1945 - Bersiap, Beriberi en Boei Lama gevangenis toen naar het Kramat kamp

Voor veel Nederlanders lijkt de bezetting van Java door de Japanners een einde gekregen te hebben nadat de bommen op Nagasaki en Hiroshima in augustus 1945 waren gevallen. In de Nederlandse dagbladen werd opgeroepen om de achter gebleven Nederlanders uit hun benarde positie te bevrijden en ook de toenmalige regering maakte plannen om hulptroepen en goederen naar Nederlands-Indië te sturen. Dat de Indonesiërs op 18 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijk hadden geclaimd werd in Nederland nauwelijks serieus genomen het was immers 'Ons Indië'. Er zou een buitengewoon onrustige periode aanbreken die aan minstens 20.000 Nederlandse vrouwen en kinderen het leven zou kosten. En mogelijk nog meer levens onder de Indo's en Indonesiërs. 

Deze periode zou later de Nederlandse geschiedenis ingaan als de Bersiap. De Indonesiërs zijn nauwelijks bekend met deze benaming. Zij noemen het de Merdeka periode, de onafhankelijkheidsstrijd. De hierop volgende 'politionele acties' werden zo genoemd omdat de Nederlandse regering onder geen beding het toen impopulaire woord 'oorlog' wilden gebruiken. Bang als zij waren om de ruime Amerikaanse financiële opbouwhulp ofwel Marshallhulp kwijt te raken. 

Julie had zich in augustus 1945 na het vertrek uit het landhuis van Kapitein Tanaka als een schim door het opgewonden maar nog niet anti-Nederlandse Batavia bewogen. Er waren leuzen op muren en trams geschilderd waarin de nationalisten schreven dat zij onafhankelijk waren en dat zij de Nederlanders niet meer terug wilden zien. In 1941 was Julie na het krijgen van de twee kinderen wat voller geweest en had circa 55 kilo gewogen. Zij was gezond, zelfbewust en vooral gelukkig geweest met haar kinderen, haar echtgenoot en haar fijne huis in Soerabaya. Vier jaar later was zij alles kwijt en had alleen een zak met kleding. Bij haar moeder in Bandoeng lagen wat foto’s, brieven en haar trouwring verstopt. 

Julie woog in 1945 nauwelijks 40 kilo en kon ondanks de capitulatie van Japan nog niet naar Bandoeng afreizen om haar kinderen te zien. Het land was in rep en roer en leefde in een overwinningsroes. Straatbendes met bamboe speren en kapmessen beroofden de verslagen Japanners van hun wapens en goederen. In Batavia werden de Japanners uit de huizen gezet van de voormalige Nederlandse bewoners en ook deze huizen werden geplunderd. Er hadden zich straatbendes gevormd die het soms ook met elkaar aan de stok kregen of er waren wraakacties tegen Indonesiërs en Indo's waarvan vermoed werd dat zij met de Japanners hadden geheuld.

De nieuwe nationale leiders waren druk met het formeren van een nieuw leger en waren zich zeer bewust van het feit dat de Nederlanders  terug zouden komen om de oude orde te herstellen. Het werd daarnaast duidelijk dat de geïnterneerde Nederlanders maar ook de Indo’s groot gevaar liepen om uitgemoord te worden door met name de opgewonden en ongeorganiseerde Pemoeda’s. Soekarno en zijn collega’s wisten dat de Nederlanders snel in bescherming genomen moesten worden want anders zou hij met zijn nieuwe regering internationaal niet serieus genomen worden. De Engelsen en Australiërs waren weliswaar in kleine legereenheden o.a. in Batavia gearriveerd maar hadden niet het mandaat om het land over te nemen.

In sommige steden hadden de Japanners hun strijd nog niet opgegeven en werd er hevig gevochten.Ook hierdoor was het ook voor Julie onmogelijk om naar Bandoeng te komen. Opnieuw was Julie aangewezen op haar oude contacten in Batavia waar zij relatief veilig zou wachten op het afnemen van de spanningen in het land. Via de radio die nu in nationalistische handen was kon de bevolking vernemen welke nieuwe maatregelen werden genomen en er werd ook melding gemaakt van de situatie in Europa en in Japan. De Nazi’s waren in mei 1945 verslagen en er werd melding gemaakt van internationale herstelprogramma’s  en de oproep om nooit meer oorlog te voeren werd afgewisseld met nieuws over de consequenties van de atoombom en de vondsten van de vernietigingskampen in Duitsland en de massamoorden in Rusland en China.

De bewoners in de kampen van Bandoeng maar ook elders hadden te horen gekregen dat zij voor hun eigen veiligheid langer in de kampen moesten blijven. Voor hen was de oorlog dus zeker niet voorbij. In veel gevallen was het zelfs gevaarlijker geworden dan voorheen en moesten de Japanners hen nu beschermen tegen de onverhoedse aanvallen van de Indonesiërs. De spanningen liepen steeds hoger op en de situatie dreigde steeds meer uit de hand te lopen. Er werd door de Indonesiërs met moord en doodslag op de Europeanen gedreigd als er niet heel snel internationale erkenning zou komen van hun onafhankelijkheid. Men liet doorschemeren dat behalve de kampbewoners ook de Indo’s groot gevaar liepen en vermoord zouden worden als er niet naar de nieuwe machthebbers werd geluisterd.

Voor 18 oktober 1945 leek de rust in Batavia enigszins hersteld. Er werd echter ook een nationaal decreet uitgevaardigd waarin werd verteld dat alle Nederlanders in verzekerde bewaring genomen moesten worden voor hun eigen veiligheid. Dit bericht moet Julie kennelijk zijn ontgaan. Was haar verlangen naar haar kinderen sterker geweest? Of had zij gedacht dat als Indo niet tot de Nederlanders gerekend zou worden?  Julie werd op weg naar het treinstation aangehouden door een Indonesische politieagent en in een gereedstaande vrachtwagen vol met eveneens gearresteerde Europeanen en Indo's naar een verzamelpunt vlak bij het station gebracht. Aldaar werd zij ingedeeld voor transport naar Cirebon. Julie was opnieuw haar vrijheid kwijt en zou tot 25 april 1946 in de Oude Boei gevangenis verblijven.

De daarop volgende zeven maanden zou Julie met een groep van circa 20 andere vrouwen in een cel verblijven en volledig van de buitenwereld afgesloten de moeilijkste tijd van haar leven doormaken. Het moet deze periode geweest van honger en ellende geweest zijn die alle gebeurtenissen uit de voorgaande jaren in de schaduw zouden stellen. In Boei Lama heeft Julie noodgedwongen geleerd om te gaan met pijn, honger, eenzaamheid en is soms bijna krankzinnig geworden. Pas vele jaren later zou zij vertellen dat zij  heeft geassisteerd bij het afleggen en begraven van een medegevangene. Pas in 1998 en voor het eerst beschrijft Julie met weinig woorden haar verblijf in de oude gevangenis. Zij houdt tijdens het schrijven aan haar broer Boy rekening met zijn extreem moeilijk jaren als dwangarbeider aan de Birma spoorweg en relativeert haar eigen verschrikkelijke ervaringen.  

Na de voorgaande oorlogsjaren met spanningen en overlevingsstress zijn tijdens deze zeven gevangenis maanden een aantal emotionele uitlaatkleppen dicht gegaan die in het verdere leven van Julie zelden geopend zouden worden. Eenmaal in Nederland zou Julie zakelijk, doelbewust en flegmatisch over gaan komen. Pas in de laatste vijtien jaar van haar leven kwamen haar diepste gevoelens terug in haar soms zeer sombere schetsen en wandtapijten waar veel kerken in zwart, grijs en bruin werden afgebeeld. Gesloten, nutteloze kerken die niets deden voor de mensheid.

De omstandigheden in Boei Lama waren verschrikkelijk. Gebrek aan water, medicijnen, sanitaire voorzieningen en minder dan 800 gram rijst met een waterig groentesausje per dag zorgden ook bij Julie voor een ernstige beriberi. Het woord zegt het al en betekent ‘ernstige zwakte’ en is het gevolg van vitamine B1 tekort. Het was dat dagelijkse kommetje gepelde en gebroken rijst waar nauwelijks voedingstoffen in zaten en de ‘groentesaus’ waar Julie over schreef aan haar broer. Het waren de bladeren die langs de gevangenis muren groeiden of aan de randen van het afvoerkanaal van de toiletten die als basis voor de saus werden gebruikt. Met het weinige geld wat Julie bezat heeft zij af en toe kans gezien om kleine porties lombok rawit te kopen. Deze bijzonder hete kleine chilipepertjes bevatten veel vitamine C.

De kinderen van Julie zijn vele jaren later vaak getuige geweest van een snikkende Julie die met tranen in haar ogen kleine potjes met lombok rawit in het zuur geheel leeg zou eten. Pas vele jaren later begrepen haar kinderen dat Julie dit deed tijdens periodes van groot innerlijk verdriet en eenzaamheid. Julie leerde haar verdriet enigermate uiten toen zij rond haar vijftigste levensjaar in een volgens haar therapeut ernstige existentiële crisis raakte. De therapie duurde echter niet lang. De begripvolle dokter maakte aan Julie duidelijk dat hij nog nooit eerder een vrouw in behandeling had gehad die zoveel had meegemaakt in een land waarvan de cultuur nauwelijks bekend was en er vervolgens nog 12 kinderen bij had gekregen met daarnaast een drukke baan en een hypochondrische echtgenoot. Julie stond er opnieuw alleen voor en werd als moederfiguur steeds minder zichtbaar voor haar kinderen.

Op 25 april 1945 was er opeens veel rumoer in de verschillende afdelingen van Boei Lama. De bewakers hadden opdracht gegeven om te verzamelen op de oprit naar de gevangenis poort. Niemand was eerder op de hoogte geweest en enige uren later kregen de gevangen opdracht om in looppas naar een gereedstaande geblindeerde trein te lopen en in deze trein plaats te nemen. Bestemming onbekend. Pas de volgende ochtend en na veel oponthoud op donkere stations gingen de deuren open op station Batavia Manggarai. Buiten de trein stonden groepjes Nederlandse dames van het Nederlandse Rode Kruis te wachten met warme chocolademelk en kleine etenswaren. Julie leek vanuit de hel in het paradijs gekomen en woog minder dan 35 kilo. 

Julie begreep later dat haar verblijf in Boei Lama haar mogelijk beschermd zou hebben tegen de haat en het geweld tegen de Nederlanders door de Indonesiërs tijdens de Bersiap periode.

Luister hieronder naar een gesprek met Mary van Delden: 


Een gesprek met antropologe Mary van Delden over haar proefschrift. ‘De republikeinse kampen in Nederlands-Indië, oktober 1945 – mei 1947. Orde in de chaos?’- Mary van Delden, uitg. eigen beheer, mail: vandeldenmary@gmail.com ( €41,50 inclusief verzendkosten)





1946 Pemoeda jeugd - Pemuda

    Julie schrijft haar broer Boy in 1999


 Een foto van de Boei Lama gevangenis in Cheribon uit 1927

In de bijna 7 maanden dat Julie daar verbleef werd het 
een 'beschermingskamp' genoemd. 
Julie heeft later pas begrepen waarom zij daar met vele anderen was opgesloten. 
Het was er extreem smerig en had een groot gebrek aan werkend sanitair.






Plattegrond van Boei Lama waar circa 850 personen werden opgesloten 
tijdens de Bersiap periode


René Louis Persijn (1938) schrijft in zijn blog over Boei Lama. 

De gebouwen die als kamp werden gebruikt waren vaak niet op die grote aantallen berekend. Veel kampen waren veel te vol. Dus te weinig toiletten, te weinig water, te weinig voeding. Ik kan me ook nog herinneren dat in de regentijd het hele kamp blank lag omdat de riolering het vele regenwater niet kon verwerken. De WC’s (gewoon een gat in de grond) liepen over en de menselijke uitwerpselen dreven rond en langs je (betonnen) bed. Om eten te halen ( één maal per dag en meestal wat rijst met gekookte waterplanten) moest je dan als kleine jongen tot aan je borst door dat water waden en je etenskommetje boven je hoofd zien droog te houden.



Oude Gevangenis Boei Lama te Cheribon op een luchtfoto 2011



 








Op 26 april 1946 kwam de trein waarin ook Julie een plaats had gekregen uit 
Cheribon  in Batavia aan. Op station Mr. Cornelis. 

Door stonden Nederlandse dames van het Rode Kruis met koekjes en warme chocolade maar ook de fotograaf van de Nederlandse propaganda dienst.






Na de ontvangst op het treinstation was er een transport naar het Kramat kamp 
waar Julie circa 4 weken zou verblijven

Kramat kamp Batavia


Vervolging en berechting van Japanners


Van mei 1946 tot november 1948 werden de 28 voornaamste Japanse oorlogsleiders, met uitzondering van de keizer, berecht door het Tribunaal van Tokio, officieel het International Military Tribunal for the Far Eastgeheten. Het ging hier om zogeheten A war criminals die werden aangeklaagd voor misdaden tegen de vrede. Daarnaast werden in de diverse geallieerde gebieden nog plaatselijke processen gevoerd tegen circa 4.000 Japanse oorlogsmisdadigers van de categorieën B en C: plegers van conventionele oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.




  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1945 – 2012 : Bersiap-Merdeka-Revolusi Sosial: de Tante van Julie overleefde het niet


Een van de grootste inschattingsfouten van de elkaar opvolgende naoorlogse regeringen in Nederland was het weigeren van de uitdrukkelijke wens van de Indonesiërs om na de Japanse bezetting van Indië, onafhankelijk van Nederland te mogen zijn. Onbegrijpelijk. Na een bezetting van vijf jaar door de Duitsers en de internationaal steeds luider klinkende roep om het koloniale bezit terug te geven aan de respectievelijke volken. Heeft het uiterst verzwakte Nederland in 1945 de hulp nodig van de Engelsen om Indië zo snel mogelijk weer in te kunnen nemen. Er was immers veel geld nodig om Nederland weer op te kunnen bouwen. En daar had Indië vroeger ook al zou goed aan meegeholpen. In Nederland was de stemming verdeeld. Wel of niet de onafhankelijkheid accepteren en tegelijk was er de bezorgdheid over de grote groep in kampen geïnterneerde Nederlanders. 

Over de veel grotere groep Indo-Europeanen die buiten de kampen hadden weten te overleven maakt men zich aanmerkelijk minder zorgen. De Nederlandse regering had grotere zorgen, de schatkist was immers leeg. Om de schatkist weer aan te vullen werd de propaganda machine opgestart met berichten over het zware lot van de gevangen Nederlanders en negatieve berichtgeving over Soekarno die met de Jappen gecollaboreerd zou hebben en nu een communistische staat van Indië wilde maken. De onderliggende doelstelling (geld) werd zo goed mogelijk uit de publiciteit gehouden. Dat gebeurde al eerder. O.a. in 1902 toen het Rhemrev-rapport vakkundig in een onvindbare ‘openbare lade’ van een ministerie werd opgeborgen. Het Rhemrev-rapport werd omstreeks 1985 ‘herontdekt’ door de Amsterdamse hoogleraar Jan Breman. Het gaf hem aanleiding tot het schrijven van zijn boek ‘Koelies, planters en koloniale politiek’. Het Rhemrev-rapport en het protest pamflet  van Mr. J. van den Brand 'De miljoenen van Deli’ zijn integraal in Bremans boek opgenomen en geven een verschrikkelijk beeld van de arbeidstoestanden op de plantages van Sumatra's Oostkust.

Onlangs verklaarde demissionair minister Rosenthal dat zijn regering geen geld (3 miljoen) beschikbaar zou stellen voor een nieuw Indië-onderzoek. Het NIOD, het NIHM en het KITLV hadden vlot uitgerekend dat zij met dat bedrag onderzoek konden doen naar het door Nederland gebruikte geweld tijdens de dekolonisatie periode. Hiermee werd bedoeld onderzoek naar de gevolgen van de aanwezigheid van Nederlandse militairen die pas vanaf maart 1946 op o.a. Java de positie van de Engelsen over mochten nemen. Het gezamenlijke onderzoek zou dus vanaf maart 1946 tot aan de laatste coup poging door ex-kapitein Raymond Westerling in januari 1950 met zijn eigen legermacht(je) de APRA. In hoeverre het door Nederland gebruikte geweld tot aan de overdracht van Nieuw-Guinea in 1962 onderzocht zou worden is niet duidelijk. 

Er was echter nóg een periode waarin veel geweld werd gebruikt en vooral veel mensen zijn vermoord. Door de arrogante en onverzoenlijke houding van de Nederlandse regering veranderde de feestelijke stemming in Indië over de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945  in geweld acties en moordpartijen  op de nog in Indië aanwezige Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs die er van verdacht werden met de Nederlanders te heulen. De Indonesiërs wilden een duidelijk signaal afgeven aan de geallieerden én aan de Nederlandse regering dat zij onder geen beding terug wilden naar de jaren van weleer. De onlusten in de verschillende steden op Java begonnen in september 1945. Die drie miljoen Euro die nodig zijn voor het onderzoek zijn vermoedelijk te weinig als je het dan toch samen met de Indonesiërs gaat doen. Als al die onderzoeksbeperkingen bij het niet zo heel openbare Nationaal Archief worden opgeheven komt er genoeg nieuw geld binnen voor een veel groter onderzoekHet onderzoek kan dan  na een korte voorgeschiedenis beginnen vanaf 18 augustus 1945. Dus ruim voor de terugkeer van het Nederlands gezag en ruim voor dat de politionele acties opgestart werden.

De periode na 18 augustus 1945 was de door de Nederlanders genoemde Bersiap-periode een term die nauwelijks bekend is onder de Indonesiërs. De Indonesiërs beschouwen deze periode en de aanwezigheid van de Nederlandse militairen vanaf maart 1946 als de Merdeka of de Revolusi Sosial. De twee belangrijkste nationalistische leiders Soekarno en Hatta proclameren op 17 augustus de onafhankelijkheid van Indonesië terwijl de hoofdbewoner van de villa, de Japanse Admiraal Maeda Tadashi op de bovenetage lag te slapen. Alhoewel de nationalisten al in 1944 waren begonnen met voorbereidingen was er in augustus 1945 nog geen sprake van goed georganiseerde nationale eenheid. De door de Japanners getrainde jongeren tussen 14 en 30 jaar waren geen betrouwbare en goed bewapende legereenheid die de nieuwe rechtsorde zou kunnen implementeren. Voor de nationale communicatie werd het voormalige Japanse radiostation gebruikt maar deze zender bereikte niet iedereen. 

Er was nationale verwarring en er ontstonden lokale interpretaties over de wijze waarop de onafhankelijkheid bereikt moest worden. Islamitische fundamentalisten en communistische groeperingen die radicaler waren dan de vaak wat oudere nationalisten die de weg van de dialoog voor stonden, werden geïntimideerd en tot onlusten en rooftochten aangezet. Veelal onder aanvoering van de lokale onderwereldfiguren die als kleine ‘warlords’ ook tijdens de Japanse bezetting en in de vele jaren daarvoor de onderkant van het sociale leven op geheel Java hadden bepaald. Het waren juist deze kleine bendeleiders die een grote invloed hadden op de bevolking van de vele kampongs en daarmee ook van grote invloed waren op de moorddadige gebeurtenissen die zich tijdens de Bersiap-periode zouden afspelen. Soekarno en zijn regering hadden nauwelijks invloed op hen en de invloed van de bendeleiders zou pas in de jaren ’80 van de vorige eeuw afnemen. 

De bevolking van het door de Japanners uitgemolken en verzwakte land hadden echter één gezamenlijk doel. De grote hongersnood op Java in 1944 zou meer dan 3 miljoen mensen het leven kosten en lag nog fris in het geheugen van de overlevenden die allen wel een of meerdere familieleden waren verloren. De doelstelling van de nationalisten was duidelijk. Géén terugkeer naar de dagen toen de Hollanders de dienst uitmaakten. Het is uiteraard een theoretische vraagstelling, maar hoe zou de geschiedenis verlopen zijn als de Nederlandse regering terstond en onvoorwaardelijk de onafhankelijkheid van Indonesië op 18 augustus 1945 had erkend? Vanwege de slechte radioverbinding in die periode had dat natuurlijk ook 19 augustus mogen zijn. Maar stel dat! Zouden dan die 5000 Nederlandse soldaten niet zijn gevallen tussen 1946 en 1949. Zouden dan die mogelijk meer dan 200.000 Indo-Europeanen die niet in de kampen zaten het overleefd hebben? Zouden de in de kampen geïnterneerden dan werkelijk weer vrij zijn geweest na 18 augustus 1945 waardoor zij eerder geholpen hadden kunnen worden met voeding en medicijnen. En zou de exodus van meer dan 350.000 personen naar Nederland en andere landen dan anders zijn verlopen? Deze vragen zouden eveneens afgewogen kunnen worden in het onderzoek wat (voorlopig) door de huidige regering is afgewezen. Mogelijk komt uit het onderzoekresultaat naar voren dat een van de belangrijkste oorzaken van de geweldsexplosie vanaf oktober 1945 juist door de starre houding van de toenmalige Nederlandse regering is veroorzaakt.

Op 18 oktober 1945 nam Julie van der Steur een ‘Andong’ (rijtuig) vanuit de wijk Mr. Cornelis in Batavia. Zij was op weg naar het treinstation om naar Bandoeng te kunnen reizen. In de jaren ervoor had Julie zich op de vlucht voor de Japanse militaire politie schuilgehouden in Batavia. En weten te overleven door zich in het hol van de leeuw te bewegen. Haar vroegere schoolvriendin Marie was met een op Java geboren en tot Nederlander genationaliseerde Japanner getrouwd en samen met haar echtgenoot werkte Marie in een Sakurai Kantoor. Een handelsonderneming waar de Japanse militairen en ambtenaren hun uit Japan afkomstige boodschappen konden halen of laten bezorgen. Het kantoor was gevestigd in de zeer bevolkte handelswijk Mr. Cornelis. De bevolking bestond als vanouds uit veel Chinezen, gemengdbloedigen (Euro-Aziaten) en een laag percentage Nederlanders. Julie had zich goed schuil kunnen houden in de nauwe straatjes achter de grote markt. 

Julie had haar Indische uiterlijk mee. Zij had haar verschijning weten te benadrukken door haar diep zwarte haar strak naar achteren te kammen en een haar staart tot een knotje te vormen. Zij droeg kleding zoals bij de inlandse vrouwen gebruikelijk was en liet niet merken dat zij uitstekend Nederlands sprak. Door haar kleine en magere gestalte onderscheidde zich nauwelijks van de inlandse vrouwen. Toch was het in het voorjaar van 1945 bijna mis gegaan. Waren het haar ogen die gemiddeld groter waren dan de ogen van de Javaanse vrouwen? Of was het haar angstige oogopslag die een dienstdoende Indonesische politie agent alarmeerde? Julie werd staande gehouden terwijl zij voor een boodschap op de bedrijfsfiets van Marie onderweg was. De politieagent vertrouwde haar antwoorden niet en boeide haar met een hand aan haar fiets. Onderweg naar het politiebureau waarschuwde Julie omstanders zo vaak als mogelijk om Marie op de hoogte te stellen van haar arrestatie. Julie werd opgesloten in een vochtige donkere cel in afwachting van verhoor door de leidinggevende Japanse politie. Julie heeft er twee dagen en nachten door gebracht. Het angstzweet had plaats gemaakt voor koud zweet en een longontsteking. Toen de celdeur werd geopend kreeg Julie het bevel om mee te komen. Zij werd in een auto geplaatst en tot haar grote verbazing naar de achterkant van een groot landhuis gereden. 

Het was niet ver van Kampong Makassar. Achteraf zou blijken dat Marie een goed woordje voor Julie had gedaan bij de hoofdbewoner van het grote oude koloniale landhuis. De hoofdbewoner was Kapitein Tanaka Kentaro een goede klant van het Sakura Kantoor. Marie had verteld dat Julie tuberculose had en Kentaro wilde haar om die redenen niet opsluiten in het nabij gelegen burgerkamp Bunsho I Kamp 9. Julie zou tot eind augustus 1945 in de kleine bijkeuken van het grote landhuis verblijven. Zij hielp de inlandse Kokkie met hand en span diensten in de keuken en kroop weg als de Japanse medewerkers van Kentaro zich op de terrassen ophielden. Pas eind augustus durfde Julie de bijkeuken en het terrein te verlaten. De geruchten over de Japanse overgave bleken waar te zijn. Julie wandelde angstig en onzeker naar Mr. Cornelis terug, de wijk waar haar vrienden zich zouden bevinden.  De huizen, wegen en zijstraten waren de voorgaande jaren slecht onderhouden en veel tuinen en perken waren als groentetuin in gebruik genomen. Er was veel volk op straat. Opgewonden strijdkreten roepend. De volwassenen en jongeren zagen er mager en onverzorgd uit en de vele straatkinderen trachten met bedelen hun kostje bij elkaar te scharellen. Nog geen zeven weken later werd Julie opnieuw vastgenomen en per vrachtwagen en trein naar de Oude Boei gevangenis in Cheribon vervoerd. Julie zou daar zeven maanden en onder zeer zware omstandigheden verblijven.

Een tante van Julie zou de Bersiap-periode niet overleven. Onlangs werden er twee uitzendingen uitgezonden door Omroep Max. Het betreft een tweedelige documentaire-serie die op zondag 12 en 19 augustus werden uitgezonden. De documentaire begint met een historisch overzicht van de periode vóór de Bersiap-periode die vanaf de tweede week van augustus 1945 die het gehele eiland van diverse brandhaarden zou voorzien. De documentaire is gemaakt door Pia Media. Op hun verzorgde website www.archiefvantranen.nl kan men het uitgebreide dossier lezen wat de aanleiding zou zijn naar nog meer research en uiteindelijke de tweedelige documentaire. Op de website word vermeld (ik citeer) dat er naar schatting 20.000 Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen werden vermoord door Indonesische extremistische strijdgroepen, de pemoeda’s, die zich gevormd hadden na het uitroepen van de onafhankelijkheid op 17 augustus 1945 – Het is aldus een schatting, gemaakt op basis van diverse tellingen en bronnen. Er zouden echter veel meer slachtoffers genoemd kunnen worden. Er werden immers ook veel Indonesiërs vermoord omdat men hen er van verdacht bevriend te zijn met Nederlanders.

In deel twee van de sobere en soms zeer aangrijpende documentaire wordt o.a. de moord op Oma Deuning besproken en er word op locatie gefilmd in de afgelegen Desa Ngadireso. Victorine Deuning woonde in de buurt van de bijna volledig uitgemoorde familie Engelenburg. Hans Vervoort heeft hier eerder al eens over geschreven. En er moet wat rechtgezet worden. In de documentaire word gesteld dat Oma Deuning géén eigen kinderen zou hebben. Victorine was de weduwe van Georgius Gerardus Deuning. Georgius was enige jaren eerder overleden. Georgius was een oudere broer van de moeder van Julie van der Steur, Charlotte Deuning. Victorine Deuning was eerder getrouwd geweest met Albert Karel Frederik Le Febre. Een huwelijk waarin zij vier kinderen zouden krijgen waarvan er twee reeds op jonge leeftijd overleden. 

Het huwelijk hield geen stand en in 1907 is de scheiding uitgesproken. In 1909 trouwde Victorine met Georgius, zover bekend hebben zij samen geen kinderen gekregen. Dochter Pauline uit het eerste huwelijk van Vicorine trouwde met Lodewijk L. Leenderts. De eerst geboren dochter van Lodewijk en Pauline werd Sonja genoemd. In de documentaire komt Sonja van der Hoff-Leenderts aan het woord en doet levendig verslag van haar contacten met haar eigen grootmoeder die in de documentaire haar kinderloze stiefmoeder wordt genoemd. Deze kleine details doen verder niets af aan wijze waarop de dramatische ontwikkelingen in beeld worden gebracht. Het bewijst echter ook hoe moeilijk het is om gedetailleerd onderzoek te doen naar de gebeurtenissen op Java tussen 1942 – 1949. In een land waar de gemeente en kerk registers en veel andere documenten en foto/filmmateriaal door de opgewonden Indonesiërs in brand zijn gestoken.

Julie en haar moeder Charlotte hadden na hun aankomst in Nederland geen fotoboeken of brieven van ‘vroeger’ in hun schamele bagage, zij hadden niets meer. Hun huizen en andere bezittingen waren geconfisqueerd of in brand gestoken. Van enige compensatie is nooit sprake geweest. De nieuwe Nederlandse regering liet beleefd weten dat het gebeurde in Indië onder een volstrekt andere regering had plaats gevonden. Het Nederlandse volk liet weten dat zij toch wel zo veel meer hadden geleden dan de repatrianten. Ja, daar wordt je wel stil van. Charlotte kwam uit een gezin van 15 kinderen en is opgeroeid in het landelijke Boyolali in de omgeving van Solo. Door trouwerijen ontstond een familie die in 1942 bijna honderd personen telde. Meer dan zeventig familieleden hebben de bezetting en de Bersiap niet overleefd. Hun stoffelijk overschotten liggen over Java, Sumatra, Thailand, Japan, Singapore en veel andere buitenplaatsen verspreid. 

Niet allen zijn (her)begraven op de vele oorlogskerkhoven en erevelden. Victorine is op 27 oktober 1945 vermoord omdat zij een Nederlandse achtergrond zou hebben. Als ik naar de prachtige sawa beelden van Michiel Praal kijk dan hoop ik dat de geest van Victorine in de buurt van haar huisje en bij de verstilde sawa’s alsnog rust heeft gevonden. In 1948 groef de Nederlandse Opsporingsdienst Overledenen 39 slachtoffers op die in de omgeving van het huisjes van Oma Deuning werden vermoord. De slachtoffers zijn herbegraven op Ereveld Kembang Kuning. Toen ik de beelden in de documentaire zag en de mensen hun soms zeer emotionele verhaal hoorde vertellen hoorde ik in de verte het ingehouden verdriet van mijn moeder Julie. Dan weer stil en dan soms wat luider. Het was diep weggestopt verdriet over ‘vroeger’. Verdriet waar zij niet over kon praten. Maar waarom leeft dat verdriet en verlies ‘van vroeger’ ook zo in mij? 


Tijdens de Atjeh periode 1874- 1918 werd door de 
Nederlandse militairen veel geweld gebruikt. 




Het blauwe deel van de Nederlandse vlag werd verwijderd







De villa waar de proclamatie werd voorgelezen is heden een museum


K. Wilhelmina laat ondertussen blijken dat zij er geen snars van begrepen heeft. 








Victorine Deuning-Anthonio voor haar huisje

1948 Ereveld Kembang Kuning Soerabaja


roosjeroos.nl

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1946 - herstellen, verzamelen en vertrek naar Nederland

Julie werd op 26 april 1946 na haar aankomst op station Manggarai direct geconfronteerd met de in Nederlands-Indië teruggekeerde Nederlandse bureaucratie. Zij werd opgevangen door oud medewerkers van het NICA (Netherlands Civil Administration) intussen omgedoopt tot AMA-CAB (Allied Military Administration – Civil Affair Branch). Ondanks de vaak onbeschrijfelijke toestanden die waren ontstaan na het eenzijdig uitroepen van de Indonesische Republiek in augustus 1945 en vervolgens na het uitbreken van de Bersiap was men er in geslaagd om vanaf  oktober 1945 meer dan 220.000 Hollandse volwassenen en kinderen op te vangen, te verzorgen en te evacueren. De trein waar mee Julie eind april 1946 uit Cheribon was vervoerd  was een ruilhandel geweest tussen de nationalisten de geallieerden en de Nederlandse legerleiding. Vanaf station Gombong waren in de zelfde dagen van april ‘46 gezinsleden van TNI militairen vertrokken naar gebieden waar het geallieerde gezag (nog) geen greep op had.

Het in 1943 op Ceylon (Sri Lanka) gevestigde geallieerde commando heeft onder leiding van Lord Louis Mountbatten het RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees) opgericht. Deze dienst had als taak om gevangenen op te sporen, te voeden, aan te kleden en te evacueren. Eerst op verzamelpunten en daarna naar hun thuisland. In Nederlands-Indië hebben meer dan 10.000 RAPWI medewerkers meegeholpen aan deze succesvolle operatie. Julie werd na aankomst doorverwezen naar kamp Tjideng wat nog geopend was voor evacuees en waar zich ook een ziekenboeg bevond waar de ernstige beriberiverschijnselen van Julie behandeld konden worden. Julie had last van desoriëntatie en moeite met haar geheugen. Uiteraard vertoonde zij ook ondervoedingsverschijnselen. Men had veel ervaring met dit soort patienten en Julie knapte binnen een aantal weken enorm op. Tijdens haar wandelingetjes door kamp Tjideng ontdekte zij dat er verschillende kantoren van de AMA-CAB (voormalig NICA) waren gevestigd waaronder een klein hulp-postkantoor en een afdeling ‘werkverschaffing’ onder leiding van Kapitein Krijgsman.

Kapitein Krijgsman was verantwoordelijk voor het inhuren van ‘inlanders’ (zo werden zij weer genoemd) die tegen betaling wilden werken aan het opknappen van wegen en straten van Batavia. De diensten van Julie kwamen goed van pas. Zij sprak Maleis en Javaans en men kon gebruik maken van haar opleiding als 4talige stenotypiste. Kapitein Krijgsman en zijn collega Kapitein Voerman hebben Julie geholpen aan nieuwe persoonsbewijzen en ook haar status als echtgenote van een Luitenant bij de Marine laten bevestigen. Over het welzijn van haar echtgenoot William die in Amerika zou verblijven kon men indertijd geen uitsluitsel geven. Hierover zou Julie pas meer horen in december 1946 nadat zij in Nederland was aangekomen. Over het lot van haar vader Ferdinand Pieter van der Steur was ook niets bekend geweest.

Julie heeft enige maanden op het kantoor van Krijgsman gewerkt in afwachting van de uitkomst van een onderzoek wat door Pro Juventute Batavia op gang was gebracht. Pro Juventute was de toenmalige ‘kinderbescherming’ die al meer dan 50 jaar actief was in vele delen van Nederlands-Indië. In juni 1946 had Julie met hulp van Krijgsman een vlucht kunnen maken met een Dakota postvliegtuig die een dagelijkse verbinding had met Bandoeng.  Eenmaal in Bandoeng aangekomen had zij haar moeder niet in de oude wasserij aan de Merdikaweg gevonden. Die was in brand gestoken door strijdlustige jongeren. Moeder Charlotte verbleef in een opvangkamp (afgeschermde woonwijk) met Julie’s zoontje Billy. Ukkie Sombeek de oud PTT collega van Julie woonde nog wel in haar huis in een wijk van Bandoeng. Sombeek had Julie’s tweede kind vanaf zomer 1943 opgevangen en Ted was inmiddels bijna 5 jaar oud en herkende zijn moeder nauwelijks.

Ukkie Sombeek weigerde kleine Ted terug te geven. Zij beschuldigde Julie ervan gecollaboreerd te hebben met de Japanners en zelfs als Jappenhoer voor hen gewerkt te hebben. Hierin werd zij gesteund door de jongere broer van haar echtgenoot William Dobson, Jim. Ukkie en Jim hadden een aanklacht bij Pro Juventute Bandoeng tegen Julie ingediend en in afwachting van de uitkomst van een onderzoek moest Julie onverrichterzake terug keren naar Bandoeng. Het bewijs wat Ukkie aanvoerde was mager en gebaseerd op roddels maar ingegeven om op die wijze Ted bij zich te kunnen houden. Julie was door de jaren heen verschillende keren in de bedrijfskleding van een Japanse Sakura winkel naar Bandoeng gekomen. Ook haar raadselachtige verdwijning in de zomer van 1943 zou bewijs moeten zijn. Julie heeft met hulp van Krijgsman en Voerman voldoende positieve getuigenverklaringen in Batavia en Bandoeng kunnen verzamelen waardoor de maatschappelijk werker van Pro Juventute uiteindelijk en tegen zijn zin formeel toestemming moest geven voor ‘gezinshereniging’.

Terwijl Julie in afwachting van het onderzoek hard werkte in het kantoor van Krijgsman verscheen er een sjofel geklede en broodmagere man op kantoor. Het was Boy. Julie had sinds 1943 niets meer van hem vernomen en had gedacht dat hij was omgekomen. Boy bleek jarenlang onder verschrikkelijke omstandigheden als dwangarbeider voor de Japanners gewerkt te hebben. Hij was pas onlangs in Batavia aangekomen en zocht werk. Boy had gehoord dat er een werkverschaffingskantoor in kamp Tjideng was maar wist niet dat zijn zus daar zou werken. Voor Julie was het duidelijk. Zij wilde niets liever dan vertrekken en de moeizame jaren achter zich laten. Julie wilde haar echtgenoot weer terug zien en een nieuw leven opbouwen in een land waar geen onrust zou zijn.

September 1946- Julie verneemt in Bandoeng dat haar echtgenoot is omgekomen



Moeder Charlotte, Julie en de twee kinderen kregen toestemming om als gezin van een omgekomen Marine officier naar Nederland te repatriëren. Julie had graag haar jongere broer Boy (Gerard) mee naar Nederland genomen.
Voor Boy lag dat anders. Hij verweet hun vader en moeder dat hij door hen in de steek was gelaten toen hij op 11 jarige leeftijd naar het kinderhuis van hun Pa van der Steur was gestuurd. De doelstelling van Pa van der Steur was opvang en integratie van verweesde Indo-kinderen in de Indonesische samenleving. Als neef van Pa had Boy altijd wel een streepje voor gehad en Boy voelde zich nauw verbonden met zijn vrienden uit het Instituut van Pa en wilde hen niet in de steek laten. Het was zijn familie geworden. Boy is met zijn gezin, nadat President Soekarno in 1958 alle Nederlandse bedrijven uit woede over het verblijf van de Nederlanders in Nieuw Guinea had genationaliseerd medio 1959 berooid in Nederland aangekomen. Zijn droom om als door de Nederlanders goed opgeleide Indonesiër mee te helpen de nieuwe natie op te bouwen was niet uitgekomen. Hij werd ondanks zijn inzet nog steeds beschouwd als Nederlander en kon aldus niets anders dan vertrekken. Dit lot zou ook veel achtergebleven ‘oud Steurtjes’ treffen.

Terwijl eerder in Nederland en Indonesië voorbereidingen waren getroffen om met elkaar in 'gesprek' te gaan in het vakantiedorp Linggadjati zijn Julie, Ted en Billy met oma Charlotte op 25 oktober 1946 met de Ms. Klipfontein vanuit de haven van Tandjong Priok naar Nederland vertrokken. Veel bagage hadden zij niet. Al hun goederen en bezittingen waren in beslag genomen, verkocht, verdwenen of verbrand. 966 berooide passagiers die met gemengde gevoelens naar de langzaam uit het zicht verdwijnende kade keken. Tijdens een tussenstop in Ataka werd warme kleding uitgedeeld. Bij de aankomst in Rotterdam op 20 november was het koud geweest. De ramen van de bussen op weg naar de ‘contractpensions’ waren snel beslagen door de nieuwsgierige en onzekere laatste adem uit Nederlands-Indië. 






Het was altijd druk in de hoofdstraat van Meester Cornelis een buitenwijk van Batavia waar Julie jarenlang in de buurt woonde



1907 Pa van der Steur (overleden 16 september 1945) 
met Koninklijke onderscheiding en 8 van zijn Indo jongens.

Pa en zijn medewerkers hebben duizenden jongeren, geboren 
uit euro-indische relaties een tehuis ofwel een thuis gegeven. Het lot van van de vele Steurtjes die na de oorlog niet naar Nederland zijn gekomen is nog niet onderzocht.



Door Pemoeda's vernielde woning van Nederlanders tijdens 
de Bersiap periode 1945-1946



In veel huizen werden lijken gevonden, wat was deze jongeman overkomen? 
Honger, geweld? 
Door geweld en honger zijn er tijdens de periode 1942 - 1946 buiten de kampen 
meer dan 4 miljoen Indonesiërs in Nederlands-Indië omgekomen. 
Slechts zelden wordt dit feit in alle verhalen rond Indië genoemd.

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande. 


Een RAPWI kantoor in het bekende Hotel des Indes Batavia/Jakarta



Een platte grond van het beruchte kamp Tjideng wat later ook werd gebruikt als 
kantoor voor de RAPWI-NICA en AMA-CAB - Julie werkte vlak bij blok IV



Een kade met zwaaiende mensen van de haven van Tandjong Priok 1946


Een foto van Ms. Klipfontein het schip waarmee Julie met haar moeder 
en kinderen mee naar Nederland zou varen in oktober 1946.

Als je niet uit Nederland kwam dan kwam je uit een ander cultuur en dus had je volgens de Nederlanders in die jaren vanzelfsprekend een culturele achterstand.



De Terugkeer is een strip van Eric Heuvel en Ruud van der Rol gemaakt in opdracht 
van het Indisch Herinneringscentrum BronbeekDe strip is ontwikkeld 
om als lesmateriaal te gebruiken. 

De titel gaat echter in het geheel niet op voor mensen zoals Julie en veel andere 
Indo's die nooit eerder in Nederland waren geweest.

Voor hen was het vertrekken om vaak nooit meer terug te keren. 
Het stripverhaal is nog te koop.



Een veelzeggende pagina uit De Terugkeer



Indo's aan het woord in De Terugkeer


jaaroverzicht 1946 

Jaren later riep de Nederlandse overheid opeens dat Ned.-Indië eigenlijk 
een 'apart' land was geweest. Er is nog steeds een 'Back Pay' discussie gaande. 


  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS