de Indonesiërs. De Indonesiërs beschouwen deze periode en de aanwezigheid van de Nederlandse militairen vanaf maart 1946 als de Merdeka of de Revolusi Sosial. De twee belangrijkste nationalistische leiders Soekarno en Hatta proclameren op 17 augustus de onafhankelijkheid van Indonesië terwijl de hoofdbewoner van de villa, de Japanse Admiraal Maeda Tadashi op de bovenetage lag te slapen. Alhoewel de nationalisten al in 1944 waren begonnen met voorbereidingen was er in augustus 1945 nog geen sprake van goed georganiseerde nationale eenheid. De door de Japanners getrainde jongeren tussen 14 en 30 jaar waren geen betrouwbare en goed bewapende legereenheid die de nieuwe rechtsorde zou kunnen implementeren. Voor de nationale communicatie werd het voormalige Japanse radiostation gebruikt maar deze zender bereikte niet iedereen. 

Er was nationale verwarring en er ontstonden lokale interpretaties over de wijze waarop de onafhankelijkheid bereikt moest worden. Islamitische fundamentalisten en communistische groeperingen die radicaler waren dan de vaak wat oudere nationalisten die de weg van de dialoog voor stonden, werden geïntimideerd en tot onlusten en rooftochten aangezet. Veelal onder aanvoering van de lokale onderwereldfiguren die als kleine ‘warlords’ ook tijdens de Japanse bezetting en in de vele jaren daarvoor de onderkant van het sociale leven op geheel Java hadden bepaald. Het waren juist deze kleine bendeleiders die een grote invloed hadden op de bevolking van de vele kampongs en daarmee ook van grote invloed waren op de moorddadige gebeurtenissen die zich tijdens de Bersiap-periode zouden afspelen. Soekarno en zijn regering hadden nauwelijks invloed op hen en de invloed van de bendeleiders zou pas in de jaren ’80 van de vorige eeuw afnemen. 

De bevolking van het door de Japanners uitgemolken en verzwakte land hadden echter één gezamenlijk doel. De grote hongersnood op Java in 1944 zou meer dan 3 miljoen mensen het leven kosten en lag nog fris in het geheugen van de overlevenden die allen wel een of meerdere familieleden waren verloren. De doelstelling van de nationalisten was duidelijk. Géén terugkeer naar de dagen toen de Hollanders de dienst uitmaakten. Het is uiteraard een theoretische vraagstelling, maar hoe zou de geschiedenis verlopen zijn als de Nederlandse regering terstond en onvoorwaardelijk de onafhankelijkheid van Indonesië op 18 augustus 1945 had erkend? Vanwege de slechte radioverbinding in die periode had dat natuurlijk ook 19 augustus mogen zijn. Maar stel dat! Zouden dan die 5000 Nederlandse soldaten niet zijn gevallen tussen 1946 en 1949. Zouden dan die mogelijk meer dan 200.000 Indo-Europeanen die niet in de kampen zaten het overleefd hebben? Zouden de in de kampen geïnterneerden dan werkelijk weer vrij zijn geweest na 18 augustus 1945 waardoor zij eerder geholpen hadden kunnen worden met voeding en medicijnen. En zou de exodus van meer dan 350.000 personen naar Nederland en andere landen dan anders zijn verlopen? Deze vragen zouden eveneens afgewogen kunnen worden in het onderzoek wat (voorlopig) door de huidige regering is afgewezen. Mogelijk komt uit het onderzoekresultaat naar voren dat een van de belangrijkste oorzaken van de geweldsexplosie vanaf oktober 1945 juist door de starre houding van de toenmalige Nederlandse regering is veroorzaakt.

Op 18 oktober 1945 nam Julie van der Steur een ‘Andong’ (rijtuig) vanuit de wijk Mr. Cornelis in Batavia. Zij was op weg naar het treinstation om naar Bandoeng te kunnen reizen. In de jaren ervoor had Julie zich op de vlucht voor de Japanse militaire politie schuilgehouden in Batavia. En weten te overleven door zich in het hol van de leeuw te bewegen. Haar vroegere schoolvriendin Marie was met een op Java geboren en tot Nederlander genationaliseerde Japanner getrouwd en samen met haar echtgenoot werkte Marie in een Sakurai Kantoor. Een handelsonderneming waar de Japanse militairen en ambtenaren hun uit Japan afkomstige boodschappen konden halen of laten bezorgen. Het kantoor was gevestigd in de zeer bevolkte handelswijk Mr. Cornelis. De bevolking bestond als vanouds uit veel Chinezen, gemengdbloedigen (Euro-Aziaten) en een laag percentage Nederlanders. Julie had zich goed schuil kunnen houden in de nauwe straatjes achter de grote markt. 

Julie had haar Indische uiterlijk mee. Zij had haar verschijning weten te benadrukken door haar diep zwarte haar strak naar achteren te kammen en een haar staart tot een knotje te vormen. Zij droeg kleding zoals bij de inlandse vrouwen gebruikelijk was en liet niet merken dat zij uitstekend Nederlands sprak. Door haar kleine en magere gestalte onderscheidde zich nauwelijks van de inlandse vrouwen. Toch was het in het voorjaar van 1945 bijna mis gegaan. Waren het haar ogen die gemiddeld groter waren dan de ogen van de Javaanse vrouwen? Of was het haar angstige oogopslag die een dienstdoende Indonesische politie agent alarmeerde? Julie werd staande gehouden terwijl zij voor een boodschap op de bedrijfsfiets van Marie onderweg was. De politieagent vertrouwde haar antwoorden niet en boeide haar met een hand aan haar fiets. Onderweg naar het politiebureau waarschuwde Julie omstanders zo vaak als mogelijk om Marie op de hoogte te stellen van haar arrestatie. Julie werd opgesloten in een vochtige donkere cel in afwachting van verhoor door de leidinggevende Japanse politie. Julie heeft er twee dagen en nachten door gebracht. Het angstzweet had plaats gemaakt voor koud zweet en een longontsteking. Toen de celdeur werd geopend kreeg Julie het bevel om mee te komen. Zij werd in een auto geplaatst en tot haar grote verbazing naar de achterkant van een groot landhuis gereden. 

Het was niet ver van Kampong Makassar. Achteraf zou blijken dat Marie een goed woordje voor Julie had gedaan bij de hoofdbewoner van het grote oude koloniale landhuis. De hoofdbewoner was Kapitein Tanaka Kentaro een goede klant van het Sakura Kantoor. Marie had verteld dat Julie tuberculose had en Kentaro wilde haar om die redenen niet opsluiten in het nabij gelegen burgerkamp Bunsho I Kamp 9. Julie zou tot eind augustus 1945 in de kleine bijkeuken van het grote landhuis verblijven. Zij hielp de inlandse Kokkie met hand en span diensten in de keuken en kroop weg als de Japanse medewerkers van Kentaro zich op de terrassen ophielden. Pas eind augustus durfde Julie de bijkeuken en het terrein te verlaten. De geruchten over de Japanse overgave bleken waar te zijn. Julie wandelde angstig en onzeker naar Mr. Cornelis terug, de wijk waar haar vrienden zich zouden bevinden.  De huizen, wegen en zijstraten waren de voorgaande jaren slecht onderhouden en veel tuinen en perken waren als groentetuin in gebruik genomen. Er was veel volk op straat. Opgewonden strijdkreten roepend. De volwassenen en jongeren zagen er mager en onverzorgd uit en de vele straatkinderen trachten met bedelen hun kostje bij elkaar te scharellen. Nog geen zeven weken later werd Julie opnieuw vastgenomen en per vrachtwagen en trein naar de Oude Boei gevangenis in Cheribon vervoerd. Julie zou daar zeven maanden en onder zeer zware omstandigheden verblijven.

Een tante van Julie zou de Bersiap-periode niet overleven. Onlangs werden er twee uitzendingen uitgezonden door Omroep Max. Het betreft een tweedelige documentaire-serie die op zondag 12 en 19 augustus werden uitgezonden. De documentaire begint met een historisch overzicht van de periode vóór de Bersiap-periode die vanaf de tweede week van augustus 1945 die het gehele eiland van diverse brandhaarden zou voorzien. De documentaire is gemaakt door Pia Media. Op hun verzorgde website www.archiefvantranen.nl kan men het uitgebreide dossier lezen wat de aanleiding zou zijn naar nog meer research en uiteindelijke de tweedelige documentaire. Op de website word vermeld (ik citeer) dat er naar schatting 20.000 Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen werden vermoord door Indonesische extremistische strijdgroepen, de pemoeda’s, die zich gevormd hadden na het uitroepen van de onafhankelijkheid op 17 augustus 1945 – Het is aldus een schatting, gemaakt op basis van diverse tellingen en bronnen. Er zouden echter veel meer slachtoffers genoemd kunnen worden. Er werden immers ook veel Indonesiërs vermoord omdat men hen er van verdacht bevriend te zijn met Nederlanders.

In deel twee van de sobere en soms zeer aangrijpende documentaire wordt o.a. de moord op Oma Deuning besproken en er word op locatie gefilmd in de afgelegen Desa Ngadireso. Victorine Deuning woonde in de buurt van de bijna volledig uitgemoorde familie Engelenburg. Hans Vervoort heeft hier eerder al eens over geschreven. En er moet wat rechtgezet worden. In de documentaire word gesteld dat Oma Deuning géén eigen kinderen zou hebben. Victorine was de weduwe van Georgius Gerardus Deuning. Georgius was enige jaren eerder overleden. Georgius was een oudere broer van de moeder van Julie van der Steur, Charlotte Deuning. Victorine Deuning was eerder getrouwd geweest met Albert Karel Frederik Le Febre. Een huwelijk waarin zij vier kinderen zouden krijgen waarvan er twee reeds op jonge leeftijd overleden. 

Het huwelijk hield geen stand en in 1907 is de scheiding uitgesproken. In 1909 trouwde Victorine met Georgius, zover bekend hebben zij samen geen kinderen gekregen. Dochter Pauline uit het eerste huwelijk van Vicorine trouwde met Lodewijk L. Leenderts. De eerst geboren dochter van Lodewijk en Pauline werd Sonja genoemd. In de documentaire komt Sonja van der Hoff-Leenderts aan het woord en doet levendig verslag van haar contacten met haar eigen grootmoeder die in de documentaire haar kinderloze stiefmoeder wordt genoemd. Deze kleine details doen verder niets af aan wijze waarop de dramatische ontwikkelingen in beeld worden gebracht. Het bewijst echter ook hoe moeilijk het is om gedetailleerd onderzoek te doen naar de gebeurtenissen op Java tussen 1942 – 1949. In een land waar de gemeente en kerk registers en veel andere documenten en foto/filmmateriaal door de opgewonden Indonesiërs in brand zijn gestoken.

Julie en haar moeder Charlotte hadden na hun aankomst in Nederland geen fotoboeken of brieven van ‘vroeger’ in hun schamele bagage, zij hadden niets meer. Hun huizen en andere bezittingen waren geconfisqueerd of in brand gestoken. Van enige compensatie is nooit sprake geweest. De nieuwe Nederlandse regering liet beleefd weten dat het gebeurde in Indië onder een volstrekt andere regering had plaats gevonden. Het Nederlandse volk liet weten dat zij toch wel zo veel meer hadden geleden dan de repatrianten. Ja, daar wordt je wel stil van. Charlotte kwam uit een gezin van 15 kinderen en is opgeroeid in het landelijke Boyolali in de omgeving van Solo. Door trouwerijen ontstond een familie die in 1942 bijna honderd personen telde. Meer dan zeventig familieleden hebben de bezetting en de Bersiap niet overleefd. Hun stoffelijk overschotten liggen over Java, Sumatra, Thailand, Japan, Singapore en veel andere buitenplaatsen verspreid. 

Niet allen zijn (her)begraven op de vele oorlogskerkhoven en erevelden. Victorine is op 27 oktober 1945 vermoord omdat zij een Nederlandse achtergrond zou hebben. Als ik naar de prachtige sawa beelden van Michiel Praal kijk dan hoop ik dat de geest van Victorine in de buurt van haar huisje en bij de verstilde sawa’s alsnog rust heeft gevonden. In 1948 groef de Nederlandse Opsporingsdienst Overledenen 39 slachtoffers op die in de omgeving van het huisjes van Oma Deuning werden vermoord. De slachtoffers zijn herbegraven op Ereveld Kembang Kuning. Toen ik de beelden in de documentaire zag en de mensen hun soms zeer emotionele verhaal hoorde vertellen hoorde ik in de verte het ingehouden verdriet van mijn moeder Julie. Dan weer stil en dan soms wat luider. Het was diep weggestopt verdriet over ‘vroeger’. Verdriet waar zij niet over kon praten. Maar waarom leeft dat verdriet en verlies ‘van vroeger’ ook zo in mij? 


Tijdens de Atjeh periode 1874- 1918 werd door de 
Nederlandse militairen veel geweld gebruikt. 




Het blauwe deel van de Nederlandse vlag werd verwijderd







De villa waar de proclamatie werd voorgelezen is heden een museum


K. Wilhelmina laat ondertussen blijken dat zij er geen snars van begrepen heeft. 








Victorine Deuning-Anthonio voor haar huisje

1948 Ereveld Kembang Kuning Soerabaja


roosjeroos.nl

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1946 - herstellen, verzamelen en vertrek naar Nederland

Julie werd op 26 april 1946 na haar aankomst op station Manggarai direct geconfronteerd met de in Nederlands-Indië teruggekeerde Nederlandse bureaucratie. Zij werd opgevangen door oud medewerkers van het NICA (Netherlands Civil Administration) intussen omgedoopt tot AMA-CAB (Allied Military Administration – Civil Affair Branch). Ondanks de vaak onbeschrijfelijke toestanden die waren ontstaan na het eenzijdig uitroepen van de Indonesische Republiek in augustus 1945 en vervolgens na het uitbreken van de Bersiap was men er in geslaagd om vanaf  oktober 1945 meer dan 220.000 Hollandse volwassenen en kinderen op te vangen, te verzorgen en te evacueren. De trein waar mee Julie eind april 1946 uit Cheribon was vervoerd  was een ruilhandel geweest tussen de nationalisten de geallieerden en de Nederlandse legerleiding. Vanaf station Gombong waren in de zelfde dagen van april ‘46 gezinsleden van TNI militairen vertrokken naar gebieden waar het geallieerde gezag (nog) geen greep op had.

Het in 1943 op Ceylon (Sri Lanka) gevestigde geallieerde commando heeft onder leiding van Lord Louis Mountbatten het RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees) opgericht. Deze dienst had als taak om gevangenen op te sporen, te voeden, aan te kleden en te evacueren. Eerst op verzamelpunten en daarna naar hun thuisland. In Nederlands-Indië hebben meer dan 10.000 RAPWI medewerkers meegeholpen aan deze succesvolle operatie. Julie werd na aankomst doorverwezen naar kamp Tjideng wat nog geopend was voor evacuees en waar zich ook een ziekenboeg bevond waar de ernstige beriberiverschijnselen van Julie behandeld konden worden. Julie had last van desoriëntatie en moeite met haar geheugen. Uiteraard vertoonde zij ook ondervoedingsverschijnselen. Men had veel ervaring met dit soort patienten en Julie knapte binnen een aantal weken enorm op. Tijdens haar wandelingetjes door kamp Tjideng ontdekte zij dat er verschillende kantoren van de AMA-CAB (voormalig NICA) waren gevestigd waaronder een klein hulp-postkantoor en een afdeling ‘werkverschaffing’ onder leiding van Kapitein Krijgsman.

Kapitein Krijgsman was verantwoordelijk voor het inhuren van ‘inlanders’ (zo werden zij weer genoemd) die tegen betaling wilden werken aan het opknappen van wegen en straten van Batavia. De diensten van Julie kwamen goed van pas. Zij sprak Maleis en Javaans en men kon gebruik maken van haar opleiding als 4talige stenotypiste. Kapitein Krijgsman en zijn collega Kapitein Voerman hebben Julie geholpen aan nieuwe persoonsbewijzen en ook haar status als echtgenote van een Luitenant bij de Marine laten bevestigen. Over het welzijn van haar echtgenoot William die in Amerika zou verblijven kon men indertijd geen uitsluitsel geven. Hierover zou Julie pas meer horen in december 1946 nadat zij in Nederland was aangekomen. Over het lot van haar vader Ferdinand Pieter van der Steur was ook niets bekend geweest.

Julie heeft enige maanden op het kantoor van Krijgsman gewerkt in afwachting van de uitkomst van een onderzoek wat door Pro Juventute Batavia op gang was gebracht. Pro Juventute was de toenmalige ‘kinderbescherming’ die al meer dan 50 jaar actief was in vele delen van Nederlands-Indië. In juni 1946 had Julie met hulp van Krijgsman een vlucht kunnen maken met een Dakota postvliegtuig die een dagelijkse verbinding had met Bandoeng.  Eenmaal in Bandoeng aangekomen had zij haar moeder niet in de oude wasserij aan de Merdikaweg gevonden. Die was in brand gestoken door strijdlustige jongeren. Moeder Charlotte verbleef in een opvangkamp (afgeschermde woonwijk) met Julie’s zoontje Billy. Ukkie Sombeek de oud PTT collega van Julie woonde nog wel in haar huis in een wijk van Bandoeng. Sombeek had Julie’s tweede kind vanaf zomer 1943 opgevangen en Ted was inmiddels bijna 5 jaar oud en herkende zijn moeder nauwelijks.

Ukkie Sombeek weigerde kleine Ted terug te geven. Zij beschuldigde Julie ervan gecollaboreerd te hebben met de Japanners en zelfs als Jappenhoer voor hen gewerkt te hebben. Hierin werd zij gesteund door de jongere broer van haar echtgenoot William Dobson, Jim. Ukkie en Jim hadden een aanklacht bij Pro Juventute Bandoeng tegen Julie ingediend en in afwachting van de uitkomst van een onderzoek moest Julie onverrichterzake terug keren naar Bandoeng. Het bewijs wat Ukkie aanvoerde was mager en gebaseerd op roddels maar ingegeven om op die wijze Ted bij zich te kunnen houden. Julie was door de jaren heen verschillende keren in de bedrijfskleding van een Japanse Sakura winkel naar Bandoeng gekomen. Ook haar raadselachtige verdwijning in de zomer van 1943 zou bewijs moeten zijn. Julie heeft met hulp van Krijgsman en Voerman voldoende positieve getuigenverklaringen in Batavia en Bandoeng kunnen verzamelen waardoor de maatschappelijk werker van Pro Juventute uiteindelijk en tegen zijn zin formeel toestemming moest geven voor ‘gezinshereniging’.

Terwijl Julie in afwachting van het onderzoek hard werkte in het kantoor van Krijgsman verscheen er een sjofel geklede en broodmagere man op kantoor. Het was Boy. Julie had sinds 1943 niets meer van hem vernomen en had gedacht dat hij was omgekomen. Boy bleek jarenlang onder verschrikkelijke omstandigheden als dwangarbeider voor de Japanners gewerkt te hebben. Hij was pas onlangs in Batavia aangekomen en zocht werk. Boy had gehoord dat er een werkverschaffingskantoor in kamp Tjideng was maar wist niet dat zijn zus daar zou werken. Voor Julie was het duidelijk. Zij wilde niets liever dan vertrekken en de moeizame jaren achter zich laten. Julie wilde haar echtgenoot weer terug zien en een nieuw leven opbouwen in een land waar geen onrust zou zijn.

September 1946- Julie verneemt in Bandoeng dat haar echtgenoot is omgekomen



Moeder Charlotte, Julie en de twee kinderen kregen toestemming om als gezin van een omgekomen Marine officier naar Nederland te repatriëren. Julie had graag haar jongere broer Boy (Gerard) mee naar Nederland genomen.
Voor Boy lag dat anders. Hij verweet hun vader en moeder dat hij door hen in de steek was gelaten toen hij op 11 jarige leeftijd naar het kinderhuis van hun Pa van der Steur was gestuurd. De doelstelling van Pa van der Steur was opvang en integratie van verweesde Indo-kinderen in de Indonesische samenleving. Als neef van Pa had Boy altijd wel een streepje voor gehad en Boy voelde zich nauw verbonden met zijn vrienden uit het Instituut van Pa en wilde hen niet in de steek laten. Het was zijn familie geworden. Boy is met zijn gezin, nadat President Soekarno in 1958 alle Nederlandse bedrijven uit woede over het verblijf van de Nederlanders in Nieuw Guinea had genationaliseerd medio 1959 berooid in Nederland aangekomen. Zijn droom om als door de Nederlanders goed opgeleide Indonesiër mee te helpen de nieuwe natie op te bouwen was niet uitgekomen. Hij werd ondanks zijn inzet nog steeds beschouwd als Nederlander en kon aldus niets anders dan vertrekken. Dit lot zou ook veel achtergebleven ‘oud Steurtjes’ treffen.

Terwijl eerder in Nederland en Indonesië voorbereidingen waren getroffen om met elkaar in 'gesprek' te gaan in het vakantiedorp Linggadjati zijn Julie, Ted en Billy met oma Charlotte op 25 oktober 1946 met de Ms. Klipfontein vanuit de haven van Tandjong Priok naar Nederland vertrokken. Veel bagage hadden zij niet. Al hun goederen en bezittingen waren in beslag genomen, verkocht, verdwenen of verbrand. 966 berooide passagiers die met gemengde gevoelens naar de langzaam uit het zicht verdwijnende kade keken. Tijdens een tussenstop in Ataka werd warme kleding uitgedeeld. Bij de aankomst in Rotterdam op 20 november was het koud geweest. De ramen van de bussen op weg naar de ‘contractpensions’ waren snel beslagen door de nieuwsgierige en onzekere laatste adem uit Nederlands-Indië. 






Het was altijd druk in de hoofdstraat van Meester Cornelis een buitenwijk van Batavia waar Julie jarenlang in de buurt woonde



1907 Pa van der Steur (overleden 16 september 1945) 
met Koninklijke onderscheiding en 8 van zijn Indo jongens.

Pa en zijn medewerkers hebben duizenden jongeren, geboren 
uit euro-indische relaties een tehuis ofwel een thuis gegeven. Het lot van van de vele Steurtjes die na de oorlog niet naar Nederland zijn gekomen is nog niet onderzocht.



Door Pemoeda's vernielde woning van Nederlanders tijdens 
de Bersiap periode 1945-1946



In veel huizen werden lijken gevonden, wat was deze jongeman overkomen? 
Honger, geweld? 
Door geweld en honger zijn er tijdens de periode 1942 - 1946 buiten de kampen 
meer dan 4 miljoen Indonesiërs in Nederlands-Indië omgekomen. 
Slechts zelden wordt dit feit in alle verhalen rond Indië genoemd.

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande. 


Een RAPWI kantoor in het bekende Hotel des Indes Batavia/Jakarta



Een platte grond van het beruchte kamp Tjideng wat later ook werd gebruikt als 
kantoor voor de RAPWI-NICA en AMA-CAB - Julie werkte vlak bij blok IV



Een kade met zwaaiende mensen van de haven van Tandjong Priok 1946


Een foto van Ms. Klipfontein het schip waarmee Julie met haar moeder 
en kinderen mee naar Nederland zou varen in oktober 1946.

Als je niet uit Nederland kwam dan kwam je uit een ander cultuur en dus had je volgens de Nederlanders in die jaren vanzelfsprekend een culturele achterstand.



De Terugkeer is een strip van Eric Heuvel en Ruud van der Rol gemaakt in opdracht 
van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek. De strip is ontwikkeld 
om als lesmateriaal te gebruiken. 

De titel gaat echter in het geheel niet op voor mensen zoals Julie en veel andere 
Indo's die nooit eerder in Nederland waren geweest.

Voor hen was het vertrekken om vaak nooit meer terug te keren. 
Het stripverhaal is nog te koop.



Een veelzeggende pagina uit De Terugkeer



Indo's aan het woord in De Terugkeer


jaaroverzicht 1946 

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk 
een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande. 


  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS