Showing posts with label Soerabaya. Show all posts
Showing posts with label Soerabaya. Show all posts

DNA 5 deel 1 Ferdinand Pieter van der Steur - Suikerman in hart en nieren - 1900 - 1973


Mijn grootvader van moeder's kant Ferdinand, is op vijftien november 1900 te Soerabaja geboren en was een volbloed Hollandse jongen. Hij leerde thuis Nederlands spreken ging naar Nederlandstalige scholen maar zou Holland nooit bezoeken. Zijn vader Adriaan was een zeeman uit Amersfoort en zijn moeder Jeanne is geboren in een Hollands gezin wat één jaar na haar geboorte naar Nederlands-Indië zou vertrekken. Jeanne heeft Nederland nooit meer terug gezien.


Het zeemanshuwelijk van Jeanne en Adriaan liep al snel op de klippen. In 1901 werd Adriaan verschillende keren opgenomen in het Burgerlijk Ziekenhuis van Lawang alwaar zich ook een afdeling psychiatrie voor 1e klas patiënten bevond, ofwel een afdeling waar alleen Hollanders geholpen konden worden. Adriaan had klachten van depressieve aard. Er volgde een scheiding in 1907 maar Adriaan was al vele jaren eerder naar Nederland teruggekeerd. Jeanne werd vanaf 1902 een alleenstaande moeder en Ferdinand is zonder vader opgegroeid. Hij werd als kind Nandje en Nand genoemd en vele jaren later werd dat Peter. In dit artikel blijven we hem Ferdinand noemen.

Soerabaja was een immer groeiende stad met een belangrijke marine en overslaghaven. Het was een knooppunt met een groot aantal industriële fabrieken waar veel materiaal werd gemaakt en verhandeld voor de agrarische sector op Java maar ook voor de buitengebieden. Er woonden relatief weinig Hollanders gemeten aan de Chinese bevolking die drie maal groter was. Daarnaast woonden en werkten er Engelsen, Duitsers en andere inwoners uit Europese landen. Er woonde tevens een uit de Arabische landen afkomstige bevolkingsgroepen die vanwege hun religie samen met de islamitische inlanders de vele kleine en grote moskeen bezochten. 

Ferdinand groeide op als een relatief bevoorrecht kind in een hete en soms benauwde maar zeer bedrijvige multiculturele stad. Na het lager onderwijs werd Ferdinand in 1913 toegelaten op de nieuwe school voor technisch onderwijs alwaar hij werd opgeleid tot werktuigkundige. In een later stadium zou hij ook nog de cursus suikerchemie volgen. De school was eerder onderdeel van de Hogere Burger School (avondcursus) geweest maar vanwege de grote behoefte aan lokaal opgeleid technisch personeel met name in de suikerindustrie, werden in 1912 de eerste twee openbare technische scholen opgericht. In Batavia de Koningin Wilhelmina school en de tweede in Soerabaja die naar koningin Emma werd vernoemd.

Ferdinand heeft zijn jeugd in de schaduw van de familie Sarkies beleefd. In het huis aan de Soembawastraat en het buitenhuis in Lawang zullen beide neefjes veel met elkaar gespeeld hebben. De oudere zuster van Jeanne was getrouwd met Lucas Martin Sarkies en hun zoontje Eugene was een paar jaar ouder dan zijn neefje en speelkameraadje Ferdinand. De familie Sarkies was een Armeense handelsfamilie die met succes verschillende bedrijven in Soerabaja en Lawang hadden opgebouwd. Tussen 1900 en 1910 werd de familie Sarkies d.w.z. de broers John en Lucas o.a. eigenaren van de Simpangsche Bazar en Hotel Embon Malang, beide te Soerabaja. John en Lucas waren neven van de bekende Sarkies Brothers en er was zoals gebruikelijk veel onderling contact tussen de wereldwijd verspreide Armeense gemeenschappen. 

Vele jaren later zou Ferdinand o.a. via de contacten van de Sarkies families op de Filippijnen en in India ondanks de wereldwijde crisis aan het werk kunnen blijven in de suikerindustrie. In 1910 werd door kleine Lucas de eerste steen gelegd voor het later zo befaamde Oranje Hotel. Tijdens de Japanse bezetting werd het Oranje Hotel omgedoopt tot Hotel Yamamoto en na afloop van de oorlog werd het hotel Majahapit. Ferdinand zal uitstekend opgevoed zijn door zijn alleenstaande moeder Jeanne en haar familieleden. Haar belangstelling voor de theosofie, vrijmetselarij, literatuur, toneel en muziek én haar omgang met de koloniale intelligensia van Soerabaja zullen een grote rol hebben gespeeld bij de vorming van Ferdinand. 

De grote liefde voor mechanica en industriële ontwerptechnieken zal Ferdinand mogelijk geërfd hebben van zijn vader Adriaan die immers stuurman én machinist was geweest. Adriaan komt uit een geslacht van bekende architecten en kleermakers. Enige jaren voor de geboorte van Ferdinand had een oom, de later zeer bekend geworden Pa van der Steur zich in Magalang gevestigd. Na zijn werktuigbouwkunde opleiding aan de Koningin Emma School heeft Ferdinand een extra jaar suikerchemie gestudeerd om vervolgens aan zijn eerste baan in de grote suikerfabriek van Poerworedjo te beginnen. In de zelfde fabriek raakte hij bevriend met machinist Reinier Deuning en zou later een relatie krijgen met de zuster van Reinier, Charlotte Deuning. De kennismaking met de verbouw en oogst van de rietsuiker en de grote productiedruk met het daarvoor nodige klein- en groot onderhoud zal van Ferdinand een all round werktuigkundige gemaakt hebben en het was toen al zijn wens om patent-ingenieur te worden. 

Zijn grote belangstelling voor de bouw en inrichting van fabrieken zal hierbij ook een rol gespeeld hebben. Binnen de zeer traditionele suikerindustrie hiërarchie zal hij vaak vol ongeduld mogelijke carriere stappen af hebben moeten wachten maar door bemiddeling van zijn schoonvader Casper Frederik Deuning konden Reinier en Ferdinand in 1921 verhuizen van Poerworedjo naar suikerfabriek Delanggoe in de buurt van Klaten. Een minder grote fabriek dan in Poerworedjo maar wel met een laboratorium waar Ferdinand de chemische formules en bereiding van de verschillende suikerproducten aangeleerd zal hebben.

Het leven op het terrein van Delanggoe zal niet onaangenaam geweest zijn. De personeelswoningen op het bedrijfsterrein waren ruim en ook zijn dochter Julie heeft er prettige herinneringen aan. Door de komst van zijn moeder die duidelijk haar stempel op het huishouden drukte kwam er echter ook cultuur mee. Boeken, kranten, tijdschriften, radionieuws en concerten en de koffergrammofoon met veel klassieke muziek waaronder de geliefde operazangeres Nellie Melba. In zijn vrije tijd was Ferdinand zeer actief in de suikerbond en zou tot vice-voorzitter van de suikerkring van Semarang gekozen worden. Zijn belangstelling voor de jacht was niet ongewoon. Iedere man werd als jongen vaak meegenomen in de indertijd nog uitgestrekte bossen waar toen nog genoeg wild leefde. Daar leerde Ferdinand ook de vele bijzondere Hindoëstisch-Boeddhistische tempels en bedevaartsoorden kennen die hij jaren later ook aan zijn twee kinderen zou laten zien.

Het geordende leven en werken binnen de Javaanse suikerindustrie was aangenaam en verliep voorspoedig tot circa 1928 toen de oogst minder was en de eerste signalen van een grote wereldcrisis zich aandienden. Vanaf 1930 vielen er ontslagen en ook Ferdinand moest vanwege een overname het terrein op Delanggoe in 1932 verlaten. Hij vond een kleine woning en telkens tijdelijk werk in de buurt van Sragen waar de twee kinderen de Europeesche School bezochten. Maar in 1933 was de economische crisis en de daarmee gepaard gaande armoede en gebrek aan werk over geheel Java zo hevig dat het gezin opnieuw verhuisde. In Bandoeng konden zij terecht in een van de zeer kleine huisjes van een sociaal nieuwbouw project en Ferdinand solliciteerde naar een baan als machinist suikerlaborant van Victorias Milling Company. 

Een fabriek die zich in het midden van de suikerindustrie op het Filippijnse eiland Negros bevond. Het was een negen maanden contract en Ferdinand verliet ongewild zijn gezin met achterlating van een klein spaarbankboekje waar hij elke maand geld op liet storten. Opnieuw leerde Ferdinand veel bij. Victorias Milling was een voor Ferdinand ongekend grote fabriek en hij leerde naast de productie van nieuwe suikerproducten ook Spaans en het lokale Tagalog spreken. Na het uitdienen van het Filippijnse contract werd hem een o.a. vanwege zijn meertaligheid een nieuwe positie als  manager van diverse suikerfabrieken in het Indiase West Bengalen aangeboden. Een gebied waar de VOC in het voormalige 'Dutch Bengal' in 1656 in de omgeving van Hooghly-Chinsurah een suikerfabriek hadden gebouwd. Terwijl in het nabijgelegen Kolkata (Calcutta) leuk VOC geld verdiend werd met de internationale opiumhandel.

In 1934 kwam Ferdinand voor korte tijd uit India naar Java terug. Er was een incident. Ferdinand was zonder voorbericht in Bandoeng aangekomen en vond behalve zijn vrouw en kinderen ook een vreemde man in huis. Een Indisch heerschap uit de betere Indo kringen waar Charlotte kennelijk meer dan een oppervlakkige vriendschap mee had. De ruzie hierover werd bijgelegd en de helderziende kaartlezer voelde zich in de kaart gespeeld en zou zich niet meer laten zien. De economische crisis op Java was echter nog niet voorbij en Ferdinand had een nieuwe positie aangeboden gekregen in India en hij wilde dat Charlotte mee zou komen en dat de twee kinderen op een later tijdstip na zouden reizen. Charlotte voelde zich in het geheel niet thuis in West Bengalen de Indiase koloniale cultuur was zeer verschillend van de Javaanse cultuur waar Charlotte als ‘gemengdbloedige’ zich veel vrijer kon bewegen dan binnen de koloniale Engelse ‘stiff upper lip’ waar zij in terecht was gekomen. Hierbij zal ook een rol gespeeld hebben dat de Engelsen zich veel minder ‘mengden’ met de inlandse vrouwen of mannen. Charlotte voelde zich na enige maanden diep ongelukkig en besloot alleen terug te keren naar Java. Ferdinand had immers een meerjaren contract maar voelde zich ook zeer thuis in India. Charlotte kwam dus onverwacht terug in Bandoeng en trok samen met de twee kinderen in het huis van haar oudere zus.

Het huwelijk tussen Charlotte en Ferdinand was gestrand. Charlotte was boos, verdrietig en diep teleurgesteld en plaatste de kinderen in pleeggezinnen. In 1936 zouden Charlotte en Ferdinand echtscheiding aanvragen waarvan acte op 9 oktober in Klaten. Er had inmiddels een andere grote verandering in het leven van Ferdinand plaats gevonden.Hij was verliefd geworden op een jonge verpleegster uit Agra. Wij weten nu dat Ferdinand in december 1936 voor het laatst in zijn leven Nederlands-Indië zou bezoeken. De wereld politieke situatie zou vanaf 1938 sterk veranderen en vanwege onlusten in India en de steeds onveiliger wordende zeeën tussen India en Java was reizen geen optie voor Ferdinand. Ferdinand logeerde in november 1936 in Hotel Homann en zijn zestienjarige dochter Julie bezocht hem verschillende malen. Nooit zou Julie de foto van de beeldschone Norine met prachtige groene ogen vergeten. Volgens Julie was haar vader een zeer gelukkige indruk gemaakt en was een stralende knappe man die zich zeer goed naar Engelse ‘snit’ wist te kleden. Ferdinand was naar Java gereisd omdat hij o.a. de acte van echtscheiding nodig had om te kunnen trouwen met zijn nieuwe liefde de eenentwintig jarige verpleegster Norine Tweedie uit Allahabad de dochter van de stationschef van een van de belangrijkste spoorweg knooppunten van India. Norine was inmiddels zwanger en hun dochter Wendy zou in april 1937 in Calcutta geboren worden. 

Ferdinand zou tot 1938 algemeen manager blijven van de Shri Krishna Deshi Sugar Mills in Jhusi op circa 5 kilometer van Allahabad. De suikerfabriek was een bedrijfsonderdeel van de rijke Indiase familie met aan het hoofd Lakshman Prasad Gupta. Behalve dat Ferdinand over een grote technische kennis beschikte zal ook een rol hebben gespeeld dat hij geen Engelsman was en aldus geen deel uitmaakte van de Britse koloniale gemeenschap. Het culturele kolonialisme van de Engelsen was op veel punten onvergelijkbaar met hetgeen de Hollanders op Java hadden georganiseerd om de inlandse bevolking onder controle te krijgen en te houden. Het kasten systeem in India bood de Engelsen de kans om ‘nieuwe lagen’ binnen de bevolkingsgroepen te organiseren. De krenterigheid en het koopmanschap (winstbejag) van de Hollanders zorgden voor veel kleinere paleizen en koloniale gebouwen op Java en Sumatra dan de enorme, vaak theatrale gebouwen die de Engelsen neer lieten zetten om hun macht en technologische overwicht aan te tonen. De Engelsen introduceerden nieuwe vormen van separatisme door de geleidelijke introductie van zeer veel verschillende ‘officiële procedures’ waar men zich afhankelijk van afkomst en rang in de hiërarchie aan moest confirmeren of niet. Dit systeem van bevoordelen gaf de Britten ook de gelegenheid om bevolkingsgroepen te tellen en dan vervolgens in te delen in ‘dit mogen ze wel, dit mogen ze niet’. Meer nog dan de Fransen en de Hollanders bemoeiden de Engelsen zich met alle lagen van de bevolking om de wind er onder te kunnen houden.

Hierdoor behoorde Ferdinand in India vanwege zijn blanke huid en technische kennis (die de kolonie hielp met opbouwen) tot de bevoorrechte witte elite. Ferdinand zal zich gerealiseerd hebben dat hij in het klein burgerlijke en roddelende Nederlands-Indië nooit de carriere kansen zou krijgen die hem als vierendertig jarige in India wél werden geboden. Anderzijds had Ferdinand door zijn Indische achtergrond geen enkele moeite in de omgang met de Indiërs uit de verschillende kasten. Zijn Hollandse directheid en kennis van de Javaanse beleefdheid en de daarmee gepaard gaande zwijgzaamheid maakten hem geschikt als gesprekspartner voor zijn Indiase zakenpartners die zich bij hem meer op hun gemak gevoeld zullen hebben dan bij de afstandelijke Engelsen. Zijn contactuele vaardigheden zullen er ook aan bijgedragen hebben dat hij invitaties kreeg om lid te worden van verschillende ‘English Clubs’ waardoor zijn sociale netwerk na enige jaren in India vele malen groter was dan in Indië.

Zijn ontmoeting met de jeugdige Norine Tweedie die als verpleegster in Calcutta werkzaam was zou de afstand naar Indië groter maken. Norine werd zwanger in 1936 en hun dochtertje Wendy werd in april 1937 in Calcutta geboren. Ferdinand en Norine woonden in Calcutta en Ferdinand reisde zijn projecten af  In 1938 kwam het tot een verwijdering. De achtergrond zullen wij nooit te weten komen. Ferdinand en Norine zijn naar de Engelse wet getrouwd en dat maakte Ferdinand tot hoofd van het gezin. De verwijdering had er toe geleid dat Ferdinand en Norine niet meer samenleefden en dat hij er grote moeite mee had dat hun dochter bij Norine verbleef. Terwijl Norine in haar ziekenhuis aan het werk was zorgde de babysit voor de kleine Wendy. Ferdinand wist op de bewuste dag dat de babysit met Wendy in een park verbleef en heeft Wendy aldaar opgehaald. De moeder zou aangifte doen van ontvoering maar had wettelijk geen recht op het kind. 

In 2012 bereikt mij een bericht uit Amerika. Een Amerikaanse musiciloog is opzoek naar zijn halfzuster die Wendy van der Steur zou heten. De moeder van de musicoloog was bedlegerig en had voortdurend momenten dat zij over een ontvoerde dochter sprak. De musicoloog was haar enig kind uit een relatie met een man die de moeder ontmoet had in 1947 na haar immigratie naar Amerika. Nooit had zij haar zoon verteld dat zij al eerder een kind had gekregen. De oplettende verpleegster in het bejaardenhuis waar Norine verpleegd werd schreef de geijlde namen en omstandigheden op en een vriend van de musicoloog plaatste verschillende oproepen op het internet.

Wendy die sinds 1965 in Amerika woont heeft inmiddels verschillende malen contact gehad met haar halfbroer de musicoloog. Wendy die inmiddels vijfenzestig jaar oud was heeft vanwege gezondheidsproblemen haar eenentwintig jaar oudere moeder niet kunnen bezoeken in het bejaardenhuis in het verre Californië. Het was niet de eerste keer dat Wendy werd opgeschrikt door berichten van onbekende en verre familieleden. In 1999 heeft een neef van mij via het internet het adres van Wendy in Amerika gevonden. Wendy bleek niet getrouwd te zijn en met haar jongere broer Pieter niet ver van Boston te wonen. Norman de jongste broer woont niet al te ver bij hen vandaan. Mijn moeder Julie was verbijsterd en blij verrast. Zij had via de brieven van Ferdinand weet van de geboorte van haar halfzusje Wendy maar na verloop van tijd waren de berichten van Ferdinand opgehouden mogelijk vanwege de onlusten in India en de naderende grote tweede wereldoorlog. Wendy en Norman zijn in 1999 naar Nederland gereisd en hebben daar hun halfzus en halbroer Boy (Bob) ontmoet. Eindelijk kreeg Julie na tweeënzestig jaar te horen hoe het haar vader was vergaan na hun laatste ontmoeting in het Bandoengse Hotel Homann.

Er waren na de zwangerschap complicaties geweest. Er is een vermoeden dat Norine een zware depressie had na de geboorte. Eind 1938 was Ferdinand een alleenstaande vader met een dochtertje van nog geen 20 maanden oud. Vanwege zijn werk heeft Ferdinand kleine Wendy ondergebracht in door nonnen geleide ‘nursery’ in Calcutta. Wendy kreeg echter dysenterie en moest opgenomen worden in de kinderafdeling van het Presidency General Hospital het oudste ziekenhuis van Calcutta. Daar bevond zich ook een interne opleiding voor verpleegsters. De liefdevolle verpleging in de Alexandra Ward kinderafdeling maakte grote indruk op Ferdinand. Evenals een van de verpleegsters. 

De in het verre Solan geboren Dorothy Winifred Louise Carr (1916). Dorothy zou zijn derde echtgenote worden nadat hij formeel kon scheiden van Norine. Dat zou pas in 1942 mogelijk zijn geweest. Ferdinand en Dorothy trouwden op 23 december 1942 in het door Japanse bommenwerpers bedreigde Calcutta. Op 3 september 1939 zouden Engeland en Frankrijk de oorlog verklaren aan Duitsland. Omdat India onderdeel was van het Britse Rijk zou India ook gaan deelnemen aan de strijd tegen Duitsland en later Japan. Duitsland en Japan zouden India voorlopig met rust laten maar India zou behalve enorme voorraden militair materieel meer dan twee miljoen soldaten leveren. In de opmaat naar de grote veranderingen op het wereldtoneel en het onvoorziene einde van de koloniale heerschappij vertelde Dorothy aan Ferdinand dat zij zwanger was. (vlg. blog is deel II – 1940 – 1973)

Rond 1900 eten de Nederlanders circa 9 kilo suiker per jaar. 
Honderd jaar later gemiddeld 40 kilo per jaar
1890 circa - Stilleven met suiker Hendrik van der Masch Spakler

Een 'blanke' jeugd in Indië

Soerabaja - Simpangsche Bazar

Soerabaja - Muziektent in het park







Soerabaja -Atelier Kurkdjian uit Armenië afkomstige fotografen 


Soerabaja - Poort bij de Arabische wijk


Soerabaja - Straatgezicht met Chinese tempel


Een klas in de Suikerschool







Suikerfabriek laboratorium

1932 Suikerfabriek Kedoeng

Filippijnen - Victorias Milling Company Negros 
- ooit de grootste suikerfabriek ter wereld


  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1939 - Julie verhuisd van Batavia naar Soerabaya

Zo rond augustus 1939 is Julie haar koffers aan het pakken om naar Soerabaya te verhuizen. De stad waar haar vader is geboren in 1900. In de voorgaande maanden was er een nerveuze stemming in Batavia ontstaan. De berichten uit Nederland waren zeer verontrustend. De mobilisatie van de bevolking in Nederland was inmiddels op gang gekomen vanwege het dreigende gevaar uit Duitsland. In Batavia werden voortdurend militaire oefeningen gehouden. Er werd ook geld verdiend aan de opkomende oorlogsindustrie. Er was veel vraag naar rubber, katoen, touwvezels, kapok voor kledingvulling en matrassen. De prijzen stegen echter met de dag vanwege het gebrek aan transportschepen en de verhoogde verzekeringspremies.  Sommige handelaren verdienden vlot grote bedragen maar de arbeiders moesten opnieuw voor hun baan vrezen omdat er ook tekorten aan grondstoffen ontstonden. 

De pogingen van het Indisch Gouvernement om ‘in gesprek’ te blijven met de Japanners liepen vaak op niets uit. Dwz er werd overleg gevoerd maar er werd vooral een ‘stoere houding’ aangenomen door de Nederlanders. Tegelijkertijd realiseerden veel anderen dat het bijna onmogelijk was om met het relatief kleine leger de meer dan 40.000 kilometer kust te verdedigen. Julie volgde de berichten in de kranten en de conversaties met vrienden en bij kennissen. Maar kon er geen conclusies voor haarzelf aan verbinden ze had het zoals zoveel gewone mensen te druk met de kleine en grote dagelijkse beslommeringen. Mogelijk had zij een ongerust gevoel wat was te vergelijken met de periode 1930 – 1932 toen zij als klein meisje geconfronteerd werd met de gevolgen van de wereldcrisis die haar vader en moeder ook zouden treffen. Verhuizingen, zichtbare armoede onder de inlandse bevolking later zelfs honger. Charlotte haar moeder die haar altijd optimistische echtgenoot de schuld gaf van de armoede in het kleine gezin. Vrienden van vader Ferdinand die op bezoek kwamen in de economisch zeer moeilijke periode van 1930 tot 1932 en met elkaar spraken over de grote gevolgen van het ontslag uit de eens zo veilige werkomgeving binnen de suikerindustrie.

De werkeloosheid in Indië bereikte in de beginjaren ’30 een recordhoogte terwijl tegelijkertijd de salarissen met meer dan 50% werden verlaagd. Nederland bleef zich als een uitzuigend hongerig beest opstellen en had de inkomsten uit Indië hard nodig om de staatskas in Nederland aan te vullen. De bezuinigingen troffen  ook de Inlandse bevolking en er ontstond met name buiten de grote steden hongersnood. Minister-president Colijn vond indertijd 2 ½ cent salaris per dag al te hoog voor de koelies. Julie was pas 10 jaar oud maar kon zich de toen zichtbare armoede nog wel goed herinneren. Evenals de arrestatie in Bandoeng van nationalistenleider Soekarno en eind december 1930 en zijn daarop volgende pleitrede. Het verhoogde de spanningen tussen de Europeanen en de lokale bevolking die naar meer autonomie snakten maar de spanningen had ook gevolgen voor de Indo’s die net iets lager stonden dan Nederlanders maar weer wat hoger dan de inlanders. Zij zaten er tussen in. Maar welke keuze hadden zij? Voor Nederland of voor Indië?

De oorlogsdreiging uit Europa zorgde ook in de residentie voor een politieke verharding in het woelige 1939. Nederland weigerde Indië opnieuw meer autonomie te geven. Er werd zeer streng opgetreden tegen de Nationalisten en politici die zich wilden voorbereiden op de mogelijke komst van de Japanners. De petitie van Soetardjo die in 1936 was ingediend en in 1938 werd afgewezen zou in 1939 leiden tot de oprichting van de GAPI. De Gabungan Politik Indonesia waarin bijna alle Indonesische politieke partijen zich zouden verenigen en aanstuurden op een volwaardig Indonesisch parlementair  bestuur. Gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborg Stachouwer wees dit namens de Nederlandse regering van de hand. Hij zou hierop na jaren van gevangenschap door de Japanners persoonlijk op terugkomen. Hij was na (misschien al tijdens?) de oorlog een groot voorstander van de soevereiniteitsoverdracht zonder ‘neven oogmerken’ geworden.

In de voorgaande maanden in 1939 had Julie gewerkt als serveerster en had haar zangcarrière een kleine vlucht genomen. Zij lakte nu dagelijks haar nagels, gebruikte make-up en droeg de laatste mode die zij hoofdzakelijk zelf maakte  of zij liet zich helpen door de vele kleine naaiateliers in de buurt van de Chinese wijk waar zij op kamers woonde  bij een Chinese familie die uit intellectuelen bestond. Een familie waar zij onder geheel andere omstandigheden in 1943 als onderduikster opnieuw voor enige maanden terecht zou kunnen.

Julie zou in december 1939 negentien jaar oud worden. Als 18jarige was zij al volkomen zelfstandig en nam zij haar eigen beslissingen zonder invloed door haar ouders. De scheiding van haar ouders en de jaren die zij in gastgezinnen had door moeten maken hadden haar een soort innerlijke en uiterlijke zelfstandigheid gegeven. Zij had ook in moeilijke omstandigheden geleerd om voor zichzelf te zorgen. Door haar Indische uiterlijk kon zij zich in alle lagen van de bevolking bewegen. Haar zo precieze en accentloos gesproken Nederlands charmeerde weer de Nederlanders die dan vroegen waar zij zo goed Hollands had leren spreken. Julie wist dan precies hoe zij op charmante wijze de verbazing over de ‘Hollandsche welsprekendheid van zoo’n donker Indisch meisje ‘ weg kon nemen. Julie sprak ook uitstekend Engels, Duits en Frans en niet te vergeten Maleis en andere lokale dialecten. De wijze waarop de Europeanen omgingen met de Indo’s en de inlanders wekte soms haar irritatie of schaamte op en de wijze waarop zij haar baan bij de PTT was kwijtgeraakt kon haar in latere jaren nog boos maken. Maar wie en wát ben je als 18jarig Indo meisje in een land aan de vooravond van een wereldwijde tragedie. Julie was 1.58 lang en woog circa 54 kilo en rook vaak naar Boldoot of Patschuli. In september 1939 kwam Julie in Soerabaya aan. Het was de derde grote stad op Java waar Julie kwam te wonen. Tot haar twaalfde levensjaar had zij ‘landelijk’ gewoond. Opgroeiend op het terrein van een suikerfabriek die temidden van eeuwenoude Hindoe tempelcomplexen was gebouwd. Met Chinese tempels en de vele grote en kleine moskeen in de directe omgeving. Bezocht door mensen die alleen Maleis of een andere lokale taal spraken maar geen Nederlands zoals zij thuis en op school leerde. 

Java heeft een indrukwekkend en sterk glooiend tropisch landschap met eeuwen oude vulkanen zoals de Merapi die Julie in 1930 nog angsten hadden bezorgd na een enorme uitbarsting en waar zij met haar vader en broer nog is gaan kijken. De natuur zorgde op gezette tijden voor een enorme bloempracht met sterke geuren na een forse regenbui met daarna de warme zon. Haar moeder had haar voortdurend gewaarschuwd voor de enge bossen met verborgen geesten. Voor de sterk stromende rivieren die kinderen meesleurden. Voor de grote beelden in en rond de tempel complexen die opeens tot leven konden komen. Voor Julie was het makkelijker gebleken om in de relatieve anonimiteit van de steden een leven op te bouwen en misschien voelde zij zich ook wel veiliger vanwege mogelijk natuur geweld en minder sociale controle. Nadat zij zich vijftig jaar later begin jaren '90 van de vorige eeuw volledig had gevestigd in de zonnige heuvels van San Remo dacht (en sprak) zij vaak terug aan de exotische natuur waar zij was opgegroeid. Bijna dagelijks werkte zij in haar heuvelachtige tuin en plantte bij voorkeur cactussen die als een beschermende wal om haar huisje heen groeide. Maar het waren toch vooral de vele Hibiscusbloemen in haar tuin die Julie aan 'vroeger' deden denken. Een bloem die zich sluit en zich bij de eerste ochtendstralen opent. Julie voelde zich sterk verbonden met het karakter van deze bloem. 
                     


Julie schrijft in 1999 aan haar broer Boy

            Uitbarsting van de Merapi 1930 waar ook Julie met haar familie is gaan kijken.


Hibiscus onder de as van de Merapi na de uitbarsting in 2006


Zicht op de Merapi 2006


1930 Soekarno in het midden met dossiertas en medestanders in Bandoeng


Luchtfoto van Soerabaya met in het midden de Roode Brug


Straatbeeld Soerabaya met man op de Roode Brug


De uitgaanswijk in Soerbaya waar Julie zou gaan werken in de Tabarin Bar


Studio portret van een Europese familie in Soerabaya


Soerabaya - veroordeelden op weg naar de gevangenis


Europese familie voor hun huis in Soerabaya

een groep poserende jongens in Soerabaya


Groepsportret met leerlingen van de Koningin Emma School Soerabaya


Moskee in Soerabaya


Straatbeeld Soerabaya met Chinese tempel


Een Europese familie in Soerabaya


Soerabaya Kampong 1938


Een groep Arabische mannen bij de Arabische poort in Soerabaya


Julie vertrok naar Soerabaya en Tjarda van Starkenborgh Stachouwer bleef in Batavia en wilde Indië na de inval door de Japanners niet in de steek laten.

Soekarno als student

Sukarno met President Kennedy 1962

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1939 - 1940 Julie ontmoet William in Soerabaya

Het was begin september 1939. De reis van Julie naar Soerabaya vanuit het drukke Batavia verliep via Bandoeng waar zij haar moeder een kort bezoek zou brengen. Moeder Charlotte was somber geweest over de toekomst van Indië. Charlotte had evenals haar vriend De Block al een jaar eerder afscheid genomen als lid van de Indische NSB afdeling. Zij was het uiteindelijk niet eens geweest met de antisemitische uitlatingen die vanuit de Nederlandse NSB werden gebezigd. Ook Charlotte kon uit de kranten lezen dat de Nederlandse regering te weinig investeerde in de militaire verdediging van Indië en daar maakte zij zich grote zorgen over. Anderzijds voelde Charlotte toch wel een bepaalde trots over hetgeen Nederland had bereikt in Indië maar ook zij kon zich niet voorstellen hoe Indië met zijn honderden eilanden verdedigd kon worden. Toch had ook Charlotte geen grote angst voor een eventuele confrontatie met Japan. De op Java verkrijgbare goedkope importwaren uit de Japanse Toko's hadden veelal een lage kwaliteit en aldus zou het Japanse leger ook wel niet veel voorstellen. En de Japanse kapper van haar vriend was toch zo'n bescheiden en voorkomende man. Net zoals de Japanse fotograaf aan de Bragaweg die elke zondag op de fiets 'landschap foto's' maakte.

Het was met name deze onderschatting gecombineerd met de racistische blik op Japan vanuit een ‘blank’ superieur standpunt die velen er toe bracht om de dreiging vanuit Japan te relativeren tot een ‘ach het zal niet zo’n vaart lopen’ houding. Natuurlijk moest Indië zich beter kunnen bewapenen maar dat was meer een politieke strijd tussen het Indische Gouvernement  en de hongerige Nederlandse regering die het oude Indië voornamelijk als melkkoe zag. Uiteindelijk zou in 1942 blijken dat het Koninklijke Nederlandsch Indische Leger het KNIL praktisch weerloos was en binnen 3 maanden door ‘Het Gele Gevaar’ onder de voet zouden worden gelopen. Wel waren er de vele door de Gouvernement Politie opgestelde 'politieke dossiers'  met beschrijvingen van de eventuele staatsgevaarlijke elementen in de Indische samenleving. Hierbij ging het niet alleen om de Nationalisten maar ook om de Indische NSB'ers, de Duitsers waaronder ook de Duitse joden en andere Duits of Japan gezinde inwoners.

Charlotte maakte zich meer zorgen over het veranderde gedrag van Julie. Het serieuze hard werkende meisje dat zo goed voor zich zelf kon zorgen was veranderd in een jonge aantrekkelijk vrouw die gekleed ging naar de laatste modetrends uit het Europa van de jaren dertig. Julie maakte zich bescheiden maar zichtbaar op met rode lippenstift en had rood gelakte nagels. Charlotte had geen enkele greep meer op Julie. Ook niet op het besluit van Julie om zich in Soerabaya te vestigen om te werken aan haar carrière als zangeres in een dancing verafschuwde Charlotte. Julie trok zich niets aan van de kritiek van haar moeder. Zij had haar broer Boy (Gerard Eduard van der Steur 1922) bezocht die in het nabij gelegen Magelang aan de MULO van het Instituut van Pa van der Steur zijn laatste jaren zou doen. Na een bezoek aan haar oude grootmoeder Jeanne Heijligers die bij haar broer en nichtje Deetje Heijligers inwoonde, vertrok Julie opgelucht en ‘bevrijd’ naar Soerabaya.

Het was een treinreis van meer dan 700 kilometer naar de levendige industrie- en Marine stad Soerabaya. Zij kon immers meteen aan het werk als serveuse én als zangeres in de in kleine kring beroemde Tabarin Bar van Bart Groenwoud in een uitgaanswijk van Soerbaya waar veel Marine medewerkers hun vertier zochten. Bart Groenwoud was een zakelijk ingestelde muzikant die na vele omzwervingen over de wereld na de oorlog zou vertellen dat hij de oorlogsdreiging in Europa wilde ontlopen. Julie ‘ging op kamers’ met enige andere collega serveuses en vond al snel de weg in het gezellige en in vergelijk met Batavia minder drukkende  Soerabaya wat toen al jaren een vaste bootverbinding had naar het nabije Bali. Naast de internationale zeevarenden bezochten ook veel marine officieren Restaurant Royal, de Tabarin Bar en andere uitgaansgelegenheden. Zij zagen er aantrekkelijk en toch gedisciplineerd uit in hun witte uniformen. Hun beleefdheid werd afgewisseld met een soort jongensachtige joligheid die de meisjes die in de gelegenheden werkten aan zouden zetten tot een charmante zwoelheid die weer terug was te horen in de sfeervolle en populaire Amerikaanse en Engelse liedjes die op de late avond onder begeleiding van het orkest van Bart Groenewoud ten gehore werden gebracht. Het viel Julie op dat er bijna elke avond een jonge officier aanwezig was die haar met stralende ogen bewonderend aanstaarde als zij als zangeres Mona Banister met haar heldere naar mezzo neigende sopraan stem haar liedjes ten gehore bracht.

Mona ofwel Julie zong graag de soms ondeugende of melancholische liedjes van Elsie Carlisle maar zong ook de swingende nummers uit de Engelse of Amerikaanse hitlijsten. Als de sluitingstijd naderde werden er ook vaak Javaanse krontjong liedjes vol heimwee en verlangen gespeeld die zo mooi aansloten bij de warme tropische nachten en de mogelijke beloftes die na sluitingstijd in de  gewillig luisterende oren werden ingefluisterd. De jongeman met die grote en soms verdrietig kijkende ogen die zo graag naar Mona luisterde en vooral bewonderend naar haar opkeek was Luitenant ter Zee 2de klasse William Caistor Dobson. Hij had zich als ‘volontaire  bij de scheepsdienst’ jarenlang voorbereid op een opleiding als Officier bij de Marine. Geboren in 1915 had hij zijn vader  op 15 jarige leeftijd verloren en had net als Julie zoals later zou blijken, zijn eigen leven al jong richting moeten geven. 

Zijn grootvader was een Engelse ingenieur die rond 1870 naar Java was gekomen om mee te werken aan de opbouw van een grote machinefabriek in Soerabaya die o.a. machines bouwde voor de scheepvaart maar ook voor de vele suikerfabrieken op Java. Grootvader Dobson zou al snel trouwen met een Nederlandse uit een bekende Indische familie. De familie Angelbeek woonde al meer dan 100 jaar in en rond het oude Batavia. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren waaronder een zoon die vader van William zou worden en nogal plotseling overleed in 1930 terwijl William in Nederland aan een opleiding op de Zeevaartschool was begonnen.  William werd geboren in 1915 in de havenstad Tjilatjap. Of het liefde op eerste gezicht was tussen William en Julie zullen wij nooit weten. Op de trouwfoto van William en Julie zien wij een stralende William en een zelfbewuste Julie met het al wat vollere gezicht van een zwangere vrouw.  Zij zullen elkaar al snel na de aankomst van Julie in Soerabaya ontmoet hebben en in februari 1940 was Jullie zwanger van hun eerste kind wat in oktober 1940 geboren zou worden. Enige maanden voordat Julie 20 jaar oud zou worden.

Er zijn weinig dagboeken of andere geschriften die de sfeer en samenleving in Batavia of Soerabaya van vóór de grote wereldoorlog weer geven. Er zijn weliswaar foto’s van succesvolle en geslaagde Europeanen voor hun kleine of grote huizen in de stad of op de plantage. Er zijn straatfoto’s met veelal Europeanen op de fiets of lopend. Of in mooie auto’s die door keurige winkelstraten rijden met hier en daar wat inlandse stalletjes of inlanders op weg met hun handelswaar. Af en toe herken je dan een Indo door de donkere trekken of het zwarte haar op deze foto’s. Er zijn boeken geschreven door Europeanen die uit Europa kwamen en voor korte of langere tijd in Indië zouden verblijven. Europeanen die over hún leven in Indië zouden schrijven maar altijd vanuit een Europeaanse optiek.

Maar waar zijn de schrijvende en verhalende Indo’s te vinden? Wie waren zij, wat was hun positie in de toenmalige samenleving die zeer bepaald werd door rangen en standen waar ook de Indo’s naar te leven hadden. Hein Buitenweg schrijft in het Indische magazine Tong Tong  uitgave Juli 1970 over zijn schooljeugd aan de HBS in Soerbaja rond 1908. Heel kort wordt de naam Dobson, een schoolkameraad genoemd. “Dobson, een halve Engelsman”. Zoveel Dobson’s waren er niet in Nederlands-Indië! Was dit de vader van William Dobson misschien?

De laatste week van 1939 treed Julie veel op als Mona Banister 
met het orkest van Bart Groenewoud in Restaurant Royal te Soerabaja

1939 glamour foto van Julie van der Steur 

     Officiers verblijven in Soerbaya

Een sluis gebouwd voor de drooglegging van Soerabaya

Het weeshuis voor jongens in Soerbaya

Nieuws van de Dag Nederlandsch-Indië 4 september 1939

Een 10 gulden biljet uit 1939

Prinses Beatrix in de Indische kranten 1939
Een 5 gulden biljet van de Javasche Bank augustus 1939

Indo jongen met schooltas
Internationale mode in de Indische kranten 1939
Bij de kapper in Soerabaya
De haven van Soerabaya met droogdok
Inlandse scharenslijper te Soerabaya

Uit de Tong Tong van 1971 ga naar www.Moesson.nl




In totaal kwamen er tussen 1890 en 1939 32,962 Javanen naar Suriname, 
waarvan er tot 1939 7,684 terugkeerden naar hun geboorteland.

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS