Showing posts with label Julie. Show all posts
Showing posts with label Julie. Show all posts

1945 - Bersiap, Beriberi en Boei Lama gevangenis toen naar het Kramat kamp

Voor veel Nederlanders lijkt de bezetting van Java door de Japanners een einde gekregen te hebben nadat de bommen op Nagasaki en Hiroshima in augustus 1945 waren gevallen. In de Nederlandse dagbladen werd opgeroepen om de achter gebleven Nederlanders uit hun benarde positie te bevrijden en ook de toenmalige regering maakte plannen om hulptroepen en goederen naar Nederlands-Indië te sturen. Dat de Indonesiërs op 18 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijk hadden geclaimd werd in Nederland nauwelijks serieus genomen het was immers 'Ons Indië'. Er zou een buitengewoon onrustige periode aanbreken die aan minstens 20.000 Nederlandse vrouwen en kinderen het leven zou kosten. En mogelijk nog meer levens onder de Indo's en Indonesiërs. 

Deze periode zou later de Nederlandse geschiedenis ingaan als de Bersiap. De Indonesiërs zijn nauwelijks bekend met deze benaming. Zij noemen het de Merdeka periode, de onafhankelijkheidsstrijd. De hierop volgende 'politionele acties' werden zo genoemd omdat de Nederlandse regering onder geen beding het toen impopulaire woord 'oorlog' wilden gebruiken. Bang als zij waren om de ruime Amerikaanse financiële opbouwhulp ofwel Marshallhulp kwijt te raken. 

Julie had zich in augustus 1945 na het vertrek uit het landhuis van Kapitein Tanaka als een schim door het opgewonden maar nog niet anti-Nederlandse Batavia bewogen. Er waren leuzen op muren en trams geschilderd waarin de nationalisten schreven dat zij onafhankelijk waren en dat zij de Nederlanders niet meer terug wilden zien. In 1941 was Julie na het krijgen van de twee kinderen wat voller geweest en had circa 55 kilo gewogen. Zij was gezond, zelfbewust en vooral gelukkig geweest met haar kinderen, haar echtgenoot en haar fijne huis in Soerabaya. Vier jaar later was zij alles kwijt en had alleen een zak met kleding. Bij haar moeder in Bandoeng lagen wat foto’s, brieven en haar trouwring verstopt. 

Julie woog in 1945 nauwelijks 40 kilo en kon ondanks de capitulatie van Japan nog niet naar Bandoeng afreizen om haar kinderen te zien. Het land was in rep en roer en leefde in een overwinningsroes. Straatbendes met bamboe speren en kapmessen beroofden de verslagen Japanners van hun wapens en goederen. In Batavia werden de Japanners uit de huizen gezet van de voormalige Nederlandse bewoners en ook deze huizen werden geplunderd. Er hadden zich straatbendes gevormd die het soms ook met elkaar aan de stok kregen of er waren wraakacties tegen Indonesiërs en Indo's waarvan vermoed werd dat zij met de Japanners hadden geheuld.

De nieuwe nationale leiders waren druk met het formeren van een nieuw leger en waren zich zeer bewust van het feit dat de Nederlanders  terug zouden komen om de oude orde te herstellen. Het werd daarnaast duidelijk dat de geïnterneerde Nederlanders maar ook de Indo’s groot gevaar liepen om uitgemoord te worden door met name de opgewonden en ongeorganiseerde Pemoeda’s. Soekarno en zijn collega’s wisten dat de Nederlanders snel in bescherming genomen moesten worden want anders zou hij met zijn nieuwe regering internationaal niet serieus genomen worden. De Engelsen en Australiërs waren weliswaar in kleine legereenheden o.a. in Batavia gearriveerd maar hadden niet het mandaat om het land over te nemen.

In sommige steden hadden de Japanners hun strijd nog niet opgegeven en werd er hevig gevochten.Ook hierdoor was het ook voor Julie onmogelijk om naar Bandoeng te komen. Opnieuw was Julie aangewezen op haar oude contacten in Batavia waar zij relatief veilig zou wachten op het afnemen van de spanningen in het land. Via de radio die nu in nationalistische handen was kon de bevolking vernemen welke nieuwe maatregelen werden genomen en er werd ook melding gemaakt van de situatie in Europa en in Japan. De Nazi’s waren in mei 1945 verslagen en er werd melding gemaakt van internationale herstelprogramma’s  en de oproep om nooit meer oorlog te voeren werd afgewisseld met nieuws over de consequenties van de atoombom en de vondsten van de vernietigingskampen in Duitsland en de massamoorden in Rusland en China.

De bewoners in de kampen van Bandoeng maar ook elders hadden te horen gekregen dat zij voor hun eigen veiligheid langer in de kampen moesten blijven. Voor hen was de oorlog dus zeker niet voorbij. In veel gevallen was het zelfs gevaarlijker geworden dan voorheen en moesten de Japanners hen nu beschermen tegen de onverhoedse aanvallen van de Indonesiërs. De spanningen liepen steeds hoger op en de situatie dreigde steeds meer uit de hand te lopen. Er werd door de Indonesiërs met moord en doodslag op de Europeanen gedreigd als er niet heel snel internationale erkenning zou komen van hun onafhankelijkheid. Men liet doorschemeren dat behalve de kampbewoners ook de Indo’s groot gevaar liepen en vermoord zouden worden als er niet naar de nieuwe machthebbers werd geluisterd.

Voor 18 oktober 1945 leek de rust in Batavia enigszins hersteld. Er werd echter ook een nationaal decreet uitgevaardigd waarin werd verteld dat alle Nederlanders in verzekerde bewaring genomen moesten worden voor hun eigen veiligheid. Dit bericht moet Julie kennelijk zijn ontgaan. Was haar verlangen naar haar kinderen sterker geweest? Of had zij gedacht dat als Indo niet tot de Nederlanders gerekend zou worden?  Julie werd op weg naar het treinstation aangehouden door een Indonesische politieagent en in een gereedstaande vrachtwagen vol met eveneens gearresteerde Europeanen en Indo's naar een verzamelpunt vlak bij het station gebracht. Aldaar werd zij ingedeeld voor transport naar Cirebon. Julie was opnieuw haar vrijheid kwijt en zou tot 25 april 1946 in de Oude Boei gevangenis verblijven.

De daarop volgende zeven maanden zou Julie met een groep van circa 20 andere vrouwen in een cel verblijven en volledig van de buitenwereld afgesloten de moeilijkste tijd van haar leven doormaken. Het moet deze periode geweest van honger en ellende geweest zijn die alle gebeurtenissen uit de voorgaande jaren in de schaduw zouden stellen. In Boei Lama heeft Julie noodgedwongen geleerd om te gaan met pijn, honger, eenzaamheid en is soms bijna krankzinnig geworden. Pas vele jaren later zou zij vertellen dat zij  heeft geassisteerd bij het afleggen en begraven van een medegevangene. Pas in 1998 en voor het eerst beschrijft Julie met weinig woorden haar verblijf in de oude gevangenis. Zij houdt tijdens het schrijven aan haar broer Boy rekening met zijn extreem moeilijk jaren als dwangarbeider aan de Birma spoorweg en relativeert haar eigen verschrikkelijke ervaringen.  

Na de voorgaande oorlogsjaren met spanningen en overlevingsstress zijn tijdens deze zeven gevangenis maanden een aantal emotionele uitlaatkleppen dicht gegaan die in het verdere leven van Julie zelden geopend zouden worden. Eenmaal in Nederland zou Julie zakelijk, doelbewust en flegmatisch over gaan komen. Pas in de laatste vijtien jaar van haar leven kwamen haar diepste gevoelens terug in haar soms zeer sombere schetsen en wandtapijten waar veel kerken in zwart, grijs en bruin werden afgebeeld. Gesloten, nutteloze kerken die niets deden voor de mensheid.

De omstandigheden in Boei Lama waren verschrikkelijk. Gebrek aan water, medicijnen, sanitaire voorzieningen en minder dan 800 gram rijst met een waterig groentesausje per dag zorgden ook bij Julie voor een ernstige beriberi. Het woord zegt het al en betekent ‘ernstige zwakte’ en is het gevolg van vitamine B1 tekort. Het was dat dagelijkse kommetje gepelde en gebroken rijst waar nauwelijks voedingstoffen in zaten en de ‘groentesaus’ waar Julie over schreef aan haar broer. Het waren de bladeren die langs de gevangenis muren groeiden of aan de randen van het afvoerkanaal van de toiletten die als basis voor de saus werden gebruikt. Met het weinige geld wat Julie bezat heeft zij af en toe kans gezien om kleine porties lombok rawit te kopen. Deze bijzonder hete kleine chilipepertjes bevatten veel vitamine C.

De kinderen van Julie zijn vele jaren later vaak getuige geweest van een snikkende Julie die met tranen in haar ogen kleine potjes met lombok rawit in het zuur geheel leeg zou eten. Pas vele jaren later begrepen haar kinderen dat Julie dit deed tijdens periodes van groot innerlijk verdriet en eenzaamheid. Julie leerde haar verdriet enigermate uiten toen zij rond haar vijftigste levensjaar in een volgens haar therapeut ernstige existentiële crisis raakte. De therapie duurde echter niet lang. De begripvolle dokter maakte aan Julie duidelijk dat hij nog nooit eerder een vrouw in behandeling had gehad die zoveel had meegemaakt in een land waarvan de cultuur nauwelijks bekend was en er vervolgens nog 12 kinderen bij had gekregen met daarnaast een drukke baan en een hypochondrische echtgenoot. Julie stond er opnieuw alleen voor en werd als moederfiguur steeds minder zichtbaar voor haar kinderen.

Op 25 april 1945 was er opeens veel rumoer in de verschillende afdelingen van Boei Lama. De bewakers hadden opdracht gegeven om te verzamelen op de oprit naar de gevangenis poort. Niemand was eerder op de hoogte geweest en enige uren later kregen de gevangen opdracht om in looppas naar een gereedstaande geblindeerde trein te lopen en in deze trein plaats te nemen. Bestemming onbekend. Pas de volgende ochtend en na veel oponthoud op donkere stations gingen de deuren open op station Batavia Manggarai. Buiten de trein stonden groepjes Nederlandse dames van het Nederlandse Rode Kruis te wachten met warme chocolademelk en kleine etenswaren. Julie leek vanuit de hel in het paradijs gekomen en woog minder dan 35 kilo. 

Julie begreep later dat haar verblijf in Boei Lama haar mogelijk beschermd zou hebben tegen de haat en het geweld tegen de Nederlanders door de Indonesiërs tijdens de Bersiap periode.

Luister hieronder naar een gesprek met Mary van Delden: 


Een gesprek met antropologe Mary van Delden over haar proefschrift. ‘De republikeinse kampen in Nederlands-Indië, oktober 1945 – mei 1947. Orde in de chaos?’- Mary van Delden, uitg. eigen beheer, mail: vandeldenmary@gmail.com ( €41,50 inclusief verzendkosten)





1946 Pemoeda jeugd - Pemuda

    Julie schrijft haar broer Boy in 1999


 Een foto van de Boei Lama gevangenis in Cheribon uit 1927

In de bijna 7 maanden dat Julie daar verbleef werd het 
een 'beschermingskamp' genoemd. 
Julie heeft later pas begrepen waarom zij daar met vele anderen was opgesloten. 
Het was er extreem smerig en had een groot gebrek aan werkend sanitair.






Plattegrond van Boei Lama waar circa 850 personen werden opgesloten 
tijdens de Bersiap periode


René Louis Persijn (1938) schrijft in zijn blog over Boei Lama. 

De gebouwen die als kamp werden gebruikt waren vaak niet op die grote aantallen berekend. Veel kampen waren veel te vol. Dus te weinig toiletten, te weinig water, te weinig voeding. Ik kan me ook nog herinneren dat in de regentijd het hele kamp blank lag omdat de riolering het vele regenwater niet kon verwerken. De WC’s (gewoon een gat in de grond) liepen over en de menselijke uitwerpselen dreven rond en langs je (betonnen) bed. Om eten te halen ( één maal per dag en meestal wat rijst met gekookte waterplanten) moest je dan als kleine jongen tot aan je borst door dat water waden en je etenskommetje boven je hoofd zien droog te houden.



Oude Gevangenis Boei Lama te Cheribon op een luchtfoto 2011



 








Op 26 april 1946 kwam de trein waarin ook Julie een plaats had gekregen uit 
Cheribon  in Batavia aan. Op station Mr. Cornelis. 

Door stonden Nederlandse dames van het Rode Kruis met koekjes en warme chocolade maar ook de fotograaf van de Nederlandse propaganda dienst.






Na de ontvangst op het treinstation was er een transport naar het Kramat kamp 
waar Julie circa 4 weken zou verblijven

Kramat kamp Batavia


Vervolging en berechting van Japanners


Van mei 1946 tot november 1948 werden de 28 voornaamste Japanse oorlogsleiders, met uitzondering van de keizer, berecht door het Tribunaal van Tokio, officieel het International Military Tribunal for the Far Eastgeheten. Het ging hier om zogeheten A war criminals die werden aangeklaagd voor misdaden tegen de vrede. Daarnaast werden in de diverse geallieerde gebieden nog plaatselijke processen gevoerd tegen circa 4.000 Japanse oorlogsmisdadigers van de categorieën B en C: plegers van conventionele oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.




  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1948 - Het DNA van Anton en Julie en hun eerste kindje wordt geboren

In 1947 was Amsterdam nog aan het bijkomen van de gevolgen van de tweede wereldoorlog die van 1940 tot 1945 ook een aanslag op het uiterlijk van de stad had veroorzaakt. De grauwsluier was nog niet weggepoetst door nieuwe aanplant, renovatie’s en aanvulling van ontbrekend stadsmeubilair. In de Amsterdamse Indische buurt met de zwoel klinkende namen van de vele eilanden rond Java had Julie vanaf haar fiets geen enkel aanknopingspunt gevonden met haar verleden op Java. Nergens waren er de warme tropische geuren met de gezellige multiculturele samenleving zoals Julie die had gekend in Jakarta, Bandoeng, Soerabaya, Solo en vele andere steden op Java.

De heerlijke warmte in de eerste weken van mei 1947 was voor Julie de eerste periode in Nederland dat zij zonder dikke jas naar buiten kon. Sinds haar aankomst eind november 1946 had zij het koud gehad. Het was nu anders. Julie kon met Anton aan haar zijde de stad ontdekken. Zij was met hem naar het oude Waterlooplein geweest en had met afschuw de nabij gelegen donkere muren rond de Jodenbuurt waargenomen. Anton had verteld over vrienden en soms hele families die niet meer terug waren gekomen. Julie miste haar vader waar niets over bekend was geweest. Haar moeder Charlotte kwam regelmatig met berichten over vermiste en omgekomen familie in Indië. Het zou nooit meer worden zoals vroeger. Vermisten werden doden.

Eind juni 1947 bemerkte Julie dat zij zwanger was. Was het een ongelukje? Of was het een ontzichtbaar anker wat uit was geworpen in de stugge aarde van een land wat nog door Julie veroverd moest worden. Julie zal het Anton verteld hebben. En hem aan hebben gekeken, zoekend naar een reaktie. Julie had al twee kinderen van een man die nooit meer terug zou komen. Anton was al eerder vijf keer vader geworden en was formeel nog samen met de vrouw die zijn laatste vier kinderen ter wereld had gebracht. Samen zouden Anton en Julie vanaf 1948 tot 1969 twaalf kinderen krijgen. Was het uit liefde voor elkaar? Of was het compensatie voor het verlies en het geleden verdriet in de uiterst moeilijke jaren die beiden achter zich wilden laten. De kinderen van Anton en Julie hebben later 25 kinderen (stand 2011) gekregen.

Het DNA van Julie en Anton bevat overerfde informatiedie zich behalve bij Julie en Anton ook in de eigenschappen, talenten en karkatertrekken van hun kinderen en kleinkinderen zullen manifesteren. Hoog blonde kinderen en dan weer kinderen met sterk Indonesiese trekken of juist weer een mengeling van beide. Al lijken de kinderen van Julie en Anton op elkaar er zijn ook grote verschillen in persoonlijkheid waarneembaar die soms tot onderlinge botsingen en verwijderingen leiden dan wel tot tijdelijke groepsvorming met een sentimenteel karakter zoals verjaardagen of familiefeestjes. Het ziet er naar uit dat overgrootmoeder Djeminem uit Bojolali de oudste genen heeft. Toen Indië al duizenden jaren bewoond werd waren de aanstaande Europeanen nog onderweg vanuit Afrika via Egypte en toen linksaf door Turkije richting Europa. Charlotte de moeder van Julie was een kind van Casper Frederik Deuning. In 1843 in Soerakarta het huidige Solo geboren. Casper is een kind uit de 4de generatie Deuning.

De eerste Deuning is in 1728 met een VOC schip naar Batavia gekomen. En stamt af van de familie Dohna/Donin/Donyn en uiteindelijk Dohning uit Anspach Duitsland. Casper zou vanaf 1860 meer dan veertig jaar als landeigenaar en later als administrateur van suikerfabriek Tjokro Toeloeng in de suikerindustrie werken. Samen met zijn inheemse vrouw Djeminem zouden zij samen meer dan 14 kinderen krijgen in het prachtig gelegen Bojolali. De Deuning’s in Indië waren veelal planters en landverhuurders en zouden later ook als gewoon ambtenaar of bij staatsbedrijven zoals de Indische spoorwegen of de lokale trammaatschappijen werken. 

Charlotte, een dochter van Casper Frederik Deuning en Djeminem zou in 1920 trouwen met Ferdinand Pieter van der Steur. Zijn vader was Adriaan Hendrik van der Steur een marineman uit Amersfoort die enige jaren in Soerabaya zou werken als machinist en later stuurman op een van de speciale schepen waarmee de Indische overheid op opiumsmokkelaars jaagden. Adriaan zou in 1901 vanwege depressie’s opgenomen worden in een kliniek te Lawang en in 1907 scheiden van Joanna de moeder van Ferdinand. Adriaan is in 1914 onder mysterieuze omstandigheden verdronken en dood aangetroffen op het strand bij Katwijk. Hij liet opnieuw een zeer jonge zoon achter. Charlotte verloor al heel jong haar moeder Djeminem en was bijna 9 toen haar vader overleed. Ferdinand heeft na 1905 nooit meer iets van zijn vader vernomen. De Van Der Steurs zouden mogelijk via het zuiden van Italië als meetrekkende kathedralenbouwers rond 1500 in Nederland zijn aangekomen. Of waren het gewoonweg Hollandse vissers die goed waren in het vangen van de indertijd zo grote 'steur' vissen die in de Nederlandse rivieren te vangen waren? Adriaan Hendrik van der Steur trouwde op 6 december 1899 met een meisje Heijligers ook wel als Joanna Carolina Heyligers geschreven. Een familie van Duits-Nederlandse oorsprong die al enige generatie’s in Nederland en Indië woonden en veelal beroepsmilitairen waren. In Nederlands-Indië’s woonden veel Duitsers en andere buitenlanders die via het wervingsdepot in Harderwijk aan een militaire loopbaan in Indië konden beginnen. Een neef van Adriaan was Johannes van der Steur die later in Indië bekend zou worden als Pa van der Steur. Johannes heeft een aantal jaren in Harderwijk als zendeling gewerkt en aldaar besloten om naar Indië te vertrekken om zijn zendingswerk op Java voort te zetten.

De Deijmann’s (Deiman, Deyman, Deymann) worden pas zichtbaar in west europa vanaf circa 1100. Zelfs in het huidige Mauretanië met een link naar Turkije komt de naam Deymani voor. Maar ook Deyman in Iran, Azerbeidzjan, Uzbekistan, Turkije, Bulgarije, Polen. De Deymann’s in west europa zouden veelal landarbeiders, handelsreizigers in textiel of wijn en soms regenten worden. De naam Deyman werd door veranderende taalspelling regels en mogelijk door (in)schrijffouten op verschillende wijze gevoerd. De Deymann’s waar Anton uit voort is gekomen woonden al voor 1200 in het Duitse Eemsland gebied voorbij Klazinaveen. De textiel handelsroute die vanuit Nederland tot ver voorbij het Poolse Krakau zou lopen en aansluiting zou hebben met Azië heeft veel Deymann’s aangezet om als marskramer en textielhandelaar een graantje mee te pikken. Op de oude handelswegen vanuit Nederland tot ver voorbij Polen komt de naam Deyman voor. 

De grootvader van Anton is in het Duitse Meppen katholiek gedoopt en vermoedelijk in het nabijgelegen Haren geboren. Hij was samen met zijn broer in Meppen handelaar in wijnen en daar kwamen later naaimachines en aanverwante artikelen bij. Zij verkochten veel handel in Groningen waarna de broers besloten een nevenvestiging in Groningen te openen. Eerst in de Oude Kijk in 't Jatstraat en later in de Harmoniestraat. Hij zou rond 1875 in Groningen trouwen met een meisje Koets die weer banden had met de Amsterdamse fournituren en knopen familie Koets in de Utrechtsestraat in het pand waar zich nu Boekhandel Veenstra bevindt. Anton junior groeide op in de stad waar zijn vader als matroos bij de marine in dienst was. Anton senior was een ‘lastpost’ en werd op 15jarige leeftijd door zijn Groningse ouders naar de toenmalige Zeevaartschool in Leiden gestuurd. Hij zou in 1901 trouwen met een meisje uit de Van Wolferen tak die al eeuwen in de buurt van Den Helder woonden en veelal vissers en jutter’s waren. De vader van Anton werd ondanks zijn vele dienstjaren bij de marine vaak gedegradeerd vanwege ernstig alcoholmisbruik. Ook het huwelijk tussen de grillig aangelegde Anton senior en zijn vrouw Helena zou in een scheiding eindigen.

De 12 kinderen van Julie en Anton hebben aldus Indonesies-Duits-Nederlands bloed met mogelijk een snuifje bloed uit Perzië. Mocht het zo zijn dat de oorsprong van de Deyman's nog verder gaat dan zuid-slavische volkeren, Turkije en zelfs in Iran ligt dan zou dat geen verbazing wekken als men de fysieke en emotionele kenmerken van Anton en zijn kinderen vergelijkt met de volkeren die men daar aantreft.   
Er wordt door sommige van de kinderen verondersteld dat er Joods bloed in de familie aanwezig zou zijn maar daar zijn (nog) geen aanwijzingen voor. Veel Deymann’s bereisden de internationale textiel handelsroute en er kan natuurlijk van alles onderweg gebeurd zijn. Het merendeel van alle  familie’s was rooms katholiek en bepaald niet calvinistisch ingesteld. Een opvallend groot aantal familieleden had en heeft tot op vandaag een vrij beroep of geeft daar de voorkeur aan. Vaak gelieërd aan het onderwijs en/of creatieve beroepen. Julie en Anton hebben met elkaar gemeen dat hun beider vader het gezin verliet rond hun twaalfde levensjaar. Voor de verlaten moeders heeft dat tot soms grote economische en emotionele problemen geleid. Julie en Anton hebben zich hierdoor onvoldoende kunnen identificeren met de ‘vaderrol’. Vervolgens hebben Julie en Anton de grote economische crisis 1929 – 1935 meegemaakt. Waarbij opgemerkt kan worden dat Anton bijna 7 jaar oud was toen de eerste wereldoorlog voorbij was en indertijd opgroeide in een dijkhuiswinkeltje aan de levendige haven van een ‘gemobiliseerde’ marinestad.

Julie heeft de problemen die door de werkeloosheid van haar vader ontstonden van zeer dichtbij meegemaakt. De toenemende verwijdering tussen haar vader en moeder was een pijnlijk proces voor Julie. Moeder Charlotte wilde onder geen beding Indië verlaten voor een onzekere toekomst in India of de Philipijnen waar wel voldoende werk was in de suikerindustrie voor vader Ferdinand. Toen Julie’s vader naar India was vertrokken raakte haar moeder emotioneel geblokkerd en uitgekeken op haar twee kinderen. Julie en haar broer werden steeds vaker ondergebracht in pleeggezinnen zodat moeder Charlotte haar handen vrij had om werk aan te nemen maar ook om vriendschappen met mannen aan te gaan. In 1936 werd door de rechtbank in Batavia de scheiding uitgesproken maar hun relatie was al in in 1933 voorbij geweest. Anton groeide in de puberteit op op zonder vaderfiguur, evenals Julie. Julie heeft zich door de omstandigheden rond haar vader en moeder ook niet voldoende kunnen identificeren met de ‘moederrol’.

De jaren ‘20 kenden welsiwaar economische voorspoed maar daar kwam vanaf 1930 een einde aan. Nederland en Nederlands-Indië werden zwaar getroffen door grote werkeloosheid en nieuwe armoede. Nadat Anton in Den Helder zijn MULO diploma had gehaald vertrok Anton in 1928 met zijn moeder Helena naar Aalsmeer. Hij werd ingeschreven op de lagere Rijks Winter Tuinbouwschool en studeerde daar tuinbouw en bloementeelt. Na twee jaar was Anton gediplomeerd tuinman en was daarnaast zeer aktief bij de NJN ofwel de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. Eind 1933 trouwde de eenentwintigjarige  Anton met Truus Bosma en opende een kantoorboekhandel in Den Helder. Hun enige zoon Warner werd op 16 juni 1934 geboren. Hun echtscheiding werd op 3 december 1936 uitgesproken. Truus zou later hertrouwen met de schrijver Antonie van Kampen die zijn stiefzoon Warner de naam Warry van Kampen zou geven. 
Door de moeilijke economische situatie en het zoeken naar werk zou Anton tot 1940 zeer vaak verhuizen. Anton trouwde toen voor de tweede maal. Hun eerste kind Karel was reeds in 1938 ‘buitenechtelijk‘ geboren. Ook dit huwelijk eindigde in een zeer moeizame echtscheiding die  in 1951 uitgesproken zou worden en zou grote emotionele gevolgen voor de inmiddels vier kinderen hebben. 

Julie en Anton hebben beiden de tweede wereldoorlog intens en van zeer dichtbij meegemaakt. Een oorlog die zich afspeelde in de zeer verschillende culturen waarin Julie en Anton opgroeiden en volwassen werden. Met ervaringen die zo verschillend waren waardoor onderlinge uitwisseling over de persoonlijke ervaringen en gebeurtenissen niet altijd op wederzijds begrip of ‘aanvoelen’ kon rekenen. De twaalf aanstaande kinderen waren zeker niet gepland maar er werd kennelijk weinig moeite gedaan om géén kinderen te krijgen. Julie wilde  ieder kind wat zich aankondigde altijd met liefde ontvangen. In hoeverre Anton al zijn kinderen (17 of waren er meer?) heeft gewenst is wat hem betreft onuitgesproken gebleven. Door welke speling van het lot Julie en Anton zijn samengebracht is een boeiende vraag. De eerste twee huwelijken van Anton werden voltrokken met twee struise Hollandse vrouwen die beiden uit de geboorteplaats van Anton kwamen. Anton had altijd veel ‘sjans’ gehad in de danszaal van het Carlton Hotel en tijdens het Thé Dansant in tearoom-restaurant Formosa, waar oudere dames jonge heren konden huren. Anton werd ook wel de Cary Grant van de Kalverstraat genoemd. Julie was met haar kleine ranke gestalte en haar zwart golvende kapsel een exotische tegenstelling waaraan de sporen uit de Gordel van Smaragdgoed te zien waren. Julie had altijd grote bewondering voor de zwoele maar pittige amerikaanse filmactrice Joan Crawford gehad. Die als kind ‘Billie’ werd genoemd. Het eerste dochtertje van de Amsterdamse Cary Grant en Joan Crawford werd in januari 1948 geboren.


1857 - Toen de Deuning's nog Deunin waren in Nederlands-Indië
Deunin - Donin -


De 'Duitscher Deunin' (g) werkte als militair in Fort Vastenburg te Solo

1996 - Julie herinnerde zich de oude verhalen over haar Duitse familie 
van haar moeders-zijde en begon aan een Engelstalig boek. 
Het bleek dus Deunin van Dönin van Donin te zijn.


rond 1900 - Sheikh Sidy Ahmed Ibn Ismouhou Deyman uit Mauretanië
zijn lijn gaat via Konya terug naar Tabriz in Iran. Hij was een Soefi

Rond 1880 - Een van de Deymann's uit het geslacht Deymann 
  regio Meppen, Xanten en Wesuwe in Duitsland

De Deymann's hadden ook een drankje 
de suiker kwam veelal uit Nederlands-Indië


1948 - Anton en Julie zijn tot aan de komst van de televisie in de 
Nederlandse huiskamers fervente film liefhebbers geweest. 
Anton luisterde ook veel naar de radio 
en kocht zijn eerste TV in 1959 

De korte filmpjes geven een indruk van het Amsterdam 
van Anton vóór dat hij Julie leerde kennen.

Joan Crawford, Julie, Cary Grant en Anton

Anton en Julie gingen vanaf hun kennismaking in 1947
vaak naar de Amsterdamse bioscopen.



1947 Joan Crawford in Daisy Kenyon

1947 Cary Grant in The Bishop's Wife

Vier Nederlandse speelfilms die veel stof op lieten waaien.

Max Havelaar,

Soldaat van Oranje,

Oeroeg en

De gordel van smaragd. 

Julie was in de periode 1939 - 1940 zangeres. 
Zij trad op in Soerabaja op onder de naam Mona Banister. 
Er was met name op Java een intensief uitgaansleven. 
De vele bioscopen bezoeken en 
daarna gaan 'dansen' was zeer populair.

Op de foto Esmée de la Bretoniére als Ems.

Peter Faber en Sacha Bulthuis in Max Havelaar (1976) 

Rutger Hauer en Belinda Meuldijk in Soldaat van Oranje (1977)

Oeroeg film naar het boek van Hella S. Haasse (1993)

De gordel van smaragd met Esmée de la Bretoniére met Pierre Bokma. 
Deze film zou veel meer emoties en kritiek oproepen dan bijvoorbeeld de 
Soldaat van Oranje film of Oeroeg en Max Havelaar. 

De interpretatie van regisseur Orlow Seunke die in Jakarta is gaan wonen en werken, 
en de gevoeligheden rond de koloniale geschiedenis zorgden voor 
heftige discussies en zelfs afwijzing van de film. 
Het is de eerste grote Nederlandse speelfilm waar de soms innerlijke 
verscheurdheid van de Indo-Europeaan breed uitgelicht wordt.







1947 Indonesië - verweesde kinderen in een republikeins kamp op Java 
waar Julie nog maar kort vandaan was gekomen

1947 Java - Dit kind heeft het niet gered in het Adak kamp

1946 Java - De oom van Julie heette Pa van der Steur. 



De broer van Julie heeft jarenlang op zijn Instituut "Oranje Nassau Stichting' gewoond. 
In 1946 was er van het werk van Pa van der Steur niet veel meer over. 
In de voorgaande jaren had Pa met zijn medewerkers 
meer dan 7000 kinderen opgevangen.
Toch werd zijn werk voortgezet

Het merendeel van deze kinderen had een Indo-Europese achtergrond
Op de foto verlaten 'Steurtjes' in 1946

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1949 Deel 3 - Julie, de laatste dagen van een heftig decenium

27 december 1949 - Het had uit de radio geklonken en het stond in alle kranten. Koningin Juliana had de overdracht getekend. Indonesië was een soevereine staat geworden. Nederland had moeten buigen voor de politieke druk uit de Verenigde Staten en Nederland had de Marshallhulpnet zo hard nodig als de omringende Europese landen. Anton had gelezen dat het geld uit Amerika ook nodig was om de opdringende communisten tegen te houden. De Russen hadden hun invloed op Berlijn al laten gelden. De Nederlandse communisten met hun anti-koloniale houding en hun heftige protesten tegen de politionele acties in Nederlands-Indië werden jarenlang door de Nederlandse regering als staatsgevaarlijk gezien en werden vaak belemmerd in het vinden van passend werk.

Julie voelde al enige tijd dat een vijfde kindje (het derde kind met Anton) zich in haar lichaam had genesteld. Het zou omstreeks juni 1950 geboren worden. Deze laatste dagen van 1949 waren voor Julie als een afsluiting van een zeer turbulent decenium. Er was ook zoveel gebeurd en veranderd in haar leven. Nog in 1939 had zij in het tropisch warme Soerabaya kerstfeest gevierd met haar vriend en aanstaande echtgenoot William C. Dobson. De oorlogsdreiging leek in 1939 nog op afstand te blijven van Indië. In 1999 had Julie aan een zoon verteld dat William altijd haar eerste en enige grote liefde was geweest. En haar tweede echtgenoot Anton dan?

Julie had Adolf Hitler indertijd een lachwekkend ventje gevonden. Haar moeder Charlotte was in 1935 via haar vriend lid van de Indische NSB geworden. Charlotte had gezegd dat zij lid was geworden omdat de Nederlands-Indische regering te weing tegen zorgelijke opkomst van de Indonesiche communisten en Indonesische nationalisten zou ondernemen. Bij de Indische NSB’ers stond de ‘rassenzuivering’ (lees ‘weg met de Joden’) zoals die door de NSB in Nederland werd gepredikt niet hoog in het vaandel. Charlotte en haar vriend hoopten eerder dat de NSB’ers de vriendschappelijke banden met het verre Duitsland zouden versterken en dat Nederland en Duitsland als bondgenoten er op toe konden zien dat Japan Nederlands-Indië met rust zou laten. 

Julie had echter sterk de indruk gekregen dat het NSB lidmaatschap van Charlotte meer een oportunistische poging van Charlotte was geweest om haar vriend tegemoet te komen en zich te kunnen nestelen in zijn bedrijf en privé leven. Charlotte wilde méér zijn dan de Njai van mijnheer de Block. Mijnheer De Block was geen kindervriend en er was voor Julie en haar broertje Boy geen plaats in zijn relatie met hun moeder. Julie haatte het volgzame gedrag van haar moeder. Julie was laaiend over de plaatsing in pleeggezinnen van haarzelf en haar broertje omdat Charlotte meer bestaans zekerheid zocht in de armen van haar werkgever en minnaar. Haar vader Ferdinand verbleef inmiddels in India en werkte daar als algemeen directeur op een suikerfabriek. Julie miste haar vader alhoewel zij begreep dat de liefde tussen hem en Charlotte volledig was weggesmolten en plaats had gemaakt voor ruzie over geld en de zorg voor de kinderen. Meer nog miste zij het speelse en intelligente karakter van haar vader. Hij had altijd oplossingen bedacht die soms onconventioneel maar wel vaak effektief waren geweest.

De inval en bezetting van Nederland door de Duitsers in mei 1940 was een zware schok geweest voor de Nederlanders in Indië. Koningin Wilhelmina was met haar regering naar Engeland gevlucht en de contacten met familie in Nederland verliepen moeizaam en werden sterk verminderd door de censuur en het wegvallen van de postverbindingen. In Indië werden Duitse inwoners gearresteerd. Maar ook personen waarvan men het soms vage vermoeden had dat zij met de Duitsers zouden sympathiseren waaronder ook Joodse Duitsers. Julie had op de middelbare school genoten van de lessen over  o.a. de Duitse filosofen zoals Goethe, Schiller en Nietsche en anders wel van de uitleg omtrent de verschillende filosofische en religieuze opvattingen en hun onderliggende tegenstellingen binnen en buiten Europa.

Het was voor Julie indertijd moeilijk te begrijpen dat landen met zulke grote denkers voortdurend tegen elkaar ten strijde trokken. Het was Ferdinand geweest die Julie had uitgelegd dat er meer was ‘tussen hemel en aarde’. Hij had Julie uitgelegd over het Hindoeïsme en het Boeddhisme  in Indië en over de rol van de Islam als samenbrenger van verschillende volkeren. Hij had aan Julie verteld wat de Theosofen in Bandoeng als wereldbeeld uit wilde dragen. Voor het eerste had zij gehoord over Jiddu Krishnamurti en Annie Besant. Haar moeder Charlotte en de baboe hadden het meer over goede en kwade geesten gehad (guna-guna) maar daar geloofde Julie al jong niet meer voor open. Julie had wel jeugdhelden zoals de schrijfster Kartini en was in januari 1948 zeer ontsteld geweest over de moord op Ghandi. Die had immers nauw samen gewerkt met Annie Besant maar had vooral gestreden tegen onderdrukking door het koloniale Britse bewind.

Julie was leerlinge op een streng katholieke  middelbare school in Bandoeng geweest. Behalve de strenge nonnen hadden er ook verlichte jonge Nederlandse leraren gewerkt die prachtig konden vertellen uit het oude testament en verbindingen maakten met de religieuze ontwikkelingen in Europa na de 14de eeuw. Buiten de school werd Julie omringd door Chinese tempels, Boedistische tempeles en heiligenhuisjes, Moskeën, Kerken en de vele eeuwen oude monumenten zoals de Borobudur. Julie leerde daarnaast de vele spirituele lagen van het geestlijk leven van de Javanen en andere volkeren op Java goed kennen door haar contacten met medeleerlingen en die allen een verschillende culturele achtergrond hadden. De door vulkanische uitbarstingen uiterst vruchtbare bodem lieten toe dat er meerder oogsten per jaar mogelijk waren en dat de natuur een ongekend weelderig karakter had. Het was een enorm verschil met het winderige en weinig spirituele Nederland waar Julie terecht was gekomen.

In de laatste dagen van 1949 dacht Julie veel terug aan haar leven in Indië. Waar was haar vader toch? En was hij nog met zijn nieuwe vrouw Norine Tweedie samen? Zij had vaak bij het Internationale Rode Kruis navraag gedaan. Er waren vage berichten uit India tot 1943 daarna was niets meer van hem vernomen. Pas in 1998 zou Julie voor het eerst vernemen hoe het haar vader was vergaan. Het huwelijk met de vele jaren jongere en Brits-Indiaase Norine Tweedie was op een dramatische mislukking uitgelopen in 1938. Hierna hadden onlusten in Bengalen de suikerindustrie gedeeltelijk plat gelegd en was Ferdinand opnieuw werkeloos geworden en werkte telkens tijdelijk bij verschillende ondernemingen rond Calcutta. In een apart hoofdstuk wordt later terug gekomen op de lotgevallen van Ferdinand. Er bevindt zich een dossier over hem bij het Nationaal Archief.

Julie had na de uiterst moeilijke jaren in Indië haar lichaam opnieuw terug gekregen na de eerste zwangerschap in 1947. Telkens als de meer dan 15 kilo extra gewicht van een zwangerschap zich om haar innerlijk hadden opgetast had Julie het gevoel gehad dat het nieuwe leven wat in haar groeide belangrijker was dan het verleden. Het leidde haar af van somber makende gedachten. De zwangerschappen gaven Julie de gelegenheid haar innerlijk te ordenen maar ook haar fysieke omgeving zoals de kinderkamer, het huis en haar dagindeling. Julie had dan een excuus om minder naar buiten te gaan. Zij kon graag en veel lezen of handwerken. Haar moeder Charlotte kwam regelmatig over uit Den Haag om mee te helpen in het huishouden. Veel hadden zij samen niet te bespreken daarvoor was er te veel gebeurd tussen hen. Praten over Indië was door Julie voortdurend afgekapt. Vergeten, aanpassen en integreren was haar devies. Indië was eind 1949 verleden tijd geworden.

Julie had ook een klein kledingatelier aan huis als aanvulling op het huishoudgeld. Haar weduwepensioentje was laag en op Anton kon zij niet altijd rekenen. Zijn inkomen als ‘handelaar’ was onbestendig omdat hij onder geen enkel beding bij een ‘baas’ wilde werken. Eigenlijk vond Julie het wel prima. Zij was hierdoor niet volledig afhankelijk van Anton. Hij moest maar voor zijn eigen zorgen opkomen vond Julie. De echtscheiding van zijn vrouw verliep uiterst moeizaam. Pas als het ‘haar’ kinderen raakte dan uitte Julie openlijke kritiek op Anton en herinnerde hem aan zijn verantwoordelijkheden. Julie zou haar verdere leven ‘iets’ achter de hand houden waardoor zij op het gewenste moment onafhankelijk verder zou kunnen. Het was een les die zij tijdens de oorlogsjaren op Java had geleerd.

Julie had het gevoel gehad dat de 1949 overdracht aan Indonesië ook voor haar het afsluiten van een onrustig en verdrietig tijdperk zou zijn. De verhalen over wandaden door de Nederlandse militairen tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië druppelden nog weinig naar de openbaarheid. De Nederlandse militairen zouden uit Indië terugkeren en misschien zouden ook de boze blikken van de Amsterdammers minder worden. Julie had er genoeg van om telkens opnieuw te moeten antwoorden dat zij Nederlands kon spreken én schrijven. En ja, zij was in Indië geboren en zéér Nederlands opgevoed. En Indische meisjes waren toch zo ‘heet’ en had Anton niet altijd het gevoel dat hij zijn ‘trophee uit de gordel van smaragd’ moest verdedigen tegen de wellustige en opdringerige Amsterdamse mannen als zij samen naar de bioscoop gingen. Anton ‘blies’ zich zelf wat op en leek dan nog groter en sterker.

Anton woonde eigenlijk pas vanaf 1940 opnieuw in Amsterdam. In de jaren ervoor had hij o.a. in Alkmaar gewoond en ook voor een korte periode in Abcoude waar hij tuinman was geweest op het landgoed van de familie Paardekooper. Hij was in oktober 1940 getrouwd met zijn toenmalige vriendin. Zij trouwden om praktische redenen. De Duitse bezetters hadden aangekondigd dat echtparen met kinderen meer distributiebonnen zouden krijgen dan alleenstaande personen. Tijdens de oorlogsjaren zou Anton’s sociale netwerk groeien met kennissen uit het ‘verzet’ en met vriendschappen onder de vele zwarthandelaren. Het was een ‘vrij’ leven wat Anton ook na de oorlogsjaren met grote moeite op zou geven. Voor de oorlog had Anton grote sympathie gehad voor de SDAP ofwel de Sociaal Democratische Arbeiders Partij die in 1946 van naam zou veranderen in de Partij van de Arbeid. Die samen met de Katholieke Volks Partij de basis zouden leggen voor de huidige verzorgingsstaat.

In 1949 werd de Amerikanisering van Nederland niet alleen door het economisch noodzakelijke Marshallplan zichtbaar. Amerikaanse muziek en films waren populair maar ook de vele importproducten die via Amerika in o.a. Japan werden geproduceerd werden gretig afgenomen. Amerika en Rusland stonden inmiddels lijnrecht tegen over elkaar. Anton las Het Parool en stemde PvdA, was fel tegen het communisme en hield van auto’s. Een auto was voor Anton niet alleen een statussymbool maar ook een kleine afgesloten ruimte waarin hij zich zelf los kon maken van de dagelijkse zorgen. Anton kocht zijn auto's niet om zijn kinderen te vervoeren maar om 'zaken' te doen. 

Juliana tekent de soevereiniteits overdracht 27 dec. 1949


Ghandi 1942 


Jiddu Krishnamurti zou vanaf de jaren '80 opnieuw een grote inspiratiebron 
voor Julie zijn.




Een selectie van de auto's die Anton tussen 1950 en 1970 zou aanschaffen. Het waren er meer en de afmetingen van zijn auto's liepen gelijke tred met de stijgende welvaart in Nederland.

Anton verloor zijn Lloyd 300 door een ongelukje. De auto reed vanzelf zonder aangetrokken handrem de Herengracht in.

De Citroen 15CV vloog in 1954 op weg naar Alkmaar in brand
Toen kwam er een VW Kever in 1955






Daarna een Renault Dauphine, die zakte door de bevroren vijver tijdens sterke dooi.

1958 De kwekerij van Anton liep niet echt goed. Hij kocht een VW Busje en reed de Noord Hollandse markten af planten en opblaas beesten en ballen.
De kinderen bliezen zich van 06.30 tot 07.30 suf en Anton ging om 08.00 de weg op met een busje vol opgeblazen ballen, zembandjes en plastic dieren.


In 1959 kwam de eerste blauwe Borgward Isabella, die verhuisde mee naar Aalsmeer.


1960 elke zaterdag werd de auto gewassen door Anton


1962 De tweede en nu witte Borgward raakte te water en moest 'gestoomd' worden. Toch kwam er een nieuwe auto, de eerste Ford Taunus 17m. 
Ook wel de 'badkuip' genoemd.



1963 de kinderen van Anton nemen het waswerk over

1963 de tweede Ford Taunus in wat wufte kleurstelling

In 1965 alweer een nieuw model van de Ford Taunus


1966 voor een korte periode volgde er een witte Ford Zephyr speciaal voor de Nederlandse markt en bekend als politieauto in Engelse TV series. Deze auto lekte veel olie en nadat Anton een roedel eenden over het hoofd had gezien en tegen een boom botste werd het tijd voor de eerste Mercedes.




1967 Bussum - De Mercedes Benz 200 is de droom van elke jongen had Anton gezegd.


1970 Benz - Anton reed nu gemiddeld 3 tot 4 jaar met dezelfde auto


1970 Het laatste kind van Anton en Julie is inmiddels geboren. In de jaren '80 zouden er nog enkele Mercedes auto's volgen.


Soevereiniteitsoverdracht 1949 te Amsterdam

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS