1943 deel 4 - de witte vlag met de rode bal

De witte vlag met de rode bal had het rood, wit en blauw in het straatbeeld vervangen. Nederlands spreken was streng verboden en omdat de Japanners zich bewust waren van het feit  de bevolking nog Japans moest leren lezen en schrijven was Maleis als tweede taal toegelaten. Toespraken en teksten stonden echter onder streng toezicht van de Japanse censuur.

10 jaar eerder fietste de bijna 13 jarige Julie vanuit haar pleeggezin nog door een schoon en lommerrijk Bandoeng naar haar school of de katholieke kerk. Haar vader was inmiddels naar de Filipijnen vertrokken. Haar moeder had een scheidingsverzoek ingediend en het broertje van Julie was ondergebracht bij het weeshuis van Pa van der Steur. Julie was vervreemd van haar moeder en zocht troost in vlijtig werken op school en het devoot bidden in de kerk. Nog in 1940 had haar toenmalige pastoor tegen Julie gezegd dat haar huwelijk met William die immers niet gelovig was, niet door de Kerk erkend zou worden. Zij zou met een heiden samenleven en Julie was hierdoor een afvallige geworden.

Innerlijk woedend had zij de kerk verlaten en zichzelf beloofd nooit meer terug te keren. Nu in 1943 moest zij een nieuwe taal leren (Japans) en mocht Julie geen Nederlands meer spreken maar moest bevelen opvolgen van Japanners en Indonesiërs.  Julie beschouwde het als een schrale troost dat haar voorkomen zo ‘Indisch’ was waardoor zij minder op viel. Innerlijk voelde zij zich net zoals als in 1933. Julie voelde zich eenzaam, verlaten, opgejaagd zonder enig perspectief en vooral zonder een maatschappelijke maar vooral uitzichtloze positie in het nieuwe Indonesië. Zoals zovelen had ook Julie geen enkel idee hoe lang de ontstane situatie zou gaan duren. 

De Japanners wilden zo snel mogelijk de Indonesiërs omvormen tot een weerbare troepenmacht tegen het oprukkende westen maar hen ook inzetten als werkend onderdeel voor de voedsel, brandstof en oorlogsmateriaal productie. Het hongerige Japanse leger moest dagelijks bevoorraad worden. Ook Java werd  naar Japans model gereorganiseerd. Het kan gezien worden als een soort piramide systeem met in de top de Japanse militaire leiding met daaronder telkens organisatie niveaus waarin steeds meer Indonesiërs vrijwillig of niet werden betrokken.

Het Japanse Tonari Gumi(burenhulp) systeem werd gekoppeld aan de vergelijkbare traditionele Javaanse gotong royong ofwel wederzijdse hulp. De Japanse militaire scholingsprogramma’s waaronder vechtsporten, gesimuleerde gevechten met houten geweren en correct marcheren kwamen tegemoet aan de behoeftes van de Indonesiërs. Dergelijke exercities waren tijdens het Hollandse bewind immers verboden geweest uit angst voor opstanden.

De Fujinkai was de belangrijkste vrouwenbeweging op Java.  Het was ook de enige en in hoofdzaak bedoeld om de inlandse mannenorganisaties te steunen bij de verdedigingsactiviteiten tegen buitenlandse vijanden. Als vrouw moest je wel een heel goed excuus hebben als je niet mee wilde doen aan deze ‘vrijwillige’ beweging.

De vrouwenbeweging stond net zoals bij de Heiho, Romusha, Seinandan en Keibodan bewegingen onder streng toezicht van de Japanse bezetters. Jongere vrouwen konden zich aansluiten bij de Srikandi Brigade. Daar krijgen zij eerste hulp lessen, zelfverdediging en het bereiden van maaltijden voor het vrijwillig leger.

Achter het Kawat ofwel in de kampen waar  inmiddels meer dan 100.000 Nederlanders gevangen zaten had men geen idee wat zich buiten de bamboewanden en het prikkeldraad afspeelde. De geruchtenmachines draaiden weliswaar op volle toeren en werden aangevuld met nieuws meegebracht door nieuwe bewoners die zich vrijwillig of niet hadden gemeld bij de kampleiding. Honger in de kampen werd mede veroorzaakt door grote voedselschaarste buiten de kampen.

De ‘vrijheid’ van de Indo-Europeanen die buiten de kampen leefden was aan zeer grote beperkingen onderhevig. Zij moesten voortdurend vrezen voor verraad, valse beschuldigingen en ontrouw aan het Indonesische vrijheidsideaal of voor het grillige gedrag van de Japanners. Het aantal overleden ‘binnen-kampers’ inclusief doodsoorzaak is goed onderzocht (1 op 8). Het merendeel is overleden door ondervoeding en ziekte. De Japanners hadden echter geen uitroeiingsplan (Endlösung) zoals de Duitsers dat hadden. Er is weinig bekend omtrent de aantallen Indo-Europeanen (volwassenen en kinderen) die door verraad, marteling en uithongering buiten de kampen zijn omgekomen. Dit aantal zou wel eens vele malen groter kunnen zijn dan de dodentallen binnen de kampen. Het aantal slachtoffers buiten de kampen vanwege de grote hongersnood op Java wordt geschat op meer dan 4 miljoen personen.

Deze grote hongersnoodis geheel en al te wijten aan de onmacht van de Nederlandse regering en haar leger en vervolgens aan het militaire Japanse regime. De desastreuse hongersnood vanaf 1943 tot 1945 wordt zelden of nooit vermeld in de verhalen uit de interneringskampen of tijdens herdenkingen. Volwassenen en kinderen die binnende interneringskampen hebben geleefd hebben  collectieve en individuele ervaringen die soms overeenkomen, soms zeer verschillend zijn terwijl het over het zelfde kamp gaat (lees de boeken over Kamp Tjideng).  De vele kampverhalen die laten ‘los kwamen’ kunnen een grote hulp geweest zijn bij de verwerking.  Voor buitenkampersgaat dit in veel mindere mate op. Er zijn immers veel minder getuigen die kunnen bevestigen dat het voor buitenkampers vaak net zo moeilijk was om aan voedsel en onderdak te komen. Ook de omstandigheden waaronder de buitenkampers de bezetting zijn doorgekomen kan in hoge mate verschillend zijn. Zij verbleven in de steden of anders verscholen op landerijen en dorpen. Maar de Jap was overal.

Langdurige periodes van honger en angst zijn grote stressfactoren en de voedingsbodem voor daden waar men jaren later geen weet meer van heeft. Als er nog herinneringen zijn wil men daar liever niet aan terug denken (ontkenning). De oude pijn die dan opwelt roept vaak andere herinneringen op omtrent het eigen gedrag of het gedrag van anderen (individuele schaamte & collectieve schaamte). De momenten dat je niet wilde delen of dat je voedsel van een ander pikte. Of dat jou eten ruw werd afgenomen door anderen die sterker waren (onrechtvaardigheid en boosheid). Je wilt vergeten en zo mogelijk vergeven. Als deze gevoelens jaren later terug komen dan werden die vaak weggewuifd met opmerkingen zoals: Ach iedereen had het toch moeilijk en slecht. Of: er waren mensen die het wel erger hebben gehad. Zoals zo veel Nederlanders die de aankomende ‘repatrianten’ meteen voorhielden dat zij (in Nederland) het hoe dan ook véél slechter hadden gehad dan de binnen en buitenkampers uit Nederlands-Indië.

                                                       Japanse soldaat met vlag



Julie schrijft in 1999 aan haar broer Boy (Gerard Eduard van der Steur) Uit de brieven kan opgemaakt worden dat zij voorheen nooit diepgaand over hun oorlogservaringen hebben gesproken. Hun ervaringen zijn dan ook zeer verschillend. Na ontvangst van de brieven schreef Boy niet terug maar werd er door hen getelefoneerd.


De Keizerlijk vlag wordt gehesen waar eens het KNIL trots paradeerde


Julie heeft meer dan 15 onthoofdingen verplicht moeten aanzien. De Japanners beschouwden onthoofdingen als een 'pedagogische maatregel' waar de achterblijvers van konden leren



Nog steeds verkrijgbaar 'De Japanse overheersing' DVD samengesteld door het NIOD


Heiho werving poster


Oproep in het blad "Pandji Poestaka" om tegen de Amerikanen en Engelsen te strijden


straatbeeld vanaf 1943 in Nederlands-Indië



Funjinkai de vrouwenbeweging als steuntroepen voor de mannen


De Japanners hadden het openbaar vervoer op Java snel op orde


Japanse propaganda 1944




In Nederland deden de kameraden ook hun best 



  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1943 deel 5 - van Bandoeng naar Cirebon

Begin juni 1943 verliet Julie zo onopvallend mogelijk de wasserij van haar moeder in Bandoeng. Het verblijf in de gevangenis van Bandoeng hadden haar angstig en onzeker gemaakt. Haar moeder en jongste zoon hadden haar regelmatig bezocht en zij had de briefjes of het gevouwen papiergeld uit zijn kinderknuistje altijd snel in haar bloes verstopt om deze later te kunnen lezen. Door bemiddeling van Indonesische vrienden kwam Julie vrij maar het was duidelijk dat zij beter uit het zicht van de Japanners moest blijven. Zij nam de bus naar Cirebon om onder te duiken bij een Indonesische vriendin. Julie had haar haren in een strak Javaans knotje gestoken en viel met haar kleine gestalte nauwelijks op tussen de Indonesische bevolking. In het blog van de Java Post beschrijft Frits J. Suyderhoudop informatieve wijze over de situatie in Bandoeng buiten de kampen. Net zoals Julie zou hij na afloop van de oorlog beticht worden van collaboratie. Voortkomend uit de toenmalige sfeer van frustratie, jaloezie, onderling verraad, geroddel en gebrek aan feitelijke informatie.

Julie zou op de vlucht blijven voor de Kempei Tai tot oktober 1945. Om in leven te blijven handelde zij in sieraden en andere kostbare voorwerpen van mensen die zich niet op straat konden of durfde te begeven. Zij verkocht de sieraden veelal aan Chinese handelaren in de marktwijk van Cirebon. Cirebon leek veilig voor Julie. Het was altijd al een echte stad voor Indonesiërs geweest en had weinig koloniale gebouwen. Er stond wel een relatief nieuwe gevangenis die Boei Lama werd genoemd. Een gedeelte van de verkoopopbrengsten was voor Julie en hiermee kon zij zich zelf in leven houden terwijl zij bij een Indonesische vriendin onderdak had. Toen het na enige maanden te gevaarlijk werd in Cirebon is Julie schielijk naar Batavia getrokken en heeft zich gemeld bij de Indische familie waar zij in de jaren 1938/1939 een kamer huurde toen zij als beambte bij de PTT van Batavia werkte.

Julie woonde in de wijk Meester Cornelis. Alwaar zij na enige maanden oud schoolvriendin Marie ontmoette die samen met haar Indonesische echtgenoot in een Japanse Sakurai-kantoor ofwel Japanse Toko, als bedienden werkten. In deze groothandel werden behalve voedsel ook Indonesische en Japanse luxe producten verkocht. De winkel werd druk bezocht door Japanse militairen en burgers en Julie verrichte hand en spandiensten waardoor het leek dat zij als medewerkster legitiem voor de Japanners werkte. Tijdens deze periode wisselde Julie herhaaldelijk van slaapplaats waardoor de kans op verraad verminderd werd. Op gezette tijden leende Julie het reispasje van Marie waarop een foto was aangebracht die sterk leek op Julie. In combinatie met het kaki kleurige bedrijfsjurkje van Marie voorzien van een geborduurde kersenbloesem durfde Julie het verschillende keren aan om naar Bandoeng te reizen om haar kinderen te bezoeken. Moeder Charlotte had inmiddels jongste zoon Ted afgestaan aan Ukkie Sombeek een kinderloze oud collega van de PTT Bandoeng. Zoontje Billy was bij moeder Charlotte in het grote huis naast de wasserij aan de Merdikaweg achtergebleven.

Terwijl Koningin Wilhelmina op circa 75 kilometer van Londen verbleef op het landgoed Stubbings House en samen met Prins Bernard kantoor hield op Chester square 77, maakte zij zich grote zorgen over o.a. Indië. Wilhelmina had meer dan ooit te brokkelen in de regeringsmelk omdat er geen parlement was wat haar controleerde. Ondertussen werd de echtgenoot van Julie,  William opgeleid op de luchtmachtbasis van Jackson  in Amerika. Julie had via de gecensureerde post vernomen dat William via Australië naar Amerika was vertrokken. Meer wist zij niet, pas na aankomst in Nederland december 1946 zou Julie vernemen hoe het haar echtgenoot was vergaan.

Midden 1943 was Nederland al weer drie jaar bezet door de Duitsers. Anton Deijmann was al maanden niet meer bij zijn echtgenote en kinderen aan de Marco Polostraat geweest. Zijn moeder woonde een straatblok verder eveneens in de Marco Polostraat. Zijn angst voor razzia’s was zeer gegrond en bracht hem er toe om veel onderduik adressen te hebben. Daar durfde Anton die inmiddels een ‘Ausweis’ had op naam van Ton van Dijk ’s avonds nog wel naar toe om ’s morgens heel vroeg weer te vertrekken. Veelal bracht hij illegaal verkregen etenswaren mee voor zijn moeder en vrouw en kinderen. Als Anton weer weg was dan werd het eten opgehaald door zijn vrouw. Anton leidde een zwervend bestaan tot mei 1945. Julie en Anton zouden elkaar in maart 1947 in een lunchroom aan het Leidseplein ontmoeten. Beiden hadden indertijd een geschiedenis van vluchten, onderduiken, honger, verlies, eenzaamheid, verraad, geweld, verdriet, achter zich. De overeenkomsten zijn de woorden niet de geografische achtergronden. Links Nederland verzette zich hevig tegen de aanstaande Politionele acties in Indië. Julie was in november 1946 in Rotterdam aangekomen met een troepenschip wat op de heenweg Nederlandse militairen naar Java had vervoerd. De oorlog was nog niet afgelopen voor Nederland.

Julie werd na aankomst in Nederland dagelijks geconfronteerd met haar afkomst. Haar kleine knappe Indische gestalte en haar donker gekleurde huidskleur met het prachtig golvende zwarte haar gaven de Nederlanders het idee dat zij jarenlang onder de tropische zon heeft kunnen genieten van klappermelk en heerlijke rijst. Julie had volgens de toen geldende opinie geen enkel recht op klagen en verdriet moest zij maar voor zich houden. Ook Anton was nog vol geweest van ‘zijn oorlog’. Hij was een charmante grote man. Hij werd vaak vergeleken met de indertijd zeer geliefde Engelse acteur Gary Grant. Anton was de Gary Grant van Restaurant Formosade indertijd bekende Tearoom aan de Kalverstraat waar nog jaren na de tweede wereldoorlog veel oud verzetsstrijders zich op zaterdagen zouden verzamelen.

Julie zocht bescherming na de bange jaren in Indië in het haar volstrekt onbekende Nederland waar zij sinds enige maanden woonde. Julie was net 26 jaar oud geworden en weduwe. Anton had in januari 1947 zijn vijfendertigtigste verjaardag gevierd bij zijn moeder en een echtscheiding aangevraagd. De oorlog had voor Anton en Julie alle bekende normen en waarden in een ander daglicht gebracht. Familie leden waren omgekomen. Families’ waren uit elkaar gerukt. Of hadden zich eventueel voor en tijdens de oorlog misdragen of waren door honger en ellende volledig van persoonlijkheid veranderd. Anton wilde Julie graag beschermen en wegwijs maken op zijn Amsterdamse grondgebied. Anton zocht iemand die hem uit de oude familiebanden en uit zijn verleden van armoede en gebrek aan kansen kon bevrijden. Beiden wilden hun trauma’s geen kans geven om over hen te heersen in een land wat zich uiterst moeizaam herstelde van vijf jaren overheersing door een vreemde mogendheid. Zij hadden elkaar.

Anton heeft nooit gevangen gezeten en is op wonderbaarlijke wijze voortdurend uit handen van Duitse bezetters gebleven. Julie heeft pas jaren later verteld dat zij tijdens de Bersiap-periode (oktober 1945-begin 1946) meer dan 7 maanden onder zeer erbarmelijke toestanden in oude smerige gevangenis te Cirebon heeft doorgebracht. Als het over de oorlog ging dan liet zij Anton het woord wel voeren. Haar oorlog telde immers niet echt mee! Hiermee mag niet verondersteld worden dat Anton geen oor voor Julie’s verleden had. Hij bemerkte vaak genoeg dat Julie volkomen dichtklapte als het over Indië ging. Zij trilde dan en keek met afgewend hoofd veelal betraand naar een lege hoek in de ruimte.  Julie zweeg tot 1971. Julie zwierf in Batavia 1944 tot voorjaar 1945 van slaapplaats naar slaapplaats. Julie was handig in het regelen van voedsel voor de mensen die haar onderdak boden. Zij werd geholpen door Marie en haar man die haar op de fiets boodschappen lieten doen voor de klanten van de Sakura toko. Waaronder het wegbrengen van boodschappen naar de bordelen waar met name Europese, Chinese en Indonesische meisjes onder dwang of vrijwillig hun diensten verleenden aan de Japanners. Indo-Europese meisjes en vrouwen werden over het algemeen niet geronseld voor deze bordelen omdat er bij de Japanners groot wantrouwen was ten opzichte van Indo meisjes (Bart van Poelgeest 1994).

                                                            Chinese Toko 



















                         Japanse winkel in Jogyakarta met filiaal in Batavia 

Uit een Japans fotoboek 




Het onderkomen van Koningin Wilhelmina in 1943 - Stubbing House
Wilhelmina's rede voor Radio Oranje op 2 september 1943 baarde verbazing en kritiek:

'Ik wil u thans enkele mededelingen doen omtrent hetgeen er hier wordt voorbereid voor het tijdstip uwer bevrijding. Een aanzienlijk aantal landgenoten is opgeleid voor de uitvoering van de reeds eerder door mij genoemde staat van beleg. Zij zullen onder leiding van een militair belast worden met de uitoefening van het militair gezag. Dit militair gezag zal op het uur der bevrijding aanwezig zijn'.

Wilhelmina had schoon genoeg van het parlementaire gedoe van voor de oorlog.  De door Wilhelmina aangekondigde veranderingen bleken in 1945 geheel anders uit te pakken wat Nederlands-Indië betreft. 


Een reactie van J.H. Doorn in de illegale Oranje krant op deze toespraak liet een ander geluid horen;

Wilhelmina in gesprek met Engelandvaarders 1943


Amsterdam 1943 - een zeldzame foto van een razzia

Een winkel etalage in Amsterdam 1943

Een winkeletalage in Amsterdam met SS propaganda - 1943

Het Hinomaru Hotel in Solo met een bekende naam voor Japanse bordeelbezoekers
De Japanse vlag wordt ook Hinomaru genoemd 



  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1944 deel 6 - van Cirebon naar Batavia

Na een verblijf van enige maanden in Cirebon voelde Julie zich niet meer veilig. De havenstad werd door steeds meer Japanners bemand en er werden ook steeds vaker Indo’s opgepakt om als dwangarbeider elders te moeten werken. Julie vertrok in december 1943 naar Batavia en had voorlopig onderdak bij een Indonesische familie. Na enige maanden ontmoette zij door toeval haar oud schoolvriendin van de Bandoengse HBS, Marie (vermoedelijk Carpentier)  die reeds jaren getrouwd was met een Indonesiër. Marie en haar echtgenoot werkten beiden in een Sakura Toko in de buurt van de markt van Meester Cornelis, een buitenwijk van Batavia.

De sociaaleconomische situatie in Batavia was zeer verslechterd in 1944. Er werd al grote druk op de Japanners uitgeoefend door de oprukkende Amerikanen. De Japanse regering had ook het militair gezag op Java opgedragen om meer (dwang) arbeiders, voedsel en materiaal te verschepen naar Japan en de andere oorlogsgebieden. Het voedseltekort was overal voelbaar en de zeer verarmde bevolking had nauwelijks geld om het schaarse en dure voedsel te kunnen betalen. Iedereen met een klein beetje grond of achtertuin verbouwde wel iets, terwijl anderen hierin trachten te handelen. Toch zijn er in die periode meer dan 250.000 mensen door honger en ziekte gestorven in en rond Batavia. Over geheel Java zijn in de periode meer dan twee miljoen personen overleden.

In de Sakurai Toko waar Julie af en toe mee hielp kwamen veel Japanners boodschappen doen. D.w.z. er kwamen ook veel tot Japanner genaturaliseerde Koreanen die meestal een lagere rang hadden dan de beter opgeleide ‘echte’ Japanners. Een van de vaste klanten van de Toko was Kapitein Kentaro Tanaka de commandant van Kampong Makassar. In de periode april 1942-januari 1945 was ‘Boerderij Makassar’ een berucht krijgsgevangenkamp. In januari 1945 werden de krijgsgevangenen deels naar Singapore overgebracht en deels naar een ander gebied in Batavia verhuisd. Het kamp werd een burgerkamp en er werden vervolgens meer dan 3.500 vrouwen en kinderen ondergebracht die in de tuinderijen moesten werken of in de varkenshouderij voor de Japanners die varkensvlees aten.

Begin juni 1945 was Julie op de bedrijfsfiets van de Sakurai  winkel onderweg voor een boodschap elders in Meester Cornelis. Tot haar grote schrik werd zij plotseling aangehouden door een Indonesische politieagent die haar ervan beschuldigde de fiets te hebben gestolen. Julie werd vervolgens met een handboei aan de fiets vast gemaakt en moest naast de politieman hollend naar het politiebureau. Julie riep herhaaldelijk tegen voorbijgangers ‘zeg tegen Marie dat ik op het politiebureau zit'. 

Julie was doodsbang dat zij naar de Kempeitai werd gebracht en wist onderwijl met haar vrije hand de epaulet met de KNIL strepen van haar echtgenoot William uit de binnenkant van haar kraag los te maken en weg te gooien. Julie belande na aankomst op het politiebureau in een kleine kille cel. Doodsbang en uitgeput raakte zij na verloop van enige uren bewusteloos en werd de volgende dag naar het nabijgelegen ziekenhuis gebracht. Malaria tropica en een zware longontsteking was de diagnose. Na verloop van dagen werd Julie tegen haar verwachting in niet naar een andere gevangenis gebracht. Maar werd vermoedelijk door bemiddeling van Marie en haar echtgenoot van de Sakura Toko naar het woonhuis van  Kapitein Kentaro Tanaka gebracht.

Kapitein Tanaka en zijn staf bewoonde sinds 1942 het door Laurens van der Crap in 1775 gebouwde landhuis ‘Cililitan Besar’ ook wel ‘Lebak Sirih’ genoemd. Het is een zeer ruim gebouwd huis met een enorme kap die aan alle zijden voor schaduw en koelte zorgt. Het bevind zich nog steeds in Jakarta aan de Jalan Rumah Sakit en was indertijd op loopafstand van Kampong Makassar. Tanaka beval Julie om zich direct naast de keuken aan de achterkant van het huis schuil te houden. Na verloop van tijd knapte Julie op maar als zij Tanaka waarnam dan hoestte zij flink en ging schielijk de keuken in. Zij kon het redelijk goed vinden met de Indonesische kokkie en met de japanse keukenchef een en heeft zich tot de laatste week van augustus 1945 schuil kunnen houden. Julie leerde in deze maanden verschillende medewerkers uit het Makassar kamp van Tanaka kennen die in hun vrije tijd kwamen eten, drinken en urenlang zaten te kaarten op een van de terrassen onder de grote overkapping. Al snel had Julie begrepen dat er ook bewakers bij waren die eigenlijk uit Korea kwamen. Die stonden bekend als uiterst hardvochtig en waren gevreesd om hun harde klappen met de vlakke hand of met een bamboestok. Als zij echter volgens de Japanse leidinggevenden niet hard genoeg corrigeerden dan werden zij zelf even hard gestraft door hun meerderen. 

Julie wist niet precies wat er zoal gebeurde in Kampong Makassar zij hoorde wel de verhalen. Wel is zij verschillende keren getuige geweest van keiharde aframmelingen van Europeanen door juist deze Koreaanse bewakers op de binnenplaats van het landhuis. Eén van de bewakers was Tekki Kanemura. In 1921 geboren in het door de Japanners gekoloniseerde Korea onder de naam Kim Seok-gi. In 1942 had Kim zich gemeld bij een militair opleidingscentrum in de Koreaanse stad Busan vanwege zicht op een goed salaris als uitgezonden militair. Na een korte maar bikkelharde opleiding waarbij hij net als  zo’n collega’s dagelijks werd geslagen (om hard te worden) werd Kim onder zijn nieuwe Japanse naam in augustus 1942 naar Java verscheept. Kim was in 2010 de nog enige in leven zijnde op Java veroordeelde oorlogsmisdadiger. Onder zijn Japanse naam Kanemura is  hij door een Temporaire Krijgsraad (TKR) op 4 mei 1948 tot zeven jaar gevangenisstraf veroordeeld. Een straf die hij moest uitzitten in de door de Holanders gebouwde Tjipinang gevangenis in Meester Cornelis. 

Hij was veroordeeld vanwege 'voortdurende en ernstig mishandeling van krijgsgevangenen'. Kim voelde zich onbegrepen en ten onrechte veroordeeld. Hij had alleen maar ja of nee mogen zeggen op vragen en had aangevoerd dat er nog vier anderen waren geweest met de zelfde naam en hij was immers alleen maar Kok geweest. In 1950 werd Kim overgeplaatst naar de Sugamo gevangenis in Tokio. Op 12 september 1950 werd hij vrij gelaten. Al snel daarna werd hem zijn Japanse status afgenomen en was hij weer Koreaan zonder enig recht op uitkering. Korea was toch weer onafhankelijk! Het heeft Kanemura c.q. Kim Seok-gi 10 jaar gekost om weer naar Korea terug te kunnen keren. Oorlogsmisdadigers die kans zagen om terug te keren naar Korea besloten bijna allen om geen enkele informatie over hun verleden te geven. Jeong, Kim’s 15 jaar jongere vrouw heeft pas onlangs vernomen dat haar echtgenoot een veroordeeld oorlogsmisdadiger was omdat Kim opeens een vergoeding kreeg uit Japan vanwege geleden materiele en immateriële schade tijdens de oorlogsjaren en daarna. Het had Jeong en haar kinderen altijd verbaasd dat Kim altijd met zijn ogen open sliep. Kim had altijd gezegd dat men ‘waakzaam’ moest zijn. Jeong had nooit echt geluisterd naar het geklaag over zijn lijden in het Japan van tijdens en na de oorlog. Daar had ze nu wel spijt van omdat zij hierdoor zijn woede en angst aanvallen beter begreep.

In 1986 ontmoette Julie via een spontaan bezoek door een van haar kleinzoons een jonge 17 jarige Koreaan. Een geadopteerde vriendelijke en stille jongen met een zeer Koreaans uiterlijk. Samen met de vader van de kleinzoon en zijn zoon stond deze jonge Koreaan opeens en als verrassing in de woonkamer van Julie. Julie trok geheel bleek weg, begon te beven en holde verschrikt en snikkend naar haar slaapkamer om niet meer terug te keren. Toen haar zoon enige tijd later ging vragen wat er aan de hand was vertelde Julie ontdaan dat S. zo op een Japans/Koreaanse bewaker had geleken, die ook Julie zo had geslagen. Dat was meer dan 40 jaar eerder geweest. 

Cililitan Besar het landhuis van Kapitein Tanaka commandant van Kampong Makassar 


















Kampong Makassar





Japans/Koreaanse bewakers aan de ingang van Kampong Makassar augustus 1945 werden ingezet om de Europeanen tegen de Indonesiërs te beschermen.
Tjipinang gevangenis Meester Cornelis waar in 1945 de Japanse oorlogsmisdadigers werden opgesloten. 


Bewaker Kim Seok-gi alias Kim Kanemura en zijn vrouw Jeong in 2010




  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1945 Batavia - onderduiken, kersenbloesem en de bom op Nagasaki

Julie heeft haar twee kinderen vanaf midden 1943 tot augustus 1945 niet vaak kunnen bezoeken in het moeilijk bereikbare Bandoeng. Julie had een grote vrees voor de Kempeitai ontwikkeld en zij wist dat zij in Bandoeng nog gezocht werd. Julie was op onvrijwillige wijze bekend geraakt met hun verhoor technieken. Eerst martelen dan naar de gewenste bekentenis luisteren en vervolgens de opgelegde straf ten uitvoer brengen. De Kempeitai had immers altijd gelijk en hield niet van gezichtsverlies.

Haar verlangen naar de twee kleine jongens was er niet minder om geweest en Julie nam tussen zomer 1943 en voorjaar 1945 verschillende keren een groot risico om alsnog van Batavia naar Bandoeng te reizen. De oudste zoon woonde bij haar moeder Charlotte en de jongste bij PTT vriendin Ukkie Sombeek. Het had vooral bij Ukkie verbazing gewekt dat Julie soms en na vele maanden bij verrassing en voor korte tijd haar zoontje Ted kwam bezoeken. Ukkie had het vermoeden dat Julie met de Japanners collaboreerde. Want hoe kon het dat Julie vrij kon reizen? Pas vele jaren later zal blijken dat beide kinderen maar vooral jongste zoon Ted grote moeite hebben gehad met de afwezigheid van hun moeder. Ted is in 1946 als bijna 5jarige kleuter na veel touwtrekkerij nogal plotseling bij zijn pleegmoeder Ukkie opgehaald om daarna met de boot met zijn moeder, grootmoeder en broertje Billy naar Nederland te vertrekken. De psychosociale gevolgen van deze traumatische ervaringzijn in latere jaren met name voor Ted en Julie zeer zwaar geweest.

Julie had tijdens de bezoeken aan Bandoeng telkens het lichtbruine bedrijfsjurkje van Marie gedragen met het opvallend mooi geborduurde Sakura (kersen)bloesem embleem. Tot op heden het nationale symbool van Japan. Toen ook gebruikt als badge door de bijvoorbeeld zo gevreesde militaire politie, de KempeitaiHet reizen door het door hongersnood en brandstof tekorten ontregelde Java was voor Julie een angstige zaak geweest vooral vanwege de controles en de soms oplaaiende haat tegen de Indo's. De trein was geen optie vanwege de nog strengere controles en de benodigde reisvergunningen. De Japanners voerden vanaf 1944 een steeds strenger wordend voedsel beleid in om het leger maar ook Japan te voorzien van rijst en andere producten en tegelijkertijd probeerden zij de nationalisten te paaien met het zicht op onafhankelijkheid onder het voorbehoud dat de het centrale bestuur vanuit Japan geregeld zou worden. Vanwege berichten over de oprukkende geallieerde legers nam het ronselen van mannen en jongens voor verdedigingsactiviteiten zeer toe maar ook werd er veel propaganda gevoerd voor werkprojecten zoals de Birmaspoorlijn waar meer dan 80.000 Romusha het leven bij zouden laten. Het heftige door de geallieerde bombardement op Soerabaya in mei 1944  had de Japanners er toe aangezet om de samenwerking met de Indonesische nationalisten op te voeren. Toch kwamen er steeds meer berichten in oploop dat de Japanners aan de verliezende hand waren en het zelfbewustzijn onder de Indonesiërs groeide hierdoor sterk.

Steeds meer Indonesiërs hadden de betere banen van de Indo-Europeanen overgenomen en de buiten de kampen verblijvende Indo’s werden steeds vaker mikpunt van spot en haat. Niet dat alleen de Indo’s en blanken hierbij geslachtofferd werden. In alle geledingen van de Indonesische maatschappij was het onderling racisme volop aanwezig. Indonesië is samensmelting van een grote verscheidenheid verschillende volkeren en culturen en kende vele rangen en standen. In hoeverre de komst van de Islam meer onderlinge vrede heeft gebracht is tot op de dag van vandaag een bijzondere discussie. De voormalige aanwezigheid van het hoofdzakelijk op christelijke principes gebaseerde koloniale bewind was vanaf 1942 verrassend snel verdwenen. Het Japanse shintoïsme en boeddhismewerd niet opgelegd door de Japanners en er waren geen zwaarwegende bezwaren tegen de animistische en   Islamitische geloofsbeleving. Er waren immers grote overeenkomsten met bijvoorbeeld de Wahyu(goddelijke macht) en de verlichtende invloed avn Goddelijke Japanse Keizer. En er waren spirituele leiders zoals de Dukuns die de aanstaande president Soekarno het groen licht gegeven zouden hebben omdat hij de nieuwe Ratoe Adil zou zijn. Julie had van haar vader het vertrouwen in de Dukuns overgenomen en bewoog zich hiermee tussen haar katholieke geloof en het landelijke bijgeloof in de macht en kracht van de Dukunsen de pusaka’s (voorwerpen die extra kracht zouden geven). Het zou haar de kracht hebben gegeven de buitengewoon moeilijke oorlogsjaren door te komen.

Onder de Indonesische jeugd de Pemoeda broeide het verlangen naar onafhankelijkheid al ver voor 1942. Zij verweten de Nederlanders dat de Nederlandse koloniale aanpak gericht was geweest op zelfverrijking en onderdrukking en de Japanners speelden daar slim op in door hen de aandacht te geven die Nederland hen niet had willen schenken. Scholing, voeding en de belofte op zelfbeschikkingsrecht. De Pemoeda beweging kreeg steeds meer vorm en vond aanhangers tot in de uiterste hoeken van het land met al z’n eilanden.

Terwijl Julie zich nog schuil hield in de bijkeukens van het landhuis (Cililitan) van kapitein Tanaka vlak bij kamp  Makassar werkten de Amerikanen aan hun kernwapens. Little Boy werd op 6 augustus boven Hiroshima afgeworpen, explodeerde en veroorzaakte een enorme drukgolf en grote hitte waardoor er bijna 80.000 mensen in één keer om kwamen. Uiteindelijk zouden het dodental oplopen tot over 140.000 volwassenen en kinderen. Fat Man was de tweede atoombom. Door slecht zicht boven een dunbevolkt gebied bij Nagasaki geëxplodeerd op 9 augustus. Deze bom maakte circa 40.000 dodelijke slachtoffers. Op 15 augustus hield keizer Hirohito een toespraak op de radio. Het was de eerste keer dat een keizerlijke stem zich tot het Japanse volk zou richten. Het veroorzaakte veel verwaring. De keizer sprak over acceptatie van de verklaring van Potsdam maar niet over overgave. De verklaring van Potsdam was opgesteld op 26 juli 1945 en behelsde onmiddellijke overgave van Japan.

Het uiteindelijk nieuws van de capitulatie bereikte Batavia een dag later en Soekarno haastte zich om de onafhankelijk van Indonesië uit te spreken op 17 augustus 1945. Het leek erop dat Julie nu ook bevrijd zou zijn en zich weer vrij kon verplaatsen. Terug gaan naar Bandoeng kon echter nog niet in de daarop volgende weken. De nationalisten met hun eigen leger en de minder georganiseerde Permoeda’s met hun bamboe speren bevolkten de straten. Het bleek uiterst gevaarlijk op straat te zijn en Julie vluchtte naar oude kennissen in de wijk Meester Cornelis. Marie en haar echtgenote heeft zij nooit meer terug gezien.  Voor de Kempeitai behoefde Julie niet meer te vrezen.

Een Dukun tijdens de bereiding van geneesmiddelen



Pemoeda's 

Pemoeda's


 Atoombom de 'Fat Man'  - de lucht boven Nagasaki 



Hiroshima na de bom

vernielde tempel in Nagasaki
daaronder Soekarno die met grote haast de onafhankelijkheid van Nederland 
en Japan uitspreekt op 17 augustus 1945






Boven: afbeelding van een Kempeitai armband 

Martelingen door de Kempeitai - fotomateriaal uit het Changi museum Singapore




1945 -  jonge meisjes wuiven kamikaze piloten uit en zwaaien met kersenbloesem


Het Kempeitai logo is ook een kersenbloesem (Sakura)


In 1945 werd Nederland bevrijd door de geallieerden

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS