1947 – Alles is beter dan niets. Want ‘Niets’ is dood.

Julie had zich in begin 1947 verbaasd over het Nederland wat er zo anders had uitgezien als in de fotoboeken uit haar jeugd. Ook het gedrag van de Nederlanders was zo verschillend en niet zoals Julie hen in Indië had meegemaakt. Julie was op haar fiets verschillende keren door Amsterdam Zuid gereden. Daar waren meer ruimere rijtjeshuizen gebouwd dan vrijstaande villa’s. Grote huizen met kleine tuinen, veelal twee onder een kap die niet te vergelijken waren met de zwoele villa's in de uitgestrekte wijken in Bandoeng of Batavia zoals Julie en Hella Haasse die gekend hadden. 

Wijken zoals de nabijgelegen Pijp en Rivierenbuurt waren dichter bevolkt en de hoge etagewoningen waren zeer veel kleiner en maakten een vermoeide indruk. De stoepen en trottoirs waren wel mooi schoon. De grachtengordel had indrukwekkende gevels. De binnenstad en de Jordaan waren herkenbaar ouder en hadden veel vaak zeer kleine woningen waar de verpaupering en de vele armoedig geklede kinderen haar deden denken aan de crisisjaren van begin jaren dertig in de  arme Hollandse buurten van Bandoeng. De zon en de warmte, de exotische planten en bomen en het gezellige leven op straat hadden Bandoeng met z'n prachtige Hollandse buurten maar ook veel kampongwijken nog extra glans en sfeer gegeven. Het winterse Amsterdam was koud, grauw en ongezellig geweest. De Amsterdammers leken altijd onderweg te zijn en wandelden, fietsten of klommen zwijgzaam in de overvolle trams in met vaak verstelde kleding gehuld. De kleding was nog op de 'bon'.

Julie had aangevoeld dat de anonimiteit in de grote stad meer bij haar zou haar passen dan het leven op het Hollandse platteland zoals zij dat had leren kennen in het kleinstedelijke Markelo waar haar moeder zorgde  voor haar twee kinderen. Inmiddels had moeder Charlotte contact met twee van haar zussen die als weduwe uit Indië in Den Haag waren ondergebracht in contractpensions. In Voorburg woonde een aangetrouwde nicht van Julie. Het was familie van haar in juni 1944 omgekomen echtgenoot William.  De details omtrent zijn overlijden had zij begin december 1946 in Doorn vernomen.

Julie was door de Marine met meerdere officiersvrouwen opgeroepen om naar Doorn te komen en had aldaar in de ontvangstzaal van Huis Doorn een officiële akte gekregen en vernomen dat zij weduwe was geworden en dat zij recht had op een pensioen. Toen was er surrogaatkoffie ingehouden gesnik en het zetten van handtekeningen. Pas vele jaren later zou Julie ontdekken dat het merendeel van de uit Indië teruggekeerde Nederlanders en de meer dan 200.000 naar Nederland verscheepte Indo-Europeanen geen enkele aanspraak op achterstallig salaris of vergoeding van geleden schade hadden. In tegendeel zij moesten hun overtocht zelf betalen en ook hun verblijfskosten in de contractpensions werden in rekening gebracht of ingehouden op het salaris als men er in was geslaagd een baan te vinden. Het Nederlands-Indische gouvernement was immers zelfstandig geweest en de repatrianten moesten maar bij hen verhaal gaan halen.

De Nederlandse regering was armlastig en er werd in maart 1947 na vele maanden onderhandelen met de Indonesische Republikeinen een overeenkomst gesloten in Linggadjati, een bergdorp op Java. Een overeenkomst die Nederland op 20 juli 1947 weer op zou zeggen en die het begin van de eerste politionele actie in Indië in zou luiden. Het begin van een buitengewoon dure actie waar Nederland eigenlijk het geld niet voor had. Nederland was al in 1946 zeer verdeeld geweest over het uitzenden van dienstplichtige militairen. De voor en tegenstanders hadden elkaar echter in evenwicht gehouden en er was uiteindelijk minder bezwaar tegen militair ingrijpen vanwege de economische belangen die op het spel stonden. Uiteindelijk zouden deze regeringsbesluiten Nederland meer verlies dan winst opleveren en er zouden weer veel nieuwe Indo kinderen bijkomen omdat opnieuw de waarschuwing van Dr.Kohlbrugge uit de jaren ’30 in de wind werd geslagen.

Op hulp en opvang van deze nieuw geboren Indo kinderen door bijvoorbeeld Pa van der Steur kon men echter niet meer rekenen. Pa van der Steur was op 16 september 1945 door verzwakking en hongeroedeem gestorven nadat hij meer dan 7000 kinderen van met name Hollandse soldaten had opgevangen en opgevoed. Julie wist precies hoe zij zich onopvallend en bijna onzichtbaar door Amsterdam moest bewegen. Die oefening had zij in het oude Batavia wat nu Jakarta heet met glans doorstaan. Toch was het in Nederland anders. Op Java had Julie zich zeer Nederlands en 'blank' gevoeld. Eenmaal in  Nederland aangekomen let men Julie dagelijks merken dat zij toch echt wel bij de 'zwarten' hoorde. Zij werkte hard en zwijgzaam op het advocatenkantoor aan de Vossiusstraat en fietste ’s avonds snel naar haar kamer op de Helmholzstraat in Amsterdam Oost. Van haar salaris en pensioentje kocht Julie van de voddenkarren oude kleding die zij omnaaide tot kleding voor haar zelf en tot kinderkleding voor haar twee jongens die zij in de weekeinden bezocht. Tegen haar moeder die voor de jongens zorgde had zij niet veel te zeggen. Hun relatie werd overschaduwd door gebeurtenissen die al ver voor het begin hadden plaatsgevonden.

Julie wist zich ook niet zo goed raad met haar twee kinderen. De oudste was zes jaar oud en de tweede net 5 geworden. Julie had de kinderen door de oorlogsomstandigheden in Indië nauwelijks zien opgroeien en sinds de aankomst in Nederland was zij innerlijk zeer aangeslagen geweest door het bericht over haar omgekomen echtgenoot en de praktische problemen in het zich nog steeds herstellende Nederland. Veel goederen en voedselproducten waren nog op ‘de bon’. En er was een zeer groot gebrek aan woonruimte. Julie had de stad en haar werk nodig om tot zich zelf te komen. Overdag achter de schrijfmachine. ’s Avonds handwerken op haar kamer in het kosthuis. Haar hospita was een oorlogsweduwe die Hollands eten kookte en Julie soms uitnodigde bij de kolenkachel in de huiskamer waar beiden in rust en onder het licht van de schemerlamp hun stil verdriet investeerden in het verstellen van kleding of borduursels.

Julie heeft over haar ervaringen in de oorlog weinig willen vertellen. De schrik en afschuw zat er goed in.Anderen, zoals Bep Vuijk die niet ver bij Julie vandaan in een kamp verbleef schreef in 1945 aan haar vader W.H. Vuijk;

Deze afgelopen 3,5 jaar zijn ontzettend zwaar geweest, maar nu ze achter ons liggen ben ik tevreden dat ik ze heb meegemaakt. Ik heb fel en intens geleefd in de onmiddellijke nabijheid van de dood. Velen van ons zijn weggevlucht in mystiek, ik ben steeds nuchterder en reëler geworden".

Nadat ze de eerder beschreven marteling door de Kempeitai heeft verteld vervolgt ze: "En nu dit achter mij ligt voel ik een wilde triomf dat ik naar lichaam en geest ongedeerd en met de winst van een grotere zelfkennis door deze gruwelijke periode ben heen gekomen, bewuster ben geworden en leven en mensen beter kan verstaan".

Meer dan 25 jaar later, zal schrijfster Bep Vuijk het effect beschrijven die de marteling door de Japanse militaire politie, de Kempetai op haar heeft gehad:

Doodgaan is de laatste taak die we moeten volbrengen. Dat had ik gedacht, die weken als gevangene van de Kempeitai, toen de Japanse officier met de hagedissenogen, onbeweeglijk donkere ogen die aan je voorbij keken, mij had verteld, dat ik onthoofd zou worden. Nu na al die jaren, na vijfentwintig jaar, herken ik in dat indenken van de dood een element van magisch afweer. De gruwelijkheid symbolisch ondergaan om haar daarom niet te hoeven ondergaan. Het naakte leven er afbrengen, daar alleen kon je op hopen. Ich habe mein Leben auf  Nichts gestellt.

Het zijn teksten die zeer dicht bij Julie en haar naoorlogse levenshouding staan en gelden voor vele andere vrouwen uit voormalig Nederlands-Indië. De angsten die Julie heeft gehad tijdens haar vluchtjaren voor de Kempeitai hebben tijdens haar 7 maanden verblijf in de stinkende Boei Lama gevangenis plaats gemaakt voor een innerlijke rust en overgave aan de wijze waarop zich het leven van dag tot dag zou gaan aandienen. Alles was beter dan ‘niets’, want ‘niets’ was de dood.

Bep Vuijk uit zich sarcastisch met het zinnetje Ich habe mein Leben auf Nichts gestellt. Zij verwijst hierbij naar een visionair lied van Johann Wolfgang Goethe uit 1806 :


1947 zou een jaar met 4 hittegolven worden. Ongekend voor Nederland en hart en huid verwarmend voor Julie. De knappe lange man van de schrijfmachines op Julie’s werk stond vanaf begin april tijdens de lunch pauze steeds vaker bij het hek van het Vondelpark op Julie te wachten. Hij nodigde haar dan uit voor de een middagbroodje in een lunchroom in de Leidsestraat.  Julie voelde zich wel gecharmeerd door die goed geklede man. Anton vertelde haar dat hij bioloog was maar door de vooroorlogse crisis en daarna de oorlog niet had kunnen studeren. Hij handelde in schrijfmachines en andere zaken om aan een inkomen te geraken. Het liefst had hij echter al vóór de oorlog in Indië willen studeren en werken. Dan had hij verschrikkingen van de oorlogsjaren in Amsterdam kunnen ontlopen. Het was daar naar zijn idee en volgens vele andere Nederlanders nooit zo verschrikkelijk geweest als in Europa. Julie glimlachte beschaafd toen hij toevoegde dat Indische meisjes zo anders en zo bescheiden waren.

De zomer begon in 1947 al op 8 mei de temperatuur en aan het eind van de maand was het in Amsterdam al hoger dan 30 graden geweest. Het bracht de stad en haar bewoners in een warme roes. Anton had voor Julie een kleine bovenetage aan de Amsteldijk gevonden. Hij hielp die dag met de verhuizing en is meteen blijven slapen en daarna niet meer weggegaan. Julie wist nauwelijks iets over hem. Hij had wel verteld dat er meer dan 50.000 bomen in Amsterdam waren gekapt om als brandstof tijdens de lange hongerwinter van 1944 te dienen. 

Julie maakt ook via de Libelle kennis met de 
Hollandse zeden en gewoonte's


Het eerste monument op de Dam in - Amsterdam 1947 

Er waren vanwege schaarste nog veel goederen en 
consumptie artikelen op 'de bon'

Een 'het Indië beleid' propaganda poster bedekt door een Velpon reclame 
- Amsterdam 1947

In juni 1947 verschijnt de eerste uitgave van 'Het Achterhuis' een boek over het leven van Anne Frank en haar familie in Amsterdam tijdens de oorlogsjaren.

Indië 1947 pro Soekarno en Hatta teksten tegen de voorstellen en aanwezigheid van Nederland in Indië. Van Mook en v.d. Pals zaten in Linggadjati met hen aan de onderhandelingstafel.

Tijdens 1 van de 4 hittegolven in Nederland 1947


Christian Dior introduceert in 1947 zijn baanbrekende 'New Look' 
die ook Julie zou inspireren.

Christian Dior in 1947 met modellen die zijn nieuwe collectie dragen


Tijdens de hittegolf in Amsterdam bakken twee mannen een eitje op de hete stoep.

Op het strand werd tijdens de hittegolf van 1947 gedanst 
met op de achtergrond een oorlogsbunker

Damesblad 'Eva' wenst de Nederlanders prettige feestdagen in 1947

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1947 - In Nederland Door Omstandigheden (INDO?)

De kleine bovenetage aan de Amsteldijk was Julie’s eerste eigenwoning na een zwerftocht van meer dan 5 jaar. Overhaast had Julie op gezag van de Japanse bevelhebbers eind april 1942 haar ruime knusse woning aan de Niasstraat in Soerabaya moeten verlaten. Met twee jonge kinderen en een enkele koffer. Nu, in mei 1947 had zij voor het eerst weer een woning met een slaapkamer met woonkamer en een klein keukentje met uitzicht op een Hollandse binnentuin.

Anton had de bovenwoning via zijn relaties gevonden. In een stad die zich nog midden in de wederopbouw bevond en waar het grote tekort aan woonruimte nog lang niet was opgelost. Veel meubelen zal Julie niet gehad hebben. Zij was nog maar vijf maanden in Nederland en was met nauwelijks meer dan een koffer met kleding voor haarzelf en haar twee kinderen aangekomen. 


Anton zorgde via zijn kennissen voor het nodige huisraad. Hij kende de vele handelaren van de toenmalige zwarte markten en met geld was indertijd alles te regelen. Julie had geld. Zij had van de marine een flinke som geld ontvangen zijnde het achterstallige salaris en pensioen van haar in 1944 omgekomen echtgenoot William.

Julie was in december 1946 voor het eerst in Amsterdam geweest. In Den Haag had zij de enveloppe met marinegeld in ontvangst genomen en nam de trein naar Amsterdam. Onder geen beding had zij in het contractpension in Markelo willen blijven en daar afwachten of er misschien een huis en baan in het vooruitzicht gesteld zou worden. 


Julie droeg nog steeds het armoedig groene mantelpakje met de warme canvas stof  overjas die haar op Ataka waren uitgereikt door het Rode Kruis. Ataka was een tussenstop geweest tijdens de reis van Indië naar Nederland. Er had daar een klein orkest samengesteld uit Duitse krijgsgevangen muziek gespeeld.

Julie was nooit eerder in Amsterdam geweest. Het Centraal Station was druk en overweldigend. Waar moest zij heen? Julie vroeg een taxichauffeur of hij een goed hotel kende. Ondanks haar kleine gestalte en sjofele kleding had Julie een vastberaden uitstraling gehad die door de taxichauffeur werd beloond met  een korte rit naar het Amstelhotel. Het beste hotel van Amsterdam. Julie legde de grote dikke envelop met geld op de balie van de receptie. De zeer voorkomende hotelmedewerkers schreven Julie in als hooggewaardeerde gast zonder enige blik op haar oude kleding. Julie had kennelijk besloten om haar leven zelfte gaan bepalen. Zij was moe geweest van alle formaliteiten, formulieren, goed raad  en ongevraagde adviezen sinds zij in In Nederland Door Omstandigheden  was aangekomen

Het werk wat zij al snel na aankomst  in Amsterdam zou vinden op een advocatenkantoor aan de Vossiusstraat was saai maar was een goede kennismaking met het naoorlogse Nederland geweest. Dagelijks typte zij de vele problemen uit die Nederlanders met elkaar hadden, op moeizaam verkregen papier met donkerblauw doorslag carbon. Van de andere dames in haar werkruimte kreeg zij tips en adressen waar Julie haar distributie bonnen het best kon besteden. Julie kocht uit voddenkarren met oude kleding en gordijnen de stofjes voor haar nieuwe kleding. Zoals zovele vrouwen die langdurig ondergedoken waren geweest koste het Julie geen enkele moeite om kleding naar de laatste mode uit kranten en tijdschriften te kopiëren.  

Julie had haar twee kinderen bij haar moeder Charlotte achter gelaten in het verre Overijsel. Haar afwezigheid leek legitiem. Natuurlijk zocht zij werk en een huis voor haarzelf en de kinderen. Haar weduwepensioen en de grote som contant geld waren kennelijk niet voldoende aanleiding voor Julie om de luwte te zoeken en tot rust te komen van de jarenlange zwerftocht en ontberingen. 


Voor Julie was overdag hard werken en ’s avonds kleding maken of andere handwerkjes als een noodzakelijke bezigheidstherapie om het verleden weg te drukken om zodoende vermoeid en droomloos in te kunnen slapen. Zij hield voor haar twee jonge kinderen maar kende hen nauwelijks. Vanaf 1943 hadden de jongens elkaar en Julie weinig gezien. 



De oudste was bij haar moeder Charlotte gebleven en de jongste had bij een vriendin van Julie gewoond. Pas eind september 1946 was Julie na grote moeilijkheden in staat geweest om de kinderen en haar moeder uit Bandoeng naar Batavia te halen. De jongste had zich zeer verzet. Hij had bij zijn pleegmoeder Ukkie Sombeek willen blijven. 

Julie had tijd nodig om de voorgaande jaren te verwerken en te wennen aan het voor haar onbekende naoorlogse Nederland. Het alleen zijn in Amsterdam was ook vrijheid voor Julie. Bevrijd zijn van mensen van wie zij afhankelijk was tijdens haar vlucht en onderduik periodes. Bevrijd van de angst om verraden te worden vanwege een bord eten of omdat zij een Indische was met Hollands bloed. In vrijheid zich zelf weer kunnen vinden en na te kunnen denken over een toekomst.

De zakelijke en nuchtere ‘wederopbouw’ houding van de Nederlanders en de soms ruwe maar welgemeende directheid van de Amsterdammers was een schril contrast geweest met de zachtaardige en beleefde toon die Julie gewend was geweest van haar vrienden en kennissen in Indië. Ook het werktempo was veel langzamer geweest. De beschouwelijke levensstijl en de traditionele structuren van de Javaanse samenleving waren volledig onbekend geweest voor de nieuwe relaties die Julie in Nederland aanging. 


Het was Julie meteen opgevallen dat de doorsnee Nederlander nauwelijks enige kennis had gehad over het oude Indië waar opnieuw om gevochten moest worden door jonge Hollanders die rijst alleen kenden als er suiker, warme melk en rozijnen in waren verwerkt.

Anton leek een man van de wereld. Hij kende Amsterdam op z’n duimpje. Hij had in het verzet tegen de Duitsers gezeten. Hij kende Indië omdat zijn zwager Arie ver voor de oorlog duikboot machinist was geweest in Soerabaya. En uit de verhalen van zijn oudere broer Jozef die als marine officier in 1942 had gevochten bij Tarakan. En daarna  gevangen werd genomen door de Japanners. Anton was altijd al een groot liefhebber van speelfilms en documentaires geweest. Hij had veel boeken gelezen over de natuur en was in tegenstelling tot Julie een aanhanger van het Darwinisme. Anton was een groot voorstander van het op afstand houden van de Russen die als bevrijders uit het oosten waren opgerukt.

Julie was voor de wereldoorlog meer een aanhanger geweest van de ‘gebroken geweertje beweging’ voortgekomen uit de ‘nooit meer oorlog’ gedachte. Anton en Julie vonden elkaar wel in het gedachtengoed van de sociaal democraten. Een gedachtengoed wat door beiden verschillend werd ingevuld. Julie was tégen ingrijpen van Nederland in Indonesië en Anton was juist vóór. Julie steunde de ideeën van L.N. Palar. Anton stond meer achter Willem Drees en las de uit het verzet voortgekomen ‘Het Parool’. Waarin dagelijks ook over de strijd om Indië werd geschreven.

Het verlangen naar warmte, liefde en innerlijke rust was er ook bij Julie en Anton geweest. De kale etage aan de Amsteldijk werd als vanzelf een troostrijk liefdesnestje. Elkaar vragen naar het verleden was pijnlijk geweest. Anton vulde zijn dagen met bezoeken aan zijn vrienden uit het verzet en het snorren naar handel. 


Verzamelplaatsen waren het Leidseplein waar zich de café’s Eijlders en Reijnders bevonden. Dé locatie waar kunstenaars, intellectuelen en andere personen met een ‘vrij beroep’ zich onderhielden. Sinds Anton een verhouding met Julie had werden zijn bezoeken aan de chique tearoom Formosa in de Kalverstraat aanmerkelijk minder. Hij was immers ‘bezet’.

Anton was al twee keer eerder bezet geweest. Toch wist Julie in mei 1947 niet veel meer dan dat Anton in ‘scheiding zou liggen’ en dat zijn aanstaande ex-vrouw en Anton zelf, ‘door de oorlog’ uit elkaar waren gegroeid. Was het bescheidenheid of zelfbehoud dat Julie in die eerste periode van samenzijn niet méér aan Anton had gevraagd? 

In de weekenden bezocht en verzorgde Anton zijn oude moeder en Julie bezocht haar kinderen en moeder. Julie en Anton zagen elkaar door de week na het werk en namen afscheid in de ochtend. Het was rond eind juni 1947 dat Julie ontdekte dat zij zwanger was.

Er groeide nieuw leven in Julie. Het lichaam van Julie had zich wonderbaarlijk snel hersteld van de ontberingen van het jaar ervoor in de nu zo ver weg lijkende Boei Lama gevangenis van Ceribon. 

Taxichauffeur Rembrandtplein Amsterdam


De Amstelhal van het Amstel Hotel 


Restaurant-Tearoom Formosa aan de Kalverstraat te Amsterdam


Onze Jongens Overzee


Centraal Station Amsterdam


Middenonder en links van de brug het Amstel Hotel


Een opkoper van vodden en andere bruikbare materialen in Amsterdam


Een van de vele Amsterdamse voddenkarren in de naoorlogse jaren


Visverkoper op  de Nieuwmarkt te Amsterdam


Tijdschrift De Week In Beeld


distributiebonnen voor vrouwen geboren in 1931 of vroeger


Een distributie etalage in Amsterdam


Amsterdam 1947 - Volop eieren zonder bon!


  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS

1948 - Het DNA van Anton en Julie en hun eerste kindje wordt geboren

In 1947 was Amsterdam nog aan het bijkomen van de gevolgen van de tweede wereldoorlog die van 1940 tot 1945 ook een aanslag op het uiterlijk van de stad had veroorzaakt. De grauwsluier was nog niet weggepoetst door nieuwe aanplant, renovatie’s en aanvulling van ontbrekend stadsmeubilair. In de Amsterdamse Indische buurt met de zwoel klinkende namen van de vele eilanden rond Java had Julie vanaf haar fiets geen enkel aanknopingspunt gevonden met haar verleden op Java. Nergens waren er de warme tropische geuren met de gezellige multiculturele samenleving zoals Julie die had gekend in Jakarta, Bandoeng, Soerabaya, Solo en vele andere steden op Java.

De heerlijke warmte in de eerste weken van mei 1947 was voor Julie de eerste periode in Nederland dat zij zonder dikke jas naar buiten kon. Sinds haar aankomst eind november 1946 had zij het koud gehad. Het was nu anders. Julie kon met Anton aan haar zijde de stad ontdekken. Zij was met hem naar het oude Waterlooplein geweest en had met afschuw de nabij gelegen donkere muren rond de Jodenbuurt waargenomen. Anton had verteld over vrienden en soms hele families die niet meer terug waren gekomen. Julie miste haar vader waar niets over bekend was geweest. Haar moeder Charlotte kwam regelmatig met berichten over vermiste en omgekomen familie in Indië. Het zou nooit meer worden zoals vroeger. Vermisten werden doden.

Eind juni 1947 bemerkte Julie dat zij zwanger was. Was het een ongelukje? Of was het een ontzichtbaar anker wat uit was geworpen in de stugge aarde van een land wat nog door Julie veroverd moest worden. Julie zal het Anton verteld hebben. En hem aan hebben gekeken, zoekend naar een reaktie. Julie had al twee kinderen van een man die nooit meer terug zou komen. Anton was al eerder vijf keer vader geworden en was formeel nog samen met de vrouw die zijn laatste vier kinderen ter wereld had gebracht. Samen zouden Anton en Julie vanaf 1948 tot 1969 twaalf kinderen krijgen. Was het uit liefde voor elkaar? Of was het compensatie voor het verlies en het geleden verdriet in de uiterst moeilijke jaren die beiden achter zich wilden laten. De kinderen van Anton en Julie hebben later 25 kinderen (stand 2011) gekregen.

Het DNA van Julie en Anton bevat overerfde informatiedie zich behalve bij Julie en Anton ook in de eigenschappen, talenten en karkatertrekken van hun kinderen en kleinkinderen zullen manifesteren. Hoog blonde kinderen en dan weer kinderen met sterk Indonesiese trekken of juist weer een mengeling van beide. Al lijken de kinderen van Julie en Anton op elkaar er zijn ook grote verschillen in persoonlijkheid waarneembaar die soms tot onderlinge botsingen en verwijderingen leiden dan wel tot tijdelijke groepsvorming met een sentimenteel karakter zoals verjaardagen of familiefeestjes. Het ziet er naar uit dat overgrootmoeder Djeminem uit Bojolali de oudste genen heeft. Toen Indië al duizenden jaren bewoond werd waren de aanstaande Europeanen nog onderweg vanuit Afrika via Egypte en toen linksaf door Turkije richting Europa. Charlotte de moeder van Julie was een kind van Casper Frederik Deuning. In 1843 in Soerakarta het huidige Solo geboren. Casper is een kind uit de 4de generatie Deuning.

De eerste Deuning is in 1728 met een VOC schip naar Batavia gekomen. En stamt af van de familie Dohna/Donin/Donyn en uiteindelijk Dohning uit Anspach Duitsland. Casper zou vanaf 1860 meer dan veertig jaar als landeigenaar en later als administrateur van suikerfabriek Tjokro Toeloeng in de suikerindustrie werken. Samen met zijn inheemse vrouw Djeminem zouden zij samen meer dan 14 kinderen krijgen in het prachtig gelegen Bojolali. De Deuning’s in Indië waren veelal planters en landverhuurders en zouden later ook als gewoon ambtenaar of bij staatsbedrijven zoals de Indische spoorwegen of de lokale trammaatschappijen werken. 

Charlotte, een dochter van Casper Frederik Deuning en Djeminem zou in 1920 trouwen met Ferdinand Pieter van der Steur. Zijn vader was Adriaan Hendrik van der Steur een marineman uit Amersfoort die enige jaren in Soerabaya zou werken als machinist en later stuurman op een van de speciale schepen waarmee de Indische overheid op opiumsmokkelaars jaagden. Adriaan zou in 1901 vanwege depressie’s opgenomen worden in een kliniek te Lawang en in 1907 scheiden van Joanna de moeder van Ferdinand. Adriaan is in 1914 onder mysterieuze omstandigheden verdronken en dood aangetroffen op het strand bij Katwijk. Hij liet opnieuw een zeer jonge zoon achter. Charlotte verloor al heel jong haar moeder Djeminem en was bijna 9 toen haar vader overleed. Ferdinand heeft na 1905 nooit meer iets van zijn vader vernomen. De Van Der Steurs zouden mogelijk via het zuiden van Italië als meetrekkende kathedralenbouwers rond 1500 in Nederland zijn aangekomen. Of waren het gewoonweg Hollandse vissers die goed waren in het vangen van de indertijd zo grote 'steur' vissen die in de Nederlandse rivieren te vangen waren? Adriaan Hendrik van der Steur trouwde op 6 december 1899 met een meisje Heijligers ook wel als Joanna Carolina Heyligers geschreven. Een familie van Duits-Nederlandse oorsprong die al enige generatie’s in Nederland en Indië woonden en veelal beroepsmilitairen waren. In Nederlands-Indië’s woonden veel Duitsers en andere buitenlanders die via het wervingsdepot in Harderwijk aan een militaire loopbaan in Indië konden beginnen. Een neef van Adriaan was Johannes van der Steur die later in Indië bekend zou worden als Pa van der Steur. Johannes heeft een aantal jaren in Harderwijk als zendeling gewerkt en aldaar besloten om naar Indië te vertrekken om zijn zendingswerk op Java voort te zetten.

De Deijmann’s (Deiman, Deyman, Deymann) worden pas zichtbaar in west europa vanaf circa 1100. Zelfs in het huidige Mauretanië met een link naar Turkije komt de naam Deymani voor. Maar ook Deyman in Iran, Azerbeidzjan, Uzbekistan, Turkije, Bulgarije, Polen. De Deymann’s in west europa zouden veelal landarbeiders, handelsreizigers in textiel of wijn en soms regenten worden. De naam Deyman werd door veranderende taalspelling regels en mogelijk door (in)schrijffouten op verschillende wijze gevoerd. De Deymann’s waar Anton uit voort is gekomen woonden al voor 1200 in het Duitse Eemsland gebied voorbij Klazinaveen. De textiel handelsroute die vanuit Nederland tot ver voorbij het Poolse Krakau zou lopen en aansluiting zou hebben met Azië heeft veel Deymann’s aangezet om als marskramer en textielhandelaar een graantje mee te pikken. Op de oude handelswegen vanuit Nederland tot ver voorbij Polen komt de naam Deyman voor. 

De grootvader van Anton is in het Duitse Meppen katholiek gedoopt en vermoedelijk in het nabijgelegen Haren geboren. Hij was samen met zijn broer in Meppen handelaar in wijnen en daar kwamen later naaimachines en aanverwante artikelen bij. Zij verkochten veel handel in Groningen waarna de broers besloten een nevenvestiging in Groningen te openen. Eerst in de Oude Kijk in 't Jatstraat en later in de Harmoniestraat. Hij zou rond 1875 in Groningen trouwen met een meisje Koets die weer banden had met de Amsterdamse fournituren en knopen familie Koets in de Utrechtsestraat in het pand waar zich nu Boekhandel Veenstra bevindt. Anton junior groeide op in de stad waar zijn vader als matroos bij de marine in dienst was. Anton senior was een ‘lastpost’ en werd op 15jarige leeftijd door zijn Groningse ouders naar de toenmalige Zeevaartschool in Leiden gestuurd. Hij zou in 1901 trouwen met een meisje uit de Van Wolferen tak die al eeuwen in de buurt van Den Helder woonden en veelal vissers en jutter’s waren. De vader van Anton werd ondanks zijn vele dienstjaren bij de marine vaak gedegradeerd vanwege ernstig alcoholmisbruik. Ook het huwelijk tussen de grillig aangelegde Anton senior en zijn vrouw Helena zou in een scheiding eindigen.

De 12 kinderen van Julie en Anton hebben aldus Indonesies-Duits-Nederlands bloed met mogelijk een snuifje bloed uit Perzië. Mocht het zo zijn dat de oorsprong van de Deyman's nog verder gaat dan zuid-slavische volkeren, Turkije en zelfs in Iran ligt dan zou dat geen verbazing wekken als men de fysieke en emotionele kenmerken van Anton en zijn kinderen vergelijkt met de volkeren die men daar aantreft.   
Er wordt door sommige van de kinderen verondersteld dat er Joods bloed in de familie aanwezig zou zijn maar daar zijn (nog) geen aanwijzingen voor. Veel Deymann’s bereisden de internationale textiel handelsroute en er kan natuurlijk van alles onderweg gebeurd zijn. Het merendeel van alle  familie’s was rooms katholiek en bepaald niet calvinistisch ingesteld. Een opvallend groot aantal familieleden had en heeft tot op vandaag een vrij beroep of geeft daar de voorkeur aan. Vaak gelieërd aan het onderwijs en/of creatieve beroepen. Julie en Anton hebben met elkaar gemeen dat hun beider vader het gezin verliet rond hun twaalfde levensjaar. Voor de verlaten moeders heeft dat tot soms grote economische en emotionele problemen geleid. Julie en Anton hebben zich hierdoor onvoldoende kunnen identificeren met de ‘vaderrol’. Vervolgens hebben Julie en Anton de grote economische crisis 1929 – 1935 meegemaakt. Waarbij opgemerkt kan worden dat Anton bijna 7 jaar oud was toen de eerste wereldoorlog voorbij was en indertijd opgroeide in een dijkhuiswinkeltje aan de levendige haven van een ‘gemobiliseerde’ marinestad.

Julie heeft de problemen die door de werkeloosheid van haar vader ontstonden van zeer dichtbij meegemaakt. De toenemende verwijdering tussen haar vader en moeder was een pijnlijk proces voor Julie. Moeder Charlotte wilde onder geen beding Indië verlaten voor een onzekere toekomst in India of de Philipijnen waar wel voldoende werk was in de suikerindustrie voor vader Ferdinand. Toen Julie’s vader naar India was vertrokken raakte haar moeder emotioneel geblokkerd en uitgekeken op haar twee kinderen. Julie en haar broer werden steeds vaker ondergebracht in pleeggezinnen zodat moeder Charlotte haar handen vrij had om werk aan te nemen maar ook om vriendschappen met mannen aan te gaan. In 1936 werd door de rechtbank in Batavia de scheiding uitgesproken maar hun relatie was al in in 1933 voorbij geweest. Anton groeide in de puberteit op op zonder vaderfiguur, evenals Julie. Julie heeft zich door de omstandigheden rond haar vader en moeder ook niet voldoende kunnen identificeren met de ‘moederrol’.

De jaren ‘20 kenden welsiwaar economische voorspoed maar daar kwam vanaf 1930 een einde aan. Nederland en Nederlands-Indië werden zwaar getroffen door grote werkeloosheid en nieuwe armoede. Nadat Anton in Den Helder zijn MULO diploma had gehaald vertrok Anton in 1928 met zijn moeder Helena naar Aalsmeer. Hij werd ingeschreven op de lagere Rijks Winter Tuinbouwschool en studeerde daar tuinbouw en bloementeelt. Na twee jaar was Anton gediplomeerd tuinman en was daarnaast zeer aktief bij de NJN ofwel de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. Eind 1933 trouwde de eenentwintigjarige  Anton met Truus Bosma en opende een kantoorboekhandel in Den Helder. Hun enige zoon Warner werd op 16 juni 1934 geboren. Hun echtscheiding werd op 3 december 1936 uitgesproken. Truus zou later hertrouwen met de schrijver Antonie van Kampen die zijn stiefzoon Warner de naam Warry van Kampen zou geven. 
Door de moeilijke economische situatie en het zoeken naar werk zou Anton tot 1940 zeer vaak verhuizen. Anton trouwde toen voor de tweede maal. Hun eerste kind Karel was reeds in 1938 ‘buitenechtelijk‘ geboren. Ook dit huwelijk eindigde in een zeer moeizame echtscheiding die  in 1951 uitgesproken zou worden en zou grote emotionele gevolgen voor de inmiddels vier kinderen hebben. 

Julie en Anton hebben beiden de tweede wereldoorlog intens en van zeer dichtbij meegemaakt. Een oorlog die zich afspeelde in de zeer verschillende culturen waarin Julie en Anton opgroeiden en volwassen werden. Met ervaringen die zo verschillend waren waardoor onderlinge uitwisseling over de persoonlijke ervaringen en gebeurtenissen niet altijd op wederzijds begrip of ‘aanvoelen’ kon rekenen. De twaalf aanstaande kinderen waren zeker niet gepland maar er werd kennelijk weinig moeite gedaan om géén kinderen te krijgen. Julie wilde  ieder kind wat zich aankondigde altijd met liefde ontvangen. In hoeverre Anton al zijn kinderen (17 of waren er meer?) heeft gewenst is wat hem betreft onuitgesproken gebleven. Door welke speling van het lot Julie en Anton zijn samengebracht is een boeiende vraag. De eerste twee huwelijken van Anton werden voltrokken met twee struise Hollandse vrouwen die beiden uit de geboorteplaats van Anton kwamen. Anton had altijd veel ‘sjans’ gehad in de danszaal van het Carlton Hotel en tijdens het Thé Dansant in tearoom-restaurant Formosa, waar oudere dames jonge heren konden huren. Anton werd ook wel de Cary Grant van de Kalverstraat genoemd. Julie was met haar kleine ranke gestalte en haar zwart golvende kapsel een exotische tegenstelling waaraan de sporen uit de Gordel van Smaragdgoed te zien waren. Julie had altijd grote bewondering voor de zwoele maar pittige amerikaanse filmactrice Joan Crawford gehad. Die als kind ‘Billie’ werd genoemd. Het eerste dochtertje van de Amsterdamse Cary Grant en Joan Crawford werd in januari 1948 geboren.


1857 - Toen de Deuning's nog Deunin waren in Nederlands-Indië
Deunin - Donin -


De 'Duitscher Deunin' (g) werkte als militair in Fort Vastenburg te Solo

1996 - Julie herinnerde zich de oude verhalen over haar Duitse familie 
van haar moeders-zijde en begon aan een Engelstalig boek. 
Het bleek dus Deunin van Dönin van Donin te zijn.


rond 1900 - Sheikh Sidy Ahmed Ibn Ismouhou Deyman uit Mauretanië
zijn lijn gaat via Konya terug naar Tabriz in Iran. Hij was een Soefi

Rond 1880 - Een van de Deymann's uit het geslacht Deymann 
  regio Meppen, Xanten en Wesuwe in Duitsland

De Deymann's hadden ook een drankje 
de suiker kwam veelal uit Nederlands-Indië


1948 - Anton en Julie zijn tot aan de komst van de televisie in de 
Nederlandse huiskamers fervente film liefhebbers geweest. 
Anton luisterde ook veel naar de radio 
en kocht zijn eerste TV in 1959 

De korte filmpjes geven een indruk van het Amsterdam 
van Anton vóór dat hij Julie leerde kennen.

Joan Crawford, Julie, Cary Grant en Anton

Anton en Julie gingen vanaf hun kennismaking in 1947
vaak naar de Amsterdamse bioscopen.



1947 Joan Crawford in Daisy Kenyon

1947 Cary Grant in The Bishop's Wife

Vier Nederlandse speelfilms die veel stof op lieten waaien.

Max Havelaar,

Soldaat van Oranje,

Oeroeg en

De gordel van smaragd

Julie was in de periode 1939 - 1940 zangeres. 
Zij trad op in Soerabaja op onder de naam Mona Banister. 
Er was met name op Java een intensief uitgaansleven. 
De vele bioscopen bezoeken en 
daarna gaan 'dansen' was zeer populair.

Op de foto Esmée de la Bretoniére als Ems.

Peter Faber en Sacha Bulthuis in Max Havelaar (1976) 

Rutger Hauer en Belinda Meuldijk in Soldaat van Oranje (1977)

Oeroeg film naar het boek van Hella S. Haasse (1993)

De gordel van smaragd met Esmée de la Bretoniére met Pierre Bokma. 
Deze film zou veel meer emoties en kritiek oproepen dan bijvoorbeeld de 
Soldaat van Oranje film of Oeroeg en Max Havelaar. 

De interpretatie van regisseur Orlow Seunke die in Jakarta is gaan wonen en werken, 
en de gevoeligheden rond de koloniale geschiedenis zorgden voor 
heftige discussies en zelfs afwijzing van de film. 
Het is de eerste grote Nederlandse speelfilm waar de soms innerlijke 
verscheurdheid van de Indo-Europeaan breed uitgelicht wordt.







1947 Indonesië - verweesde kinderen in een republikeins kamp op Java 
waar Julie nog maar kort vandaan was gekomen

1947 Java - Dit kind heeft het niet gered in het Adak kamp

1946 Java - De oom van Julie heette Pa van der Steur. 



De broer van Julie heeft jarenlang op zijn Instituut "Oranje Nassau Stichting' gewoond. 
In 1946 was er van het werk van Pa van der Steur niet veel meer over. 
In de voorgaande jaren had Pa met zijn medewerkers 
meer dan 7000 kinderen opgevangen.
Toch werd zijn werk voortgezet

Het merendeel van deze kinderen had een Indo-Europese achtergrond
Op de foto verlaten 'Steurtjes' in 1946

  • Digg
  • Del.icio.us
  • StumbleUpon
  • Reddit
  • RSS